De dochter van Blauwbaard Louis Couperus Zij heette Fatma en woonde op een harer buitenverblijven, in de omstreken van Bagdad. Zij was Blauwbaard's dochter uit zijn eerste huwelijk en zij was een wonderschone vrouw; om haar maneblank gelaat golfde heur blauwe haar als een mantel over hare tengere schouders heen ... Het is niet algemeen bekend, dat Blauwbaard een dochter had. Men meent algemeen, dat hij, kinderloos, verslagen door de broeders zijner laatste, ik meen negende, vrouw, die al zijn schatten geërfd zoû hebben. Indien men, zo als ik, de geheime archieven der Sproke heeft doorzocht, zoû men, zonder héel veel moeite, vinden dat Blauwbaard, met gekloofde schedel, stierf in de armen zijner dochter en háar alle zijne bezittingen na liet. De jonge weze, de betoverende Fatma, had haar vader zeer lief gehad, zo als hij haar lief gehad had, hoewel zij zich nooit had kunnen verenigen met de wijze, waarop hij zich bevrijdde van zijne vele ongehoorzame vrouwen. Zij vond deze wijze nièt mild, nièt edelaardig en eentonig van psychologie. Zij begreep héel wel, dat telkens hare nieuwe stiefmoeder had moeten bezwijken voor de verleiding harer nieuwsgierigheid. Zij vergoêlijkte niet haar vaders handelwijze en beschouwde die ook engigszins als een niet te verontschuldigen uiting van sadisme. De azuur gelokte Fatma, als jonge weze, bleef eenzaam tussen hare ontelbare rijkdommen en al hare dienaren en slaven, die als met een vorstelijke hofstoet haar omringden. De aanzienlijke families te Bagdad, aan het hof van de Khâlief, spraken véel over de jonge, rijke, blauwharige, maar, trots hare onmetelijke schatten, begeerde er géen haar tot bruid voor een zoon of neef. Hare lokken wekten te veel herinnering op aan de verschrikkelijke dingen. Zodat de schone Fatma alleen bleef, op hare onyxen terrassen, die tussen dadelbos en rozetuinen neêr traden naar hare kristalklaar spiegelende vijvers ... En zij dwaalde, eenzaam ook, terug tussen de onyxen zuilen der galerijen naar haar zomerpaleis, dat, met gouden en zilveren tichels geplaveid, ook met gouden en zilveren dakpannen was overdekt. Tot zij de eenzaamheid niet meer harden kon en in maargdelijke liefde ontvlamde voor de opzichter harer hoveniers. Hij was een zéer knappe jongen, die van buiten kwam en het rustieke van zijn bedrijf gaf hem in Fatma's een weinig van oververfijning vermoeide ogen een onwederstaanbare bekoring. Zodat zij hem huwde, zonder zich te storen aan wat men van haar zeggen zoû in de aanzienlijke Bagdadse families of aan het Hof van de Khâlief. Fatma scheen zeer gelukkig. Zij vertoonde zich met haar gemaal in alle statie en kostelijke bevalligheid te stad en te land, in tapijt-versierde gondels op de vijvers, in kussens-volle draagstoelen in de straten, met een stoet van slaven in de bâzars en zelfs op de feesten aan het Hof, waar zij om hare rang en rijkdom toegang had. Zij vormde met haar beminde Emin een betoverend schoon paar: hij, fors en jong, en glorifiërende in zijn nieuwe rijkdom - het type `parvenu' bestond toen helemaal nog niet -, zij, schitterende van liefde en onschatbare juwelen, die flonkerden aan haar gazen tulband en de zoom harer mantels bezwaarden, terwijl hare azuren lokken met wondergrote parelen waren doorweven. En de aanzienllijke Bagdadse families betreurden reeds geen moeite te hebben gedaan Blauwbaards dochter te hebben gewonnen voor zoon of neef ... Plotseling verspreidde zich het gerucht, dat Emin gestorven was ... De vorige dag nog hadden alle Bagdadders hem gezien, in de Moskee, en zie, daar vernam men, dat ... hij gestorven was! Een huivering ging door de stad maar er was voor de Groot-Vizier en Opperofficier van Justitie toch geen aanleiding zich te bemoeien met de zaak, nu het zeer geloofwaardige gerucht rond ging, dat Emin, op die warme dag, te veel watermeloen had gegeten en na een hevige koliek was bezweken. Vreemd zag men echter te Bagdad op, toen men er na drie maanden vernam, dat de jonge, azuurlokkige weduwe hertrouwen ging en wel met de luitenant van harer eigene lijfwacht. Tussen zo vele staffieren, dienaren en onderhorigen scheen Fatma te ruime keuze te hebben, om zich nog te bemoeien met de zonen en neven der aanzienlijke families van Bagdad. Het huwelijk had met een toverige statie plaats en de nieuwe gemaal van Fatma glorifieerde, als Emin gedaan had, nu hij van zo nederige rang zich plotseling verheven zag tot die van de gemaal zijner toverschone, toverrijke meesteres. Maar de jonge luitenant - Fatma had hem tot generaal verheven harer lijfwacht - stierf plotseling; het heette, aan een val van zijn paard. Het was een onduidelijk bericht; was de jonge luitenant-generaal of was het paard gevallen? Daarbij ... had niemand de jonge luitenant-generaal van Fatma's lijfwacht nòch gezien op een paard, nòch zien vallen ... ja niemand had hem de dag van zijn dood gezien en een hevige emotie verspreidde zich door de Bagdadse families en aan het Hof van de Khâlief, omdat men maar al te goed zich heugde, dat Fatma blauw gelokt was als haar vader eenmaal blauw gebaard geweest. De treurende weduwe Fatma, in hare zwarte rouwsluiers, bezaaid met zwarte diamanten, geleek wel een Koningin der Nacht, vooral omdat hare blauwe haren dóor de rouwsluiers met zo suggestieve nachttint door schemerden, dat zij zonder iets aan zich te grimeren had kunnen optreden in Mozarts Zauberflöte. Zij zong echter niet zo zware en moeilijke coloratuur en vergenoegde zich liever met een derde gemaal te nemen: ditmaal, eenvoudig-weg, een der dragers van hare palankijn. Dat de jonge Ali een pracht van een kerel was, die er nu, als derde gemaal, in zijn damasten samaar uit zag als een jonge sultan, kon niet betwijfeld worden, maar waaraan wèl werd getwijfeld, tussen de aanzienlijke Bagdadse families aan het Hof van de Khâlief, dat was of hij, na drie maanden huwelijkslevens, wel zijn natuurlijke dood was gestorven ... Hoe, zulk een krachtige, mooie, gezonde kerel, als Fatma's palankijndrager-echtgenoot, zoû, natuurlijkweg - het heette na malaria - gestorven zijn en rustiglijk begraven, zonder meer! Hoofden knikkebolden tegen elkaâr, ogen vertrokken van afgrijzen, monden van heimelijke suppozities en de Groot-Vizier met de Opperofficier van Justitie beraadslaagden of zij zich niet bemoeien zouden met de kwestie-Fatma; met dat na drie maanden huwelijks sterven en verdwijnen van de ene gemaal na de andere! Zij beraadslaagden echter zo lang, dat Fatma huwde voor de vierde, vijfde, en zesde male. De vierde maal was het met een Perziesch koopman uit Teheran, wie een lang leven uit de lijnen zijner hand voorspeld was; de vijfde maal met een der roeiers harer lustgondels; de zesde maal met een eenvoudige slaaf, die werkte in Fatma's smaragdenmijn. Telkens, na drie maanden, stierven de rampzalige echtgenoten. En liep de treurende weduwe door Bagdad rond als de Koningin der Nacht ... Toen scheen de maatstaf vol. Groot-Vizier èn Opperofficier van Justitie verschenen voor Fatma's lustverblijf, maar het scheen, dat zij naar een ànder verblijf verhuisd was. Want zij had er meerdere: dat met de onyxen terrassen en dan dat met de parelmoêren balzaal en dan dat met de chryzolieten torens, om niet óok nog te vermelden dat met de agathen badkamer, dat met de kwikzilverfonteinen en dat met de geheime boekerijen, vol occulte wetenschap ... Zodat Groot-Vizier en Opperofficier van Justitie na van het ene lustverblijf naar het andere te zijn gesjouwd, en overal bot te hebben gevangen, eindelijk Fatma thuis vond in haar lustverblijf der wetenschap ... Zij ontving hen een weinig verstoord. Zij was nièt als Koningin der Nacht; de schone azuurlokkige weduwe van zes mannen scheen meer een peri uit het Paradijs, in hare transparante, witte sluiers, maar dan ook een ietwat verstoorde peri ... `Wat wenst gij?' vroeg zij hoog. `Te weten de oorzaak van de dood van uw zesde gemaal?' `Begint gij eerst,' vroeg Fatma; `uw onderzoek bij mijn zèsde gemaal?' `Wij zullen òp klimmen tot uw eerste!' dreigden de grootwaardigheidsbeklederen. `Ik daalde liever neêr naar mijn laatste,' zeide Fatma; `en heb u alleen dit te zeggen: dat ik u niet veel te zeggen heb. Mijn laatste gemaal is gestorven ... aan een anderendaagse koorts ...' De hoge heren wilden nijdig antwoorden, maar op dit ogenblik verscheen, plotseling, de smaragd-mijnwerker, zesde gemaal van Fatma, in levende lijve. Hij zag er gezond stevig en beminnelijk uit en onder zijn arm droeg hij een paar folianten. `Wat is dàt??' riepen de hoge heren. Fatma haalde de tengere schouders op. `Dat is niet anders,' verwaardigde Fatma te verklaren; `dan dat de beste jongen nièt dood is. Hij is alleen maar wat dom, en daarom bracht ik hem, om hem meer kleur in zijn conversatie te geven, in dit lustverblijf der Geheime Boekerijen, opdat hij op zijn gemak wat lezen kan ...' `Maar,' ging de Groot-Vizier plots een licht op; `uw andere vijf mannen dan, o blauwbaardige, ik meen blauwlokkige Fatma??' Fatma haalde wederom die altijd tengere schouders op. `Leven,' bekende zij: `als deze smaragd-mijnwerker-echtgenoot leeft. Ik sequestreerde echter mijn gondelroeier-gemaal in mijn lustverblijf der kwikzilverfonteinen om hem te leren wat vlugger te zijn in zijn bedrijf van gondelier-echtgenoot, want hij talmde mij vaak te lang het huwelijksbootje te roeien op de vijvers der liefde en kwikzilver, in kleine dozis toe gediend, jaagt het bloed door de aderen; mijn Perzisch koopman leeft nog altijd zijn leven, dat lang zal zijn, voort, maar in mijn villa met de agathen badkamer, want hij riekte soms kwalijk naar zijne kamelen; mijne palankijndrager-echtvriend sloot ik op in mijn chryzilieten toren, omdat hij gekheid maakte, de aterling, met mijne dienstvrouwen en ik hem voor mij alléen wild behouden. Dan heb je nog mijn generaal-luitenant; nu heren, daar dans ik iedere nacht mede in mijn parelmoêren balzaal; hij walst heerlijk en het is nu eenmaal niet gevoegelijk, dat zulk intiem genot wordt afgesponnen ten aanschouwe van allen en iedereen; de lieve kerel wacht dus rustig in de parelmoêren balzaal, tot ik die ontsluit ... En eigenlijk ach, weet ge, is mijn eerste jongen me het liefst; u weet wel, mijn hovenier en heus, die leeft óok nog, en niet verder toeft hij van de onyxen terrassen dan ik nodig heb om hem te bereiken ieder ogenblik, dat ik naar hem verlang ... Gij ziet mij heel vreemd aan, hoge heren, maar het is niet anders. Kijk, ik ben Blauwbaards dochter, en ik aard naar hem, in ziel en lok. Hij had behoefte aan vele vrouwen, ik heb behoefte aan vele mannen. Hij doodde echter zijne vrouwen, onder het voorwendsel, dat zij ongehoorzaam hem waren; ik doodde nimmer mijne gemalen: ik sloot ze liever òp, om hen te beschaven en meesteres over hen te zijn. Zo ik hysteriesch ben, ben ik daarbij ook zeer feministiesch; in alle opzichten ben ik vroùw. Wat wenst ge nog meer te weten??' En de fiere Fatma stond hoog opgericht tegen over de beide dignitarissen van de Khâlief. Maar deze riepen op het onverwachtst hunnen trawanten en bevalen: `Sleept deze slecht vrouw mede, voor de divan van de Opperbeheerser!' Ze gebeurde het. Fatma, Blauwbaards dochter, werd door alle straten en over alle pleinen van Bagdad gesleept tot voor de divan des Khâliefen, die haar veroordeelde het azuurlokkigen hoofd op het blok te leggen. `Het is vreemd,' dacht Fatma, terwijl zij in de hander der beulen werd overgeleverd. `Mijn vader vermoordde zijne vrouwen, en men laakte hem zéer daarom: ikzelve had bezwaar tegen zijn handelswijze ... Ik, zijne dochter, vermoordde nooit mijne mannen: ik verzorgde ze liefdevol, kweekte ze op, beschaafde hen en ontwikkelde hunnen kwaliteiten, het is waar op enigszins beslotene wijze, in onyxen hoven, chryzolieten torens, parelmoêren balzalen en wat dies meer zij ... en ook déze opvatting van het huwelijk, hoe overdacht zij ook is, vindt men niet goed ...' `Het is vreemd,' spon Fatma's gedachte voort; `maar ik geloof, ik weet bijna zeker, dat het nièt mogelijk is de publieke opinie in zake van liefde en huwelijk gunstig voor zich te stemmen ... als men een blauwe baard of azuren lokken heeft ...' En even weemoedig om deze onwederlegbare filozofie, boog zij het blauw omgolfde hoofd op het blok ... Poogde nog éven het probleem op te lossen ... Maar slaagde niet, want in een stroom van purper vloten uit haar gekliefde hals hare laaste ideeën weg ... En lag het azuur gelokte hoofd van Blauwbaards dochter in bloed over de vloer van het gerechtshof ... Waarna de zes mannen erfden. Van dagen en seizoenen Louis Couperus Het woud was somber, de lucht was zwart; nacht, zonder troost of sterren, scheen uit de oneindigheid neêrgezonken op al wat van de wereld sterfelijk was - toen wakker de kleine jongen werd. Hij was een kind van enkele jaren, in in het bos was hij verlaten of verdwaald - zelve herinnerde hij het zich niet meer, omdat hij zolang - dagen - geslapen had. Huiverend met zijn grote angstogen, zag hij rond, en nergens tussen de bomen speurde hij de weg: zwart was het waarheen hij blikte. `Waar ben ik?' dacht de jongen. `En wie ben ik, en waar moet ik heen ...' Hij herinnerde zich vaag iets van licht of warmte, als weêrschijn uit een zonnepaleis - maar meer dan een weêrschijn herinnerde hij zich niet, en nu hij geheel wakker was, werd hij zich bewust alleen, verlaten, verdwaald te zijn in een woud van verschrikking en de weêrschijn was weg. Toen begon de kleine jongen in kinderwanhoop te schreien. Voor beesten was hij bang en voor rovers ... En toen hij iets op hem af zag schemeren, dacht hij, dat was de wildeman, en voelde zich al sterven, terwijl zijn hartje hem klopte in de keel en zijn oogjes uitpuilden in afschuw. Maar de schemering was niet de wildeman, de schemering was een witte vrouw ... De kleine jongen, in zijn weêrschijn van heugenis uit zonnepaleis, meende haar zelfs te herkennen: een vrouw, heel wit zoals hij witte vrouwen zich heugde, en in angst en verwachting beide liep de kleine jongen op haar toe. `Witte vrouw ...!' smeekte het kind en vouwde de handjes met een gebaar van gebed, dat hem misschien aangeleerd was, in het zonnepaleis, heel vroeger ... De witte vrouw was lang en slank en hare witte sluiers waren de allerenigste blankheid in het sombere woud, tegen de zwarte bosdiepte. Zij boog zich over het kind, en haar blik trof hem tussen hare sluiers uit, die hare witte handen heel even uitbreidden, als wilde zij beter zien; haar blik trof uit diep donkere ogen, ogen als het woud zo diep donker ... `Witte vrouw ...!' herhaalde smekende het kind. `Wie ben je, mijn kind?' vroeg de witte vrouw, met diep donkere stem. `En van waar kom je, en waar moet je heen?' Hij begon weêr te schreien, de jongen klein, want de stem van de vrouw verschrikte hem en hij wist niet wie hij was, van waar hij kwam, en zelfs niet waar hij moest heen ... Ga dàn met mij!' zei de witte vrouw zacht ernstig en zij strekte-uit hare hand. De kleine jongen stak haar zijn handje toe, en ging nu naast haar, schreiende steeds. `Schrei niet meer,' zei de witte vrouw. `Zie, je gaat aan mijn hand heel veilig, laat mij je leiden: wees niet bang. In dit bos zijn geen beesten of rovers.' Het kind voelde een zacht vertrouwen, vooral nu de kille hand van de witte vrouw warm werd van zijn gloeiende kinderhand, maar toch struikelde hij heel dikwijls en zijn korte beentjes werden moê. `Laat mij je dan dragen, mijn lieveling ...' Zij tilde het moede kind aan hare borst, en droeg hem heel licht tussen hare sluiers wit: met een onhoorbare tred liep zij voort ... In hare armen sliep het kind in, en droomde het van zonneglans en witte vrouwen, en ook van witte kindertjes ... Toen het wakker werd, glimlachte het kind en zag zijn draagster aan in de diep donkere ogen. `Je bent wel een goede witte vrouw, niet waar?' vroeg het kind vol vertrouwen, en sloeg om haar hals zijn armpjes. `Ja,' antwoordde de witte vrouw, `Ik ben een goede witte vrouw, mijn kind.' `Ben je niet moê mij te dragen, goede witte vrouw?' Neen, mijn kind, ik wordt niet moê ... Ik rust nooit, ik ga altijd ...' `Altijd?' `Altijd ...' `Het hele woud door?' `Het hele woud door ... Zie, de morgen bleekt tussen de takken, en tekent de weg al duidelijker.' `Nu kan ik wel weêr lopen, witte vrouw ...' De witte vrouw zette hem neêr, voorzichtig op zijn voetjes, in hulde zich dieper in hare sluiers. Het kind liep naast haar voort, blijde nu alle nachtgeheim was opgelost in de lachende morgen. `O,' riep het kind; `zie wat een mooie bloem ...' `En daar, wat een mooie kapel!' `O!' jubelde het kind. `Ik zoû ze willen hebben: kapel en bloem beide ...' `Dan zal ik je geven kapel en bloem,' zeide de witte vrouw; `maar dan geef je mij ook iets in ruil.' `En wat kan ik je geven, witte vrouw?' In ruil voor kapel en bloem, mijn kind, geef je mij dan dit morgenuur.' `O, prachtig is de bloem, en prachtig is de kapel: o, witte vrouw, ik geef je dit morgenuur er gaarne voor in ruil ...' De witte vrouw glimlachte, en met diep donkere blik zag zij neêr op het begerige kind ... Toen ving zij in haar sluier de vlinder, en boog zich over de afgrond om de blauwe bloem te plukken. En beiden bood zij het kind, dat jubelde van geluk ... `O, witte vrouw, o witte vrouw!' jubelde het blijde kind. `Wat ben ik gelukkig met mijn bloem en mijn vlinder!' Maar in zijn vreugde kneep de jongen de vlinder dood en de bloem verwelkte in zijn handje. `Wat spoedig, o witte vrouw, is mijn bloem verwelkt en mijn vlindertje dood!' `Maar, lief kind, vlinders leven niet lang, vooral niet tussen kinderhandjes, en nog sneller verwelken bloemen ... Maar als je mij geeft deze nieuwe lentedag, tover ik langs heel je weg van daag duizende vlinders en duizende bloemen.' `Duizende vlinders, en duizende bloemen!! O, witte vrouw, voor zó veel bloemen en vlinders geef ik in ruil gaarne mijn lentedag.' Nu was de zon geheel in glans uitgeschoten, en het woud was geen zwarte nacht meer, maar straalde lentegroen, lentegoud ... En langs de stralende weg liep lentedronken het kind, en plukte bloemen en ving kapellen, want het bloeide en fladderde langs heel de weg. Maar 's avonds waren verwelkt de bloemen en alle kapellen waren dood. `toch was het een heerlijke lentedag!' juichte het kind met slaapdronken oogjes al, en moê sloeg het de armen om de witte vrouw heen, en sliep in aan haar hart, tussen haar sluiers. De nacht viel, de witte vrouw liep voort, en hare diepdonkere ogen lachten weêmoedig. `Maar die heerlijke lentedag nu ... is mijn!' murmelde de witte vrouw, met diepdonkere stem. De witte vrouw bracht de kleine jongen in de stad tussen andere mensen en kinderen, en het kind groeide er op, en werd groot en sterk tussen wie hij zijn ouders dacht, zijn broeders en zusters, verwanten en vrienden. Na jaren verscheen hem de witte vrouw weêr, die hij geheel was vergeten, en wier diepdonkere ogen hem verschrikten, ook al was hij een jonge man van achttien jaren nu. `Mijn zoon!' noemde de witte vrouw hem. `Ik ben je niet vergeten.' `Ik was ondankbaar, witte vrouw,' bekende de jonge man. `Witte vrouw, gered heb je me, verdwaald en verlaten kind, uit het sombere woud van nacht ... En gegeven heb je me vlinders en bloemen ...' `Duizende ... voor één lentedag!' Ja ... duizende ... voor één lentedag. Gebracht heb je me in de stad tussen wie mijn ouders geweest zijn ...' `En je hebben gevoed en verzorgd, tot je man bent geworden, mijn zoon, jonge man van achttien jaren. Maar herinner je je niet, de belofte, wat voor die weldaden je me geven zoû ...' `Ja, witte vrouw, zo goed als de lentedag in ruil voor de vlinders en bloemen, herinner ik mij de achttien voorjaarsseizoenen, die je eiste om mij te brengen in de stad tussen wie zouden zijn mijn ouders, en mij zouden opvoeden met broêrs en zusters, en mij zouden leven laten met verwanten en vrienden.' `Als je je nog heugt die belofte, mijn zoon, is de witte vrouw tevreden ... En is zij gelukkig, dat je voor achttien voorjaarsseizoenen, voor wat zó weinig is, en zo ijl, en zo verwelkend, ontvangen hebt: jeugd, en een jongelingstijd van louter geluk.' `Maar nu, witte vrouw, is mijn geluk voorbij en lijd ik bitter droefheid. Want ik bemin een meisje zo mooi en zielegoed, als geen ander meisje ter wereld leeft, en ik zoû haar willen noemen mijn vrouw ... Maar zij heeft mij niet lief, en mij have is weinig, en mijn enige troost is niet anders dan mijn smart, als ik ze uitklaag op mijn viool ...' `Mijn zoon, je weet hoezeer ik je liefheb. Als je mij geeft in ruil voor de bruid, die je wenst, het het goud, dat je aanzienlijk onder de mensen zal maken, niet meer dan twintig bloeiende zomers, dan schenk ik je volgaarne je geluk, een gemalin en geld. Maar weeklaag dan niet in muziek meer, want nog ijler en vergankelijker, dan wat ik je ooit gevraagd heb, lentedagen en zomermaanden, is muziek, die verklinkt in het niets ...' `Toch heeft muziek mij getroost, witte vrouw.' `Leef het geluk, mijn zoon, met wat ik je geef, gemalin en geld ...' `O, witte vrouw, o witte vrouw, zoû ik voor zó veel niet àl mijn bloeiende zomers geven ...' De witte vrouw zag met diep donkere ogen de jonge man aan, en in jaren kwam zij niet terug. Hij huwde zijn zo vurig begeerde vrouw en in de langzaam omwentelende jaren kwam hij tot aanzien, rijkdom en macht, tot de oorlog uitbarstte, en het land in beroering bracht, en de rook der brandende steden verduisterde hemel en horizon. Toen verscheen de witte vrouw voor haar pleegzoon ten derde malen, en zij scheen hem verschrikkelijk te worden, haar gelaat mager en ingezonken, knokig haar arm, en benig haar dreigende hand. `O, witte vrouw, o witte vrouw!' riep hartstochtelijk uit de man, wie zorg het gelaat al rimpelde, wie eerzucht verschroeide de ziel. `Jaren geleden boodt je me geluk voor twintig zomers aan. Maar geluk heb ik nooit gevonden ... Als de bloem en de vlinder stierf, stierf en welkte mijn liefde, en mijn goud werd nooit mijn geluk. Nu wens ik alleen nog heel machtig te zijn, want oppermacht moet wel geluk zijn, en een kroon wens ik mij om mijn slapen te drukken.' `Pleegzoon,' zeide de witte vrouw; `mijn dierbaar kind, dat ik nooit vergat: zo je mij geeft in ruil voor de kroon van dit land vijftig purpere herstseizoenen, zal ik veroorzaken een gelukkig kans in de krijg, die je vorst maakt over deze steden.' De eerzuchtige man nam de ruil haastig aan, en een verschrikkelijke slag woedde gedurende zeven dagen. De slagvelden lagen met lijken bezaaid: de dood scheen almachtig te heersen. De pleegzoon der witte vrouw had een zwaard in de hand genomen, hij streed in de voorste rijen, en een geheimzinnige macht scheen hem in het heetst van de kamp te beschermen en onkwetsbaar te maken ... Hij, aan het hoofd van de troepen des lands, behaalde de overwinning, en men drukte hem de kroon op het hoofd ... En hij werd oud onder het gewicht van die kroon, tot weêr oorlog woedde, opstand uitbrak, en hij verlaten van alle de zijnen, ellendig en half naakt, vluchtte, en neêrviel in het zelfde sombere woud, waar hij als verlaten jongske gevonden was door de witte vrouw. Oud en ellendig lag hij ter neêr in de schemering van de zinkende avond, toen zij voor hem verscheen als een verschrikking: grauwe haren warrelden woest om haar gezicht, dat grijnsde als een doodskop en waarin holle ogen zich groefden. `O witte vrouw, o witte vrouw!' riep de ongelukkige koning uit: `met een kroon dacht je me geluk te geven, en wendde de oorlogskans te mijner gunst, in ruil voor vijftig purperen herfstseizoenen, maar niets dan zorg heeft mijn kroon mij gebaard; geluk heb ik nooit gekend dan misschien die allereerste lentedag toen je vlinders en bloemen voor mij toverde! En tòch was je mijn leven! Waarom ben je zo wreed geweest! O witte vrouw, o witte vrouw ... nu ik hier lig, ellendig, verlaten, nu smeek ik je alleen, jij, die zo machtig bent, geef aan mijn arme kinderen, geef aan mijn rampzalige onderdanen ... het leven en een glimp van geluk ... wat het dan ook zij ... bloem, vlinder, bruid, goud, of kroon ...' `O mijn zoon, o mijn zoon,' raasde de witte vrouw. `Ondankbaar ben je altijd geweest. Geteld heb je noch bloem, noch vlinder, noch bruid, noch goud, noch kroon. Maar als je mij geeft dit laatste ijzige winteruur ... welaan dan gun ik je kinderen en onderdanen het leven, en hun glimp van geluk.' Nu hielp zij hem opstaan, en leidde hem voort, want snikkende had hij haar zijn laatste winteruur gegeven. En zij leidde hem tot een monument, waarvan zij opende de bronzen deur. `Ga in,' wees zij dreigend; `opdat ik thans alles ontvange: alle de lentedagen, zomer- en herfstseizoenen, en ook het laatste winteruur: al wat je mij beloofd hebt in ruil voor mijne talloze weldaden.' De oude koning strompelde en wankelde. `Dit is een graf ...' zeide hij, opziende naar het monument. `Dit is een koningsgraf,' antwoordde zij. `Morgen griffelen je lofzangers, o zoon, er woorden van glorie, die je verheerlijken in de vergankelijkheid. Ga in ... opdat ik daarginds ontvange wat je mij schuldig bent.' Zij hield open de bronzen deuren. `Was je dan niet mijn leven?' vroeg de vorst op de drempel van het sepulker. `O, zeg mij ... ben je het leven niet?' `Neen,' zeide somber de witte vrouw. `Ik was nooit je leven. Ik ben niet het leven. Ik ben de Dood.' En zij wees hem naar binnen te gaan. Hij gehoorzaamde; langzaam draaide zij de bronzen deur toe, die knarste in zware hengsels. `En mijn leven?' smeekte zijn stem nog, terwijl angstig de oude koning gluurde door de nog opene reet der zich langzaam sluitende grafdeur. `Komt ...!' zei zachter de witte vrouw. `Als je mij eerst je schuld hebt betaald, van dagen en seizoenen ...' Toen sloot zij de deur, voor duizende van jaren. Van het altijd verliefde godinnetje Louis Couperus Onder de goden in de godinnen was er de kleine Eos er éene, waarom de Olympische broeders en zusters wel eens moestenlachen. Eos was een bekoorlijk godinnetje: zij was net een klein kapelletje, het roosvingerige Dageraadje; zij was teêr en fijn en delikaat, dat uit het Oosten òp zwevende vrouwtje, zoo heel blond in haar krokoskleurigen sluier, die als een gouden neveltje om haar heen wapperde op den eersten morgenbries: zij had onschuldig blauwe oogen en een klein rozemondje en was werkelijk dus heel bekoorlijk en niemand kon haar ontzeggen, dat zij haar plicht deed: zij was altijd op het vast gesteld uur, dat met de seizoenen verschilde, daar, om de hemelpoorten te openen en haar broeder Helios, met den zonnewagen en de prachtige zonnepaarden, uit te laten, opdat hij zijn dagelijksche reize langs den hemeldom kon volbrengen. Had het godinnetje Eos echter dien morgenplicht, die nauwelijks haar enkele minuten in beslag nam, volbracht, dan had zij, meer dan drie-en-twintig uren lang, niets meer te doen en kon het er van nemen. Zij behoefde zelfs zich niet te vertoonen in den Olympos: om de poëzie harer korte verschijning als `Dageraad' niet te kort te doen, was het haar werkelijk vergund te doen wat zij wilde, te gaan waar zij verkoos en ... zij maakte hier ruim gebruik van. Nu had Eos wel, vlak bij de hemelpoorten, die zij 's morgens ontsloot, haar huis en haar tuin. In haar tuin kweekte zij de saffraankleurige rozen, wier bloemen zij 's morgens gewoon was voor Helios uit te strooien, maar niet langer dan die twee, drie minuten. In haar huis had zij echter niets meer te doen, sedert haar barre baardige gemaal Astraïos, de Titan, door Zeus in den Tartaros was neêr gebliksemd na der Titanen oproer tegen den hemel. En hare kinderen, hare zes zonen - want kleine Eos was een vruchtbare gade gebleken - de vier winden, Boreas en Argestes, Notos, en Zefyros, en Heosforos en Hesperos, Morgen- en Avondster, waren reeds lang volgroeid en in betrekking, zoo dat, als Eos hare roosjes met dauw had besprenkeld, zij werkelijk met haar tijd geen raad wist. Daar bij kwam, dat het kleine godinnetje, trots haar huwelijk met den barren, baardigen Titan, trots haar moederschap van zes zonen, er was blijven uit zien als een jong, morgenroodwangig meisje. Zij had een figuurtje behouden als van een kindje bijna en met haar jonge, blonde kopje, zag zij er in den krokoskleurigen sluier uit om te stelen, zoo lief, en zag niemand het haar aan, dat zij reeds een matrone was, een verweduwde gade, de moeder van zes groote jongens. En was, als haar gezichtje en haar figuurtje, haar hart jong, altijd jong gebleven. Was het dus nu erg verwonderlijk, dat Eos, na dat zij haar korte morgentaak had af gedaan, eens uit zag over wereld en zee en hemel en dacht hoe zich te vermaken, de lange drie-en-twintig uren door, die haar voor den boeg stonden? En dat zij niet in haar roodzuilige huis bleef, bij de saffraankleurige roosjes, maar zoo een beetje begon rond te zweven, daar achter de wolkjes door, kijken hier en loerende daar ... Kijkende naar wat en loerende naar wie? Wel, eenvoudig, naar de mooie jongens. Want ons godinnetje, gezegd moet het worden, was eigenlijk wel een beetje mannegek en haar Titan van een man, had zij, trots de zes zonen, eigenlijk nooit mogen lijden en leelijk gevonden. Nu zij hare vrijheid had en zóo veel leêgen tijd, dacht de kleine ondeugd zich schaadloos te stellen. Hoor, zij was nu eenmaal geboren zoo als zij geboren was; zij was geboren met een zwakje voor mooie jongens en niets en niemand verhinderde haar, nù vooral, hare pleiziertjes te nemen waar zij ze vond. zij wist wel, dat de Olympische broeders en zusters vaak om haar lachten, maar eigenlijk deed zij zij toch niets anders dan die allen deden; zelfs Artemis was dwaas met haar Endymion, dien zij altijd in slaap getoverd hield om hem op haar gemak te zoenen. Nu ja, Athena, die zoende nooit, maar diè was ook zoo onuitstaanbaar verstandig, maar àlle de anderen, vader Zeus aan het hoofd, namen het hunne er van. Kleine Eos was dus niet van plan zich te storen aan de spottende broeders en zusters en achter de wolkjes òm zwevende, spiedde zij uit naar de mooie jongens. En zoo spiedende had ons godinnetje op eenmaal Tithonos in de gaten gekregen, den koningszoon van Troje, een zeldzaam mooie jongen, en zij had hem, zonder veel omslag te maken, geschaakt en hem binnen gevoerd in haar roodzuilige huisje met haar rozentuintje, en beleefde er kostelijke ogenblikken. Ja, zelfs had zij vader Zeus durven vragen om de onsterfelijkheid voor Tithonos. Maar een menschenleven is van korten duur bij een godenbestaan vergeleken en vóor Eos het zich bewust was, was hare mooie Tithonos, wien zij wel de onsterfelijkheid maar niet de eeuwige jeugd had gevraagd ... een oud, oud man geworden. Eos deed eerst wàt zij kon om zichzelve te bedriegen: zij zalfde haar minnaar met ambrozischen balsem, zij hulde hem in krokosgeel gewaad en vlocht hem hare morgenrozen de grauwende lokken door, maar toen ... toen werd zij boos en schreide tevens, een kind gelijk, en zei Tithonos, dat hij wel gaan kon, want dat hij voor niets meer deugde en zoo lelijk was geworden als een herfstdag zonder zon. Tithonos dus, oud en gebogen, in het krokosgele gewaad, met de roosjes in het haar, strompelde weg en verdween, niemand weet, waar heen ... Wat kan het òns ook schelen? Evenmin als het Eos schelen kon. Het godinnetje spiedde uit naar ànder avontuur en dat met Tithonos had haar geleerd niet zoo heel lang meer trouw te zijn. De mooie jongens dus volgden elkaár dagesnel op in het roodzuilige huisje met het rozentuintje: het waren tritonen der zee en faunen des wouds; het was nu een jager en dan een visscher; het was een landbouwer als het niet een krijgsman was, en eigenlijk was het wel een beetje èrg, al wat daar gebeurde in het kleine huisje vlak bij de hemelpoort, maar niemand kon Eos toch maar verwijten, dat zij haar plicht verzuimde: klokke zoveel, volgens seizoen, opende zij de gouden poorten, zeefde lieflijk uit in rozigen glans, zonder zweem van matheid om de blauwe oogjes, zonder zweem van bleekheid over de morgenrode konen en hare rozen wierp zij en zij kondigde Helios de wereld aan, altijd even lieflijk en berekend voor haar taak. Wie een kleine taak immer plichtmatig betracht, heeft die niet recht op der wereld dankbaarheid en zouden goden of menschen die ook maar verwijten mogen, dat zij den verderen tijd genoegelijk door brengt? Zonder wie ook schade of leed te doen; integendeel, niet waar? Nu ja, toen Eos eenmaal een getrouwden man, den mooien Kefalos, aan zijne vrouw, Prokris, ontschaakt had en hem verborg in het u wel bekende huisje ... nu ja, toèn was het misschien wel recht, dat er iets van een storm van verontwaardiging op ging onder godinnen en goden en Eos door vader Zeus gedwongen werd Kefalos aan zijn gade terug te geven ... hoewel Eos óok weder gelijk had hare ronde schoudertjes op te halen over zoo uitbundige zedelijkheid, plotseling ontschoten in de kring harer wijd vertakte familie, wier Olympische leden, ieder voor zich, zeker niet minder hadden gezondigd dan zij. Nu goed, ons godinnetje beloofde zich voortaan niêt meer naar getrouwde jongens uit te kijken, hoe mooi, hoe verleidelijk zij ze ook vinden zoû. Eens, dat klein Eos-je uit keek, van achter de nog even rozige wolkjes, verbleekte zij bijna van aandoening. Want daar zag zij door de, nog blozende, morgenzee wandelen een reuzige man, en zóo mooi, als zij nog nooit een jongen gezien had. Hij zag er uit als een jager, want hij had boog over den schouder en pijlkoker ter zij en hij liep door de zee van het eene strand naar het andere, als of hij maar door een plas heen ging. Eos was zéer onder den indruk van zijn slankheid en kracht en van zijn fiere schoonheid, wat ernstig, met even iets sombers in zijn gebronsd, kastanjebruin omkroesd gelaat. Eos was juist in de stemming om een éven somberen en ernstigen jongen te schaken. En Eos, even òm kijkende of niemand van goden en menschen haar zag, dook te voorschijn achter de wolkjes en naderde de reuzigen jager. Zij wilde hem juist in hare armen omvatten en wist hem dàn te zullen kunnen wegvoeren door haar eigen lichte zweefkracht, toen hij verschrikt omkeek en met wijde passen door de zee het op een loopen zette. Eos zweefde hem achterna, de beide armen verlangend uitgestrekt, maar de mooie jager Orion, met wijde beenen, doorwaadde de zee en bereikte het strand van het eiland Chios. Daar, plotseling, vertoornd, wendde Orion zich om, kruiste de armen over zijn breede borst en het sombere hoofd in de nek, vroeg hij de, op hem toe snellende godin: - Wat moet ge, o maagd, van den jager Orion, die alleen weet van de jacht en niet van de liefde? Het godinnetje was eenvoudig verrukt. Zoo wel omdat Orion haar, onschuldig-weg, geen matrone zag, maar een meisje dacht, niet wetender was, dan hij hàar dacht. Zoo dat Eos hem hare liefde bekende, en zeide, dat hij dadelijk meê moest, naar het huisje, gij weet wel lezer, dat met het rozentuintje en de zuilen rood. Orion, mooi maar dom, begon echter pochend te zeggen: - Wat zoû ik u volgen naar uw huis bij de hemelpoort? Ben ik niet de gróote jager Orion en heb ik mijzelven niet beloofd àl het wild der Aarde te schieten, voor ik mij kieze een vrouw? Eos wilde juist Orion overtuigen, dat hij bèst later zijn vrouw kon kiezen en zij alleen verlangde een herdersuurtje, het is waar, van drie-en-twintig uur lang ... toen er iets doorslaands gebeurde. De godin Gaïa, de Aarde, had Orions pochende woorden gehoord en werd boos. Zij schiep een monstergrootte schorpioen uit Chios' grond en hitste het vreeselijke dier tegen Orion op en het sloeg den jager met de scharen om den enkel. Orion gaf een vreeselijken kreet en zijn hevige pijn liet hij den boog vallen en ontgleed hem den koker langs zijn wringende schouder. Van dit oogenblik maakte Eos gebruik. Zij sloeg om Orions forsch middel hare ronde meisjesarmen, hief hem òp en zweefde dageraadsnel met hem door de lucht, naar het u wel bekende huisje ... Achter de wolken van Olympos zagen de goden schaterend toe, toen zij bespeurden het kleine godinnetje, dat weg schaakte den grooten jager, wien de schorpioen nu van den enkel viel in de zee ... Maar ook wolken veronzichbaarden Eos' huisje en wel drie-en-twintig uren lang. Het vier-en-twintigste - Eos was plichtsgetrouw, hoe gaarne zij het dit maal niet was geweest, de kleine veel-eischende - plukte de roosvingerige Dageraad hare roosjes in heur tuintje, opende de poorten en zweefde, Helios aankondigend, den hemel door ... Het was voor Orion, letterlijk, een onbewaakt ogenblik. De mooie jager, op den drempel van het roodzuilige huisje, mat den afstand tusschen hem en de zee ... Meende het te kunnen wagen ... En deed den sprong ... Eos zag het, zwevende Helios voor ... Zij gaf een kreet van spijt, en zonder de zonsopgangplechtigheid te voltooien, ja zelfs zonder de hemelpoorten te sluiten, stortte zij naar den drempel en viel er snikkende op neêr, zonder Orion te durven achtervolgen, ... verlegen als zij werd, achter de wolkjes hare zusters en broeders lachten te zien en spotten in den klaren dag. Neen, zij achtervolgde Orion niet. Zij zag hem, met wijde passen, rustig, als of nièts hem geschied was drie-en-twintig uren lang, zich weg banen door de zee naar het eiland Chios, om zijne, hem ontvallene wapenen te halen ... Eos, het altijd verliefde godinnetje, was sedert nooit meer verliefd, want Orion, de mooie, domme, koude jager, bleef hare ongelukkige liefde, naar wien zij de eeuwen door smachten bleef ... En sedert zijn de morgens meestal grauw en bleek en zijn de saffraankleurige roosjes verwelkt ... Eos dot nog steeds haar plicht ... maar zonder enthoeziasme. Wonderlijke historiën Het kasteel dat er niet was Louis Couperus De Toerist, die late namiddag, was verdwaald. Uit een donker bergbos, waar de hoge sparrebomen zich tot een sombere kathedraal schenen te bouwen, terwijl de rode, ondergaande zon door het zwarte gewemel der lagere twijgen scheen als met altaarkaarsgeschemer in een ver verwijderde kapel, was de Toerist gekomen aan de rand van de vallei, waar de bergstroom zich naar beneden stortte, over grote rotsblokken heen schuimende. En de Toerist, omdat hij sedert uren verdwaald was, was zeer vermoeid, hoewel hij een jonge, krachtige man was. De Toerist, naar beneden ziende in de vallei, die zich vaag uitwistte in alles verdoezelende mist en nevel, zag het kasteel rijzen bij de waterval van de bergstroom en omdat hij zich bewust werd niet te weten waar hij was, daalde hij in de vallei af, vast besloten gastvrijheid te vragen waar hij ginds zag, dat mensen woonden. Langs de tuimelende, schuimende bergstroom was een geitepad en de moede man liet zich als naar beneden lokken door de dalende diepte. En hoewel het kasteel, hjoe meer hij naderde, hem een indruk maakte van angstige somberheid, van grauw overmiste onwezenlijkheid, liep hij, bijna wankel van moêheid, af op de grote poort en hief de bronzen klopper op, liet die vallen ... De klopper viel neêr met een sombere, holle echo, die scheen te zinken in een diep leêgte van het verleden. Aan een enkel raam lichtte een lamp en tegen de lampeschijn in dat raam verscheen een menselijke schaduwvorm, die uitzag ... De Toerist wachtte. Zijn hoofd voelde donzig van moêheid; zijne gedachte dreef in het grote ijle. Maar de poort werd langzaam, geluidloos geopend en een grauwe, grijze man vroeg met holle stem ... De Toerist smeekte gastvrijheid af ... De grauwe, grijze man weigerde niet, maar zijn stem klonk de Toerist vreemd in de oren. Hij volgde hem in de gang en de poort sloeg dicht met een lange, lange echo ... De grijze man, een vale lantaarn in de hand, voerde de Toerist gangen door, trappen op, naar een grote slaapzaal, waar in het flauwe schijnsel van de lantaren schemerde een groot, donker omhangen ledekant. En hij zeide hem, dat hij daar slapen kon. De Toerist voelde een leêgte van honger in zich, maar dorst niet te vragen om spijs en drank. Door de ramen, waarvoor de grijze man - was hij een oude knecht? - de gordijnen niet toe had getrokken, scheen de nacht, hoewel maanloos, naar binnen. En de grauw nacht was het enige schijnsel. De grote slaapzaal had geen andere kleur dan die van donker spinnerag, het ene geweven voor en over het andere. De oude meubels waren zo vaag van lijnen als in de droom van een droom. Maar de Toerist, dood-moede, kleedde zich uit en het bedgordijn wegslaande, viel hij neêr in het ledekant. Hij viel er zo diep neêr in het donzen dek, dat het hem scheen of hij in het verleden weg zonk. Hij sliep dadelijk in, als omwikkeld in een grauwe, fluwelene ijlte, die suisde in zijne oren, met het geruis van de waterval. Tot hij plots, door een schrik, wakker werd. En zich duidelijk bewust werd, dat er er iemand, heel kil naast hem lag, in het zelfde ledekant. Hij voelde bevende uit en zijn hand voelde slechts een vochtige kilte, een klamme weeheid maar geen wezen. En toch làg daar een wezen, steenkoud als een lijk, en dat straalde die kille klamte uit ... De Toerist had willen roepen, schreeuwen, maar zijn stem was verstikt. Hij had willen opstaan, vluchten, maar zijn leden waren verlamd. En toen hij dus zeker was niet wèg te kunnen uit het diepe grauw ledekant, niet wèg van het kilklamme wezen, dat daar naast hem lag, sloeg het koortszweet hem uit en bezwijmde hij. En gedurende heel zijne bezwijming bleef hij zich bewust, dat een wezen naast hem lag. Toen hij ontwaakte, scheen de zon. De Toerist lag tussen de ruïne van een kasteel, in een plas van modder en zijne kleren lagen naast hem. En voor hem, terwijl de jonge zonneschijn langs de rotsen neêr schuinde in de ruïne, stond een oude geitenhoeder; zijne geiten, klokjes klinkelend, stegen het pad langs de bergstroom op. `Wat doet gij hier?' vroeg de geitenhoeder. `Waar is het Kasteel?' vroeg de Toerist, ontzet. `Het Kasteel?' zei de geitenhoeder verbaasd. `Dat bestaat sedert twee eeuwen niet meer. Alleen deze ruïne is er van over, en die ken ik, sedert ik een jongske was. Waarom hebt ge u hier ontkleed, heer, en zijt ge gaan slapen in de kille modder!? En op zo euvele plaats! Terwijl ge honderd passen verder het dorpje zoudt gevonden hebben waar een goed herbergje is voor de voorbijtrekkende zomermensen ... Kom, sta op, kleedt u aan; ziek zult ge worden, hier te blijven liggen in deze modder.' De geitenhoeder hielp de Toerist op staan. Doodsbleek rilde de half naakte man. Rondom hem rezen de ruïnemuren en -poort van een slot. De waterval, bruisend, schuimelde. En de jonge zonneschijn schuinde de rotsen af en de heldere zomerhemel blauwde boven de bergen. I Somtijds, des avonds, loopt hij in eens naast mij, het kleine duiveltje, dat is Bel genaamd en dat met zijn broêrtjes, Zeb en Bub, des avonds allerlei kattekwaad uitvoert, meestal tussen de benen der voetgangers en de wielen der automobielen ... Dikwijls geleidt hij mij echter, niet al te onvertrouwbaar, naar wat er op dat ogenblik in de Stad bezienswaardig is in paleizen en krotten, in verlichte straten en sloppen ... Met de Stad bedoel ik niet Den Haag: de Stad kan zijn Parijs, London of Berlijn, zo niet Wenen of Petrograd. Op een avond, dat ik liep in de Stad, doemde Bel plotseling naast mij op en fluisterde hij, ondeugend: `Nu zijn ze er allemaal ... Wil je ze zien?' Ik keek neêr naar zijn mager baziliske-figuurtje in lakrode hozen: er groeiden horentjes op zijn kruin en er kwispelde een staartje achter uit zijn broekje; hij zag er als een echt duiveltje uit, de kleine Bel; zijn oogjes gloeiden en hij trippelde op de hoefjes van een jonge bok. `Wie?' vroeg ik. `De vijf Hoofdzonden ... Ze zijn van avond allemaal in de Stad.' `Je vergist je,' zeide ik. `Er zijn Zeven Hoofdzonden en als er dus geen zeven zijn ...' `Laat mij je zeggen,' wierp Bel tegen, een beetje hoog, `dat je er niets van weet. Zeven Hoofdzonden waren er in de tijden van Olim; toen moest je trots zijn, lui en gulzig, wellustig, gierig, nijdig en kwaad om in de macht te komen van Onze Boze Heer, onze Heer, die zichzelve nu de Eerste Hoofdzonde gemaakt heeft ...' Ik begreep niet goed wat hij daarmeê wilde zeggen. Maar een beetje boos, dat hij mij tegen sprak, zeide ik: `Dan weet je het natuurlijk weêr beter dan ik; nu, toon me dan je Vijftal ...' Bel bracht mij niet naar de sloppen en krotten, maar naar de lichte straten en prachtigste paleizen en in het allerprachtigste - waarvoor in bronzen vaten immense pikvlammen waren ontstoken - voerde hij mij dood-eenvoudig binnen, zonder zich te storen aan rode hellebaardiers, goudgele lakeien, kamerheren met satergezichten ... `Woont hier een Keizer?' vroeg ik. `Dat zoû wel kunnen,' grinnikte Bel. En Bel opende rustig een dubbele deur van vlamachtig gebeeldhouwde Gothiek. `Kijk!' zeide Bel en wees. `Daar heb je de Tweelingen, die zijn de jongste en daar begint het meê!' Ik zag twee woest uitziende, grote, grimmige, dikke knapen, die vochten met elkaâr; zij trokken elkaâr een met druipende jam besmeerde boterham uit de knuisten. `Wie zijn die lievelingen?' vroeg ik. `Dat zijn Gog en Magog,' zeide Bel. `Reuzekinderen, Satanskinderen, maar ze worden nooit volwassen en nooit wijs. Het zijn lieverdjes, hè? Het zijn de Eigenzuchtjes: de een misgunt altijd de ander zijn boterham of wat dan ook, maar samen zijn zij `DE EIGENZUCHT ...' `Dan toch geparenteerd aan de vroegere Nijd?' `Die was hun moeder, geloof ik,' zeide Bel. `Nu zijn ze samen één Hoofdzonde.' `Een van de Zeven ...?' `Een van de Vijf.' `O ja, juist, één van de Vijf. Waar zijn de andere vier?' `Geduld een beetje! Kijk toch nog eens naar die dikke jongens ... Kijk! Daar rollen ze over de grond!' Waarachtig, Gog en Magog lagen over de grond. Zij grabbelden nu al vechtende in elkanders zakken: ze vochten om elkanders knikkers en de fel kleurige knikkers rolden her en der ... `Zijn ze altijd zo aan het vechten?' vroeg ik. `Als ze het niet doen, draaien ze elkander kwaad-nijdig de rug toe,' zei Bel. `Voelen ze nooit eens broederlijk voor elkaâr?' `Wel neen,' zeide Bel en grinnikte. `De een is immers de evenmens van de ander. Zijn evenkind, zijn evenknaap, zijn evenbroêr. En samen en mèt elkaâr zijn ze de Zonde, meneer, die het zalige Begin is ...' `Waarvan?' vroeg ik verbijsterd. `Ga maar meê! lachte Bel en tolde vrolijk om zichzelve rond. Ik keek met een laatste blik rond. Het was een ruime zaal, die niets van een kinderkamer had. De stijl der prachtige architectuur was een `flamboyante', maar dan ook van werkelijk versteende, rossige vlammen. En tussen die vervlamde en versteende Gothiek vochten de beide knapen, die, ik zag het nu! ofschoon zij knapen waren, groter waren dan grote sterke mannen! Hun boterham scheen mij nu zo groot als een tafel, hunne knikkers schenen mij biljartballen, struisvogeleieren ... En zij vochten, de vreeslijke Satanskinderen en krabden elkander aan de ogen ... `Hè?' zeide Bel; `nu je die twee schatten aanschouwd heb, zal ik je de op hen volgende moderne Hoofdzonde tonen: dat is wat een mooie vrouw ...' `O!' riep ik uit. `Ik begrijp het in eens! Hun boterham kan ook wel een provincie zijn, niet waar?' `Je begint het te snappen,' zei Bel en grinnikte. `En hun knikkers Koninklijke Rijksappelen?' `En hun griffels scepters en hun petten kronen ...' `Ik ben er!' riep ik uit. Bel grinnikte `Het heeft lang geduurd, meneertje,' lachte hij mij uit. Hij voerde mij verder door het paleis en plotseling weken purperen gordijnen en ik zag een feestzaal voor mij, gevuld met zware wolken van geur, die opwalmden uit talloze schalen van goud! `Kijk!' wees arglistig het verleidende duiveltje. `Dat is Imperia: vind je haar niet pràchtig ...?' Ik staarde als betoverd voor mij uit ... II Nooit had ik zo schitterende verleiding gezien. Vóór mij, op een hoge troon van kussens, onder een neêr gordijnend balkakijn, lag Imperia en glimlachte als een vorstelijke courizane. Zij was zo schoon als geen vrouw zich denken laat; zij scheen meer een godin dan een courtizane en een vrouw; als donkere druiventrossen vielen hare zwarte lokken langs haar rooomblank gelaat tot over hare schoot en zij was gekleed enkel in hare juwelen, die flonkerden met oneigenlijke glans. Haar ene voet rustte op een gevleugelde draak, die lag opo de hoogste treê van haar troonbed. En op de andere treden knielden en baden haar aan verschillende antieke vorstinnen en hetairen: ik herkende Cleopatra en Dido, Saffo en Semiramis, Aspazia en Fryne en zij hielden voor Imperia op, in schalen en korven, bloemen en ooft en brandende geurwerken. `Imperia ziet er veel mooier uit dan Gog en Magog deden,' zeide ik tot het kleine duiveltje, dat mij in dit Satanspaleis had binnen geleid. `Maar wie is Imperia nu ...?' `De zuster van Gog en Magog,' zeide Bel; `de Vijf Hoofdzonden zijn allemaal broêrs en zusters van elkaâr. En verder is ze ...' `DE ZINNEZUCHT!' riep Imperia zelve mij lokkende toe van haar troon; zij lag te stralen in de weêrglans van haar goudbrokaat van haar balkakijn en in het gestarrel harer juwelen. `Schitterend schoon bij je, o Zinnezucht, o Imperia!' prees ik de prachtige vrouw; `maar ben je nu eigenlijk iets anders dan de vroegere Wellust was?' Imperia lachte schamper en minachtend. Wie rept hièr nog,' riep zij, `van de vroegere Zeven, die wij verjoegen! Van die bleke Zonden, armbloedige larven, die wij, de moderne Vijf, hebben verjaagd en voor altijd! Zie mij aan, o aarzelende sterveling: ik ben de Wellust maar voor àlle zinnen! De Wellust voor je ziel en je zinnen, die ik demoniesch wens zo wel zinnen als ziel. Want ik ben je Zinnezucht voor Gevoel en Gezicht, voor Gehoor en voor Reuk en Smaak en tevens ben ik de Zinnezucht voor de andere en meerdere en modernere Zinnen en zal ik zijn ook de Zinnezucht voor je ziel. Aanbid mij, zo als je reeds heimelijk in je hart, zonder te knielen, mijn twee broeders aanbadt als je eigenste Eigen Zucht!' En er danste plotseling een heel ballet om mij rond; het waren danseressen, die mij boden gouden appelen en die met zoet klinkende harpen mij omringden en met allerlei verlokkingen, mooier dan het ooit gebeurde in de Franse Opera, in de `Nuit de Valpurgis', vijfde akte, Faust. Ik was werkelijk een beetje geïmpressioneerd en wilde een der appelen grijpen voor ik neêr zoû zijgen in de treden van Imperia's troon, waar de antieke dames reeds plaats voor mij maakten; de draak deed vermoedelijk geen kwaad en was meer een decoratieve draak. `Ja maar,' zie Bel; `zo gemakkelijk gaat dat hier niet, gouden appels te eten en Imperia te aanbidden! Dat kost je gèld, meneertje, in de moderne tijd onzer moderne Hoofdzonden!' `En hoe kom ik aan geld?' vroeg ik, terwijl de danseuse met haar korf vol gouden appels om mij heen pirouetteerden en Imperia, op de troon, maar glimlachte en de armen uitstrekte, waaraan snoeren van parelen hingen, `als eieren zo groot'. `Dat zal ik je zeggen!' fluisterde Bel mij in. `Je gaat eenvoudig door dat zijdeurtje, eerst naar de Bank van Satan, die is heel gerieflijk, in dit zelfde paleis, geïnstalleerd en daar vindt je wat je nodig hebt ... Kom maar meê ...' Maar een invallende gedachte deed mij mijn duivelse page nog tegen houden op de drempels van Imperia's sensuele pavillioen. `Eén ogenblik!' zeide ik. `Waarom zijn er van de Zeven Hoofdzonden maar Vijf geworden? Waarom is de Zonde zo ingekrimpt? Uit de Nijd werden die lieve jongens, die Eigenzuchtjes geboren. De antieke Wellust bidt nu Imperia aan en is misschien wel ... de moeder van die Keizerin der moderne tijden?' `Dat heb je mooi geraden en als je niet zo ouderwets je "documenteren" wilde vóór dat je ziet en geniet en zwelgt en aanbidt,' zei Bel en trok mij meê; `zoû je nu reeds weten wat er van die ellendige en vuile Gierigheid is geworden door metamorfoze en metempsychoze ...' `Wat dan?' riep ik uit. `Wie dan?' `Ziehier!' riep Bel en wierp wijd een dubbele bronzen deur open, waarop in stralende letters van goud fulmineerde: !!!Internationale Bank van Satan!!! Hij duwde mij binnen, de brutale jongen. En ik zag een jonge, blonde, charmante bankier, die ... III De Internationale Bank van Satan zag er geheel anders uit dan welke bank ook. Er waren geen loketten, schrijvende heren of tikkende dames. In een immense zaal, die geleek een zuilenrijke feesthal - werkelijk, de zalen der Zonden werden al groter en groter en van kinderkamer over sensueel pavillioen was deze Bank reeds een soort Balzaal geworden! - stond Satans bankier - de jonge, blonde, charmante man. Hij stond lachende op een soort van ronde troonverheveneheid in het midden en de treden van zijn estrade rustten op een rij van gouden kalveren; trouwens de gehele zaal blonk van goud, de wanden schenen van goud en dat weêrspiegelde als met spiegels. En de jonge bankier - hij was niet anders gekleed dan iedere andere jonge bankier zich heden ten dage zoû kleden - stond maar te lachen en hield de armen wijd uitgestrekt en maakte een trillende beweging met de vingertoppen. Toen zag ik, dat er allemaal andere zijdeurtjes toegang gaven tot Satans Internationale Bank; waarachtig het scheen of je alleen maar door zijdeurtjes bij Satans Bankier terecht kon komen en door àl die zijdeurtjes, die openden te gelijker tijd, dat mijn zijdeurtje opende, stroomden nu, mèt ons, honderden schepselen binnen: het waren Europeanen, Aziaten, Amerikanen, enfin, het waren schepselen uit allerlei werelddelen en ze drongen om de ronde estrade ... `Hoe heet hij daar toch?' vroeg ik aan Bel. `Hij heet Mammon, meneertje,' zeide Bel, `en hij is dus ...' `DE GOUDZUCHT' klaterde de charmante Mammon mij, die hij reeds in de gaten had, toe en hij vervolgde: `Ik ben de Goudzucht! Wie mij aanbidt, bestrooi ik met goud, bezaai ik met goud, overstelp ik met goud! Kniel neêr! Knielt allen neêr! En aanbidt mij!' Hij zag er zo jong, zo glanzend, zo stralen uit en werkelijk, er scheen een grote suggestie van hem uit te gaan, want de schepselen, Gods schepselen of Satans schepselen, ze verdrongen zich op de treden van Mammons troon om tussen de gouden kalveren neêr te knielen. En zij hielden aanbiddend hun palmen op en toen ... Toen regenden uit Mammons onophoudelijk trillend bewegende vingertoppen, zijn armen steeds wijd gestrekt, twee stromen van gouden tientjes. Dat regende maar, regende door en de aanbiddende schepselen vingen de gouden tientjes op, vulden er hunne zakken meê, hielden weêr de lege palmen omhoog. En stamelden aanbidding ... En de tientjes regenden steeds neêr met een allerliefst helder, melodieus klinkelend geklink-klank. Het was een erg fijn geluid, bepaald een hemelsche muziek en tòch ...! En Mammon lachte maar, zo charmant, dat iedereen woû knielen op zijn beurt en de schepselen duwden elkaâr van de treden en werden nijdig en grabbelden elkaâr de gouden muntjes af. Op eens kreeg ik een duw van Bel in mijn rug en voor ik het wist, lag ik op mijn knieën en bad aan ... Met open, opengehouden palmen. En Mammon lachte mij toe, o zo charmant en hij draaide zich zelfs zó, dat ik twee straffe gouden stràaltjes van tientjes opving ... Die stak ik in mijn zakken, vestzakken, jaszakken, broekzakken; toen stond ik op, gedachtig aan Imperia ... `Heb je al genoeg??' vroeg Bel achter mij en wilde mij weêr voor over op mijn knieën duwen. `Ja, ik heb genoeg, geloof ik,' zei ik; `en daarbij, ze duwen me zo op die treê en ze gappen het me weêr af als ik langer tussen die bende blijf ...' `Je bent lang niet zondig genoeg,' verweet Bel me, met een frons van ontevredenheid tussen zijn saterbrauwen. `Kijk eens die andere kerels: die bidden aan tot hun zakken bàrsten ...' `Jawel,' zei ik; `maar dan regent het weêr uit hun zakken over de vloer en dan veeg jij het bij elkaâr en geeft het weêr aan Mammon.' `Je bent idioot,' zei Bel. `Mammon neemt nooit meer geld terug, hij tovert uit zijn vingertoppen; dat heeft hij heus niet nodig.' `Ik wil terug naar Imperia!' riep ik. `Ik wil genieten voor al mijn Zinnen! Ik wil de Zinnezucht aanbidden, de Zalige! Geld heb ik; ik bàrst van de gouden tientjes!' Maar Bel hield mij terug. `Je bent nog veel te naïef!' riep het kleine verdorven duivelskind. `Je moet eerst nog leren niet zo naïef te zijn en je eigenlijke verlangens te verbergen. Als jij bijvoorbeeld blij in je zondig hart bent omdat Mammon het gouden tientjes in je palmen heeft laten regenen, moet je een treurig bakkes zetten en dàt leer je, meneertje, bij op één na de machtigste moderne Hoofzonde en die is ...' `Die is?' vroeg ik, mijn handen aan mijn puilende zakken; waarachtig, zij scheurden, mijn zakken, de tientjes vloeiden al weg ... `Die is hier!' riep Bel; hij draaide mij een paar keer als een tol in het rond en toen duwde hij mij een poort binnen, weêr van vlammende Gothiek en een immense kathedraal welfde zich om mij heen. En ik zag ... IV Een onmetelijk diep perspectief van flamboyante Gothische bogen ... Dàt was nog iets anders dan die kinderkamer, dat pavillioen en die bankhal geweest waren! Ja werkelijk, dat was als een kathedraal en in het schemerachtig rode licht van duizende kaarsen, zag ik er duizende gelovigen, die neêr geknield lagen en schenen te bidden en te aanbidden. Wie en wat begreep ik niet goed: een altaar was er niet; er was alleen aan het einde van het onmetelijk diepe perspectief een soort trappenvlucht en die was afgesloten door dicht geschoven, bronszware koperkleurige gordijnen en vóór die gordijnen lag een soort priesterlijk figuur en murmelde een litanie als of hij in het gebed en de aanbidding die duizenden voor ging. Ik was zeer onder de indruk van het geheel en fluisterde tot Bel, terwijl ik al meer en meer Mammon's gouden tientjes uit mijn gescheurde zakken voelde glippen: `En wie is dat nu, die daar zo ligt te prevelen?' `Dat is ...' begon Bel, en ik verwachtte werkelijk, dat die priester of wat hij ook ware zich om zoû draaien en zijn naam zoû roepen zo als Imperia en Mammon hadden gedaan, maar hij bleef ons zijn rug in gouden dalmatiek toe wenden zo dat Bel mij in moest fluisteren, duivelshandje aan mond: `DE HUICHELZUCHT' De litanie galmde op, maar ik hoorde niet wie er in aangebeden werd, want ik was te verontwaardigd. `De Huichelzucht?!' riep ik. `En dat is een priester! Het is onmogelijk! Van welke godsdienst dan??' `Natuurlijk geen Grieks-Orthodoxe of Rooms-Katholiek,' zeide Bel, als of dat van zelve sprak. `O,' zeide ik. `Dàn is het goed. Want ik heb in Nice een allerbeminnelijkste metropoliet gekend en in Italië tal van brave geestelijken, met wie ik dikwijls gesproken heb over allerlei onderwerpen - filozofie, poëzie, kunst, filantropie - en ik verzeker je, jou Satanskind, dat zij geen van allen iets met jou Huichelzucht hadden uit te staan!' Ik was zo verontwaardigd in mijne verdediging van de geestelijke stand, die ik werkelijk in het Zuiden zo edel soms heb vertegenwoordigd gezien, dat Bel mij openmonds aanzag en toen zeide: `Maar ik heb je immers ook niet verteld dat die Huichelzucht daar - hij heet Hilario, omdat hij altijd pleizier in zijn eigen heeft, hoewel hij altijd een heel ernstig en zalvend bakkes trekt - iets heeft uit te staan met die brave geestelijken, die jij hebt ontmoet, zelfs niet met een der godsdiensten, die er op de wereld in ere zijn!' `Dàn is het goed!' herhaalde ik gekalmeerd en met nadruk. Die Hilario,' zeide Bel, `heeft alleen wat te maken met de Duivelsdienst en wel met de allerenigste, die er aan gene zijde van dit Paleis wordt gevierd ...' Zijn stem werd griezelig van bijbedoeling, hij grijnsde en glimlachte en ik keek hem vol ontzetting aan. `Dat gewaad, dat hij draagt,' zei Bel; `kijk maar eens goed, is op zijn rug allemaal doorweven met duivelse symbolen.' Waarachtig, ik zag het, dat het prachtige, gouden brokaat doorweven was met hoornen en hoeven en vlammen. `Hij is de Huichelzucht,' fluisterde Bel mij nog eens in; `hij is Hilario; hij is de Vierde Hoofdzonde, die Vierde Moderne Hoofdzonde; hij heeft altijd schik in zich, vooral als hij de mensen er in laat lopen door anders voor te doen dan hij is en hij is de Zonde, die de moderne mensen, misschien zonder dat zij het zich bewust zijn, bijna het meest aanbidden. Als ze bijvoorbeeld met elkaâr vechten willen, zeggen ze, dat ze zo veel van elkander houden; als ze scharlaken Onrecht - dat is goèd natuurlijk - willen plegen, zeggen ze, dat ze jullie bleke Recht eredienen; als ze Oorlog willen, zeggen ze, dat ze de Vrede beogen ... Begrijp je?' `Ik begrijp,' zeide ik, ontzet, want Hilario daar ginds, had zich omgewend; hij rees uit zijne knieling op; hij werd reusachtig van gestalte; hij was afkeerwekkend van vals, gluiperig gelaat en van huichelgrijns; hij scheen met een wijd gebaar de menigte der duizenden, die daar geknield lagen, te zegenen; hij was, ja, hij was de Priester van Satan, de Minister van Satan; hij was de verschrikkelijkste Zonde, die ik aanschouwd had; Gog en Magog wren werkelijk kinderen, vergeleken bij hem, Imperia niets meer dan een verleidelijke vrouw, en Mammon niet meer dan een dubieuze man van zaken, maar hij, Hilario, de Huichelzucht, was werkelijk dè machtigste ...! `Op één na!' fluisterde Bel, die mijn gedachte ried met zijn duivelachtig instinct. Ik dorst bijna niet vragen. Vol angst en afkeer zag ik naar de Huichelzucht, die daar ginds, al zegenend, scheen te groeien, te groeien, tot zijn verschrikkelijk gebaar uit gouden dalmatiek geheel de ruimte voor de zwarte gordijnen vulde, terwijl een zwaar dreunende muziek als van daverend tandengekars uit ondergrondse orgelpijpen te donderen begon. Maar eindelijk, eindelijk vroeg ik het: `Wie is dan de machtigste Hoofdzonde?' Bel zweeg; hij keek mij doordringend, demoniesch aan. `Wie is dan je Vijfde Hoofdzonde?' drong ik aan, terwijl het angstzweet mji uitbrak. Bel greep mij bij de pols met een kracht, die ik niet vermoed had in zijn magere klauw. `Kijk!!' wees hij en rukte mij recht, met mijn ogen naar de gordijnen gericht. En de gordijnen weken, weken, weken langzaam en ... V ... Ik zag een soort van reusachtig kerkkoor, altijd in vlammende Gothiek, alsof vlammen, salamanders en draken waren versteen en verstard in beeldhouwwerk. En in dat koor, zat, op een kolossale troon een schrikwekkend ontzaglijk Wezen, als een Vorst, als een Koning, als een Keizer: hij was gekroond met een Vijfkroon, vermoedelijk symbool van zijn macht over de Vijf Zonden; hij was omplooid in een mantel van Hermelijn; hij droeg een Rijksappel in de ene, een Schepter in de andere hand en een reuzegroot zwaard, dat hem omgord was, lag over zijn knieën. Hij was barbaars verschrikkelijk van gelaat en toen de gordijnen open weken en hij verzichtbaarde, huldigden hem de duizenden en riepen: `Satan! Satan!! Satan!!' `Is hij Satan?' vroeg ik, ontzet, aan Bel; maar Bel antwoordde: `Ja, maar de Zoon van Satan en broeder van de Vier andere Zonden, die allen Satans kinderen zijn: hij heet naar zijn vader ... Kniel nu gauw neêr en bid aan ...' Maar ik knielde niet neêr en bad niet aan. Vooreerst was ik veel te nieuwsgierig om alles goed te zien en werkelijk, toen ik mij op de tenen rekte, zag ik, dat tal van koningen, eveneens gekroond en gemanteld, geknield lagen rondom Hilario, en zag ik, dat de Zoon Satans op hunne gekromde ruggen zijn voeten geplaatst had, wreed en meêdogenloos. Wie is hij nog meer dan Satans zoon?' vroeg ik Bel, erg onder de indruk. `Zie je dat dan niet?' beet Bel, woedend, mij teo. `Wie zoû Satans Zoon anders zijn dan: `DE HEERSZUCHT' Ik stond als versteend te staren. `De Heerszucht!' herhaalde Bel aan mijn oor en te gelijkertijd voelde ik zijn duivelsklauw, gebald tot vuist, in mijn rug als wilde hij mij dwingen te knielen. De Heerszucht, die alle andere vorsten der wereld beheerst! De Heerszucht, in wie zich incarneerden die oude vale, vage Zonden: de Woede en de Trots, èn de Gulzigheid. De Heerszucht, die over alle Zonden heerst! Werkelijk, ik zag eensklaps ter beide zijden van het koor binnen komen en de twee Eigenzuchten en Imperia met haar draak aan het parelsnoer en Mammon, steeds met de handen gestrekt èn een regen van gouden tientjes uit zijn vingers toverend en ze knielden allen neêr voor hun broeder en bogen hunne ruggen voor zijn voet: zij verdrongen de vorsten der wereld en elkander om 's Heerszuchts voet op hun ruggen te voelen. `Kniel neêr!' siste Bel mij woedend in het oor en zijn klauwvuist stompte mij onbarmhartig. `Wat hebben jullie met de Luiheid gedaan?' vroeg ik, schrap op mijn voeten. `Die konden we niet meer gebruiken!!' raasde Bel nijdig, terwijl het orgelgedaver der tandeknarsingen de kathedraal doordreunde. `Die hebben we in onze moderne tijd ongeschikt verklaard en verbrand of minstens op pensioen gesteld. Wat kon de Luiheid de Heerschzucht dienen? Kniel neêr!!' En hij stompte mij woeden. Ik weêrstreefde. `Ik kniel niet neêr, en aanbid niet de Heerszucht, Bel!' riep ik uit. `Want ik ... jou duivelskind, ik ben de Luiheid, de vroegere Hoofdzonde, die jullie niet meer van node hebben in jullie moderne zondige struggle-for-life, en ik ben veel te lui om te heersen, ik verlang niet te heersen: ik had Mammon nog kunnen aanbidden om de mooie Imperia, maar hoger gaan mijn aspiraties niet; voor dat gehuichel blijft mijn luiheid veel te aesthetisch; ik vind huichelen een onschone Zonde, een afschuwelijke Zonde, een weêrzinwekkende Zonde en de Heerszucht - die Vijfde of misschien wel Eerste Hoofdzonde, niet waar - die ofent niets geen bekoring op me: ik koester hem niet in mijn hart; zo als ik je zeg, ik ben veel te lui, ik De Luiheid, de uit jullie demonische kring verstoten Luiheid, en ik vertik het mijn knieën te buigen voor Huichelzucht en voor Heerszucht. Laat me gaan!' En met een kolossale energie van Luiheid draaide ik me om en vluchtte ... Ik voelde, dat Bel mij bij mijn jas greep; hij scheurde mij de zakken en een stroom van gouden tientjes rinkelde tinkelend over het mozaïek van de vloer en in eens donderde de vreselijke stem van De Heerszucht, Satans Zoon, door de kathedraal: `Wie vlucht daar en weigert Mij te aanbidden ...?' Ik zag om ... Ik zag Bel, op beide scharlaken-omhoosde knietjes neêr gezegen ... Hij riep, schelletjes, en beverig, de klauwtjes omhoog: `Allerheerszuchtige Majesteit aller Moderne Hoofdzonden! Het is alleen maar De Luiheid, u weet wel, die van vroeger, die te lui is om ...' Ik zag De Heerschzucht juist een teken van minachtende genade knikken en vluchtte van daar, terwijl ik mijn laatste tientjes verloor ... ---gsche Post 28-4-1917