ISAÄC DA COSTA (1798-1860) DE PERZEN (1816) EERSTE TOONEEL ------------------------------------------------------------------------ DE REI. Het heir de Perziaansche scharen dat voor 't gewoel der krijgsgevaren den vaderlandschen grond verliet, heeft ons de zorg van al hun schatten op 's Konings voorbeeld op doen vatten, die heel zijn machtig rijksgebied vertrouwde aan dees zijn uitverkoren. Darius, dierbre telg! ach keer! Breng ons die fiere manschap weêr! O! mocht ik 't voorgevoel versmoren dat my een gruwzaam lot voorspelt! Trok niet heel Azië te veld? Terwijl we in eindelooze klachten om onze jongelingschap versmachten, vergeefs van dag tot dag verbeid, en in de wreedste onzekerheid een boô zelf vruchteloos verwachten. Gy Suze, Cissa, Ekbataan! gy zaagt uw muren dan verlaten, uw jeugd, gewapend tot soldaten, in woesten moed' naar 't strijdperk gaan, Hen voert de bloem van onze Grooten, Amistres, Artaphernes aan, en Megabazes, deelgenooten van vorstelijke macht en eer, en hoofden van een talloos heir van zaamgedrongen ruiterscharen en schutters vol ervarenheid; een leger, tuk op krijgsgevaren, wiens enkele aanblik schrik verspreidt. Niet minder uitgelezen helden verzellen stouten Pharnaces, Iméus en Artembares; Daar zelf de korenrijke velden, bevrucht door 'sNijlstroom koestrend slijk, ontelbare onverschrokken benden volijvrig tot hun koning zenden, Pegaston, tot in 't Egiptisch rijk geboren, en die Memphis muren en Thebes oude vest besturen, zijn aan de spits dier legermacht. 't Moerassig land geeft vlugge knapen om 't handig roeien hoog geacht. De Lydiër, in wulpsche pracht verzonken, rukte meê te wapen. en volgt geheel het vasteland, dat van het edelst krijgsvuur brandt, en schaart zich moedig om de vanen van 's konings machtige onderdanen, wien hy dees streken heeft vertrouwd. Het vorstelijk Sardes, rijk in goud, geeft keur van kostbre wagenscharen, Wier breede rangen ijzing baren. Maar Mardon voert van Tmolus voet zijn krijg'ren aan, in 't heetst verlangen den Griek in ketenen te prangen. Het roemrijk Babel zendt een stoet van schepelingen, en schuttersdrommen die met geoefend oog en hand den taaien boog niet vruchteloos krommen. Ja! heel dit uitgestrekte land heeft wat maar wapenen kon dragen verlaten, en zijn' Vorst verzeld. Nu slijten we onze droeve dagen, het hart vol zorgen en bekneld. By ouders beide en echtgenooten, steeds in hun hoop te leur gesteld, dient ieder dag, met angst geteld, slechts om hun kommer te vergrooten. KEER.1 Ontzachlijk heir! gy zeit gegaan! Gy hebt den Griekschen grond betreden, en brengt den vijand en zijn steden in ieder tred verwoesting aan. De zee, die Hella heeft verzwolgen, had u vergeefs den weg ontzegd; haar heeft, hoe schriklijk ook verbolgen uw arm in ketenen gelegd. TEGENKEER.2 De koning heeft aan alle kant 't verraschte Grieken overvallen met onze duizend-duizend tallen, ter zee gewapend en te land. Hy voert hen aan, met al de Grooten omgeven van zijn bloeiend rijk; de Vorst, uit godenbloed gesproten, en goden-zelf in rang gelijk! Met oogen schitt'rend van den gloed van heldenvuur en leeuwenmoed, en op een rijkversierden wagen aan 't hoofd der benden omgedragen, voert hy den Perziaanschen boog de Griekse spietsen tegen. Wat vijand hoopt nog op zegen, die tegen hem ten strijde toog? Wie waagt het, de opgezwollen stroomen met dijk of paalwerk in te toomen? Zoo schriklijk zijt ge, o Perzisch volk! Maar ach, een akelige wolk benevelt, blijde hoop! uw luister. Der goden wegen zijn ons duister: wat sterv'ling kan hun wil weêrstaan? Des noodlots ijzren wet ontgaan? Of 't loosgespannen net vermijden, hem door der goden hand gespreid? Te dikwerf door hun gunst misleid, tracht hy zijn loopkring te verwijden; en, altijd verder afgedwaald, ziet hy zich eindelijk verraden, vervoerd op afgelegen paden, waaralle vluchtenspoging faalt! EERSTE KEER. Der goden bijstand heeft dit land beveiligd, en van alle kant ten welvaarts top verheven. Dankt, Perzen! dankt het haar alleen, die zelfs de sterkst bemuurde steên voor uwe vuist deed beven. EERSTE TEGENKEER. Dankt haar, die u den wijden vloed, in 't golven schuimend en verwoed, in 't eind deed overkomen. Toen ge u een veilgen overtocht op zaamgebonden kielen wrocht betemmers van de stroomen! TWEEDE KEER. O! laat die gunst u nooit verlaten! Klink' nooit die rouwkreet door uw straten, o Suzes teêrgeliefde vest! Die kreet, wiens doffe klank mijn harte ontzet door ongekende smarte: wee, wee het Perziche gewest! TWEEDE TEGENKEER. Begeeft my, aaklige gedachten! Zoudt ge ook, o Cissa, van die klachten weêrgalmen in uw hoogen wal? Uw vrouwen zich de sluiers scheuren, door geen vertroosting op te beuren, in wanhoop om des legers val? DERDE KEER. Gelijk een digte bijënwolk stoof overal het dappre volk uit onze rijkbewoonde steden De zee, die ons van d'overkant wou weeren, ligt gedwee in band: en Xerxes leger heeft Europische aard betreden. DERDE TEGENKEER. De teedre vrouw slijt dag en nacht in afgebroken klacht op klacht, en 't eenzaam bed is nat van tranen. Het jeugdig, zacht gevoelend hart kwijnt weg in nooit verpoosde smaart om d' egâ, die haar liet voor 's Konings helden vanen. Waartoe, waartoe, die ramp gespeld? Neen! voelen we ons van zorg doorknagen voor hunne ons overdierbre dagen, kom, laten we eer naar de aankomst vragen eens boden, die ons licht den staat van 't leger meldt, en tijding geeft van 's vorsten leven, en wie verwinnaar is gebleven: de boog der schutters van het Oost of 't puntig staal van Griekens kroost? Maar 's Koning moeder richt haar schreden tot ons, met glans omstraald gelijk het oog der goôn. Gy, bidt haar aan naar ons zeden, en zij uw hulde haar al knielend aangeboôn! ISAÄC DA COSTA (1798-1860) DE PERZEN (1816) PROEVE VAN OVERWERKING1 (EERSTE TOONEEL) DE REI. Het heir de Perziaansche scharen dat voor de Grieksche krijgsgevaren den vaderlandschen grond verliet, gaf ons het opzicht hunner schatten, naar 's Konings voorgang, op te vatten, die tot de zorg voor zijn gebied ons, zwakke grijzaarts, heeft verkoren. Keer, Koninklijke telg! ei keer! Breng Perzië zijn manschap weêr! Ach! kon ik 't voorgevoelen smoren dat me enkel somberheden spelt. De bloem van Azië is te veld; en, daar we in eindelooze klachten om onze jongelingschap versmachten, wordt in die wreede onzekerheid een tiiding zelfs vergeefs verbeid, Gy Suze, Cissië, Ekbataan! hoe zaagt ge uw muren dus verlaten, uw jeugd, herschapen in soldaten, te paard, te scheep, naar 't strijdperk gaan, Hen voert de bloem van onze Grooten, Amistres en Artaspes aan, en Megabazes, deelgenooten van 's grooten Konings macht en eer, nu hoofden van een talloos heir te zaam gedrongen ruiterscharen en schutters vol ervarenheid; een leger, tuk op krijgsgevaren, wiens enkele aanblik schrik verspreidt. Geen mindere uitgelezen helden zijn op hun rossen Sosthanes, Iméus en Artembares; Masistres enPharnaces, daar ook de korenrijke velden, vet van desNijls bevruchtend slijk, ontelbare onverschrokken benden volijvrig tot den Koning zenden, Pegaston, zelf uit dat rijk geboortig, en die Memphis muren en Thebes oude vest besturen, Ariomardus, Arsames, op hun verheven krijgskales voor krijg en krijgsbevel geschapen zijn aan de spits die legermacht. 't Moerassig land geeft keur van knapen om 't handig roeien hoog geacht. De Lydiër, in wulpsche pracht gedoken, rukte toch te wapen, en mét hem gansche vasteland zich moedig scharend om de vanen door 's Konings prinselijke onderdanen, Arceus, Metragathes, geplant. Het weeldrig Sardes gaf zijn mannen met tal van wagens, rijk bespannen, ten schrik des vijands over zee op d'ongelijkbren krijgstoch meê. In 't Aziatisch zielsverlangen den Griek in ketenen te prangen, zag m' onder 't oog van Tharybis en Mardon, wat in Mysië is met Tmolus naaste nageburen hun spiessen tot den oorlog schuren. Maar 't gouden Babel zond een stoet van scheepelingen, vol gloed en moed, en afgerichte schuttersdrommen die nooit vergeefs den handboog krommen. Wel trok heel Azië te veld! Het heeft, gehoorzaam aan zijn wenken, den Koning op zijn tocht verzeld. Maar wy, als wy dien bloem van 't vaderland gedenken, zoo voelt, naar mate 't uur verloopt van tijdingen reeds lang gehoopt, ons hart tot twijflen zich genoopt. Voor oudren beide en echtgenooten, van stond tot stond te loor gesteld, rijst ieder dag, met angst geteld, slechts om den kommer te vergrooten. KEER Des Konings heir is uitgegaan. Het heeft den ovekant betreden, en brengt den vijand en zijn steden by elken tred verwoesting aan. De zee, die Hella heeft verzwolgen, had hun vergeefs een pad ontzegd! Haar werd, hoe woelig en verbolgen het vlottend juk haast opgelegd. TEGENKEER De koning, die van krijgsdrift brandt, heeft met zijn honderdduizendtallen, 't vermetel Grieken overvallen' en overdekt ter zee, te land. Hy zelf gaat voor, door al de Grooten omringd, gesteund, van 't Perzisch rijk; de Vorst, uit Perseus zelf gesproten, en goden op hun troon gelijk Met oogen glimmend van den gloed van heldenkracht en leeuwenmoed, voert hem de koninklijke wagen in onuitsprekelijk welbehagen, da onafzienbaar leger rond, met duizend schepen in verbond. De Grieksche spiessen zullen wijken voor onzen Perziaanschen boog, en elke vijand haast bezwijken. waar zulk een macht ten strijde toog. Of wie zou de opgebruischte stroomen door dijken keeren of betoomen? zoo machtig wierp het Perzisch heir zich op 't verbaasd Europa neêr. En toch! der Goden weg in duister: ondanks dien duizelende luister! Te dikwerf door hun gunst misleid, bemerkten eensklaps stervelingen op hunnen weg een net gespreid, waaruit geen voet,hoe vlug, zich weder los kon wringen EERSTE KEER Het Noodlot geeft en deelt en doet, gelijk het wil. Dankt hem den moed, ons, Perziërs, gegeven, die kracht in worsteling en gevecht, die ruiters velt en torens slecht, dat 's vijands steden beven; EERSTE TEGENKEER Ja ook den wijden blanken vloed voorspoedig overtrekken doet, moed, verwinnend overkomen op kielen kunstvol toebereid, dat ook de zee den roem verbreid' dier temmers harer stroomen. TWEEDE KEER En toch! zoo ongedachte slagen ons eens nog jammer deden klagen: „Wee wee het Perzen legerschaar" en 't 's vijands steden moesten hooren dat Suzes manschap ging verloren, de hoofdstad leeggestorven waar! TWEEDE TEGENKEER En dat wie Cissië bewonen de weêrslag trof die jammertonen: „Wee, wee ook dezen hogen wal! " Ook daar ontroostbre vrouwenscharen den band zich scheurend van de hairen, om onzer legerbenden val? DERDE KEER Gelijk een zwarte bijënwolk stoof overal ons heldenvolk uit zijne dicht bevolkte vesten! De Koning zelve ging steeds voor, de wijdberoemde zeestraat door, die Azië verbindt aan d' oevergrens van 't Westen. DERDE TEGENKEER Maar de egade, ach! slijt dag en nacht in afgebroken klacht op klacht, Doornat is 't huwlijksbed van tranen. De teedre Perziaansche vrouw gevoelt reeds weduwlijken rouw om hem, die haar verliet voor 's Konings oorlogsvanen. Maar waartoe, langer ramp vermeld, of vreemde jammeren gespeld? Neen! voelen we ons van zorg doorknagen, voor de ons overdierbre dagen, komt, laat ons eer naar de aankomst vragen eens boden, die ons licht den staat der zaken zegt, en tijding geeft van 't kostbaar leven des grooten Konings, ons gegeven naar onzer vaadren heilig recht; en wie verwinnaar is gebleven: de boog der schutters van het Oost of 't puntig staal der spies van Griekens kroost! Maar 's Koning moeder richt haar schreden tot ons, omstraald met glans als 't voorhoofd vande goôn. 'k va voor haar neêr naar ons zeden, en ook uw hulde word' haar knielend aangeboôn! ISAÄC DA COSTA (1798-1860) DE PERZEN (1816) TWEEDE TOONEEL ATOSSA, DE REI ------------------------------------------------------------------------ DE REI. Verheven Koningin der trouwe Perzianen! Ontfang den welkomstgroet van minnende onderdanen, gy, eedle koningsweeuw en moeder van een god van welvaart voor dees Staat, zoo voor 't albestierend lot niet keerde, maar ons steeds voor rampen blijft behoeden! ATOSSA. Helaas! dit enkel woord doet my het harte bloeden. 't Is daarom, dat ik thans het vorstelijk huis verlaat, en troost en balsem wacht, mijn vrienden, van uw raad. Ik zal u de oorzaak van die jagende angst verklaren. 'k Vrees voor ons Staatsgebouw, te hoog in bloei gevaten. Och! dat dit roemrijk werk, door hemelsche genâ Gevestigd, niet op eens ter neêr storte en verga! Een volk, hoe talrijk, zoo 't van rijkdom is verstoken, is kwijnend, maar zijn kracht wordt eerder nog verbroken, waar 't rijk, van schatten vol, gebrek aan manschap heeft. Die ramp is 't waar mijn hart (en zonder end) voor beeft. Wee, wee ons, zoo dit land zijn jonglingschap moest derven! Getrouwen! laat ik heul van uwe reên verwerven! Op u heb 'k steeds gesteund: (het is uw grijzend hoofd wiens wijsheid my ool thans voldoende raad belooft. DE REI. Doorluchtigste! zoo nauw aan 't vorstlijk huis verbonden, hebt ge ons in raad en daad steeds blakende gevonden; en nimmer wordt die gloed in 't dankbaar hart gebluscht. ATOSSA. Mijn slaap wordt ieder nacht door droom op droom ontrust, sints mijn geliefde zoon, verwoed op Griekens steden, op keur van benden trotsch, hun bodem heeft betreden. Maar nooit nog heeft me een droom met zulk een angst bekneld als 't nachtspook dat mijn geest dees nacht werd voorgesteld. Een jeugdig vrouwenpaar verscheen me, en hieldmijn oogen door dracht en houding van verwondering opgetogen. De een hing het Perzisch kleed bevallig on de leên, maar de andre sierde een Grieksch, bei in aanloklijkheên onovertrefbaar. In de fijnbesneden trekken was aanstonds op het klaarst haar zusterschap te ontdekken. Gescheiden door het lot, had deze op Griekschen grond, gene in dit werelddell haar zetel. Nu ontstond er twist en grimmigheid, dat beider oogen blonken. Maar Xerxes nadert haar, en dooft die oorlogsvonken. maar voert ze met zich meê op 't eigen oogenblik, en kromt haar onder 't juk, nog roerloos van den schrik, slaat haar zijn teugels om, en ketent ze aan zijn wagen. De een biedt geen tegenstand, vereerd den boei te dragen van d' onverwinbren Vorst van 't Perzische gebied: maar de andre brand van toorn, daar zy geen rang ontziet, en rukt zich spartlend los, en waagt het, vrij van banden, den vorstenwagen vol verwoedheid aan te randen, en trapt het haatlijk juk en scheurt de wielen af. De vorst stort neêr. Ik zie darius, uit zijn graf verrezen, met een zucht dit droef tooneel aanschouwen, en mijn verneêrden zoon in steeds ontroostbrer rouwen versmelten. 'k zag dit, en het nachtgezicht verdween. 'k Stond open liep vol drift naar zuivre bronnen heen om met een reine hand de goden te vereeren met offers, dat hun gunst dit onheil af mocht keeren. Op eens vernam mijn oog een snellen adelaar (een havik vloog hem na) zich spoedend naar 't altaar. Ik voelde op dit gezicht mijn gorgel toegeknepen. Reeds heeft de haviksklaauw den vluchtende aan gegrepen en pijnigt hem den kop, die zelfs geen weerstand biedt. Ziedaar wat in mijn hart die siddring achterliet. Wat roem had Xerxes van een zegepraal te wachten! En thans voor zie 'k den val van zoo veel legermachten. Zoo 't noodlot hem verried...... o! Blijv' hy slechts gespaard, geen neêrlaag maakt hem nooit de konings kroon onwaard. DE REI. Wy wagen 't niet, Mevrouw! dit wonder te verklaren: roep Godenbystand aan, en wil geen offers sparen, opdat hun almacht die verschrikkelijke wolk verdrijve en zegen storte op u, uw kroost en volk; en pleng een heilig vocht aan de onderaardsche streken; licht schenkt uw echtgenoot, vol deernis met uw smeeken en nederige offers, uit het diepst van 's afgronds nacht versterking aan dit rijk en zijn doorlucht geslacht. Dees raad slechts kunnen we u in uw bekommering geven en mooglijk wordt zij dus in beter uur verdreven. ATOSSA. Mijn dierbren! in dees taal, voor 't lijdend hart zoo zoet, blinkt schittrend in mijn oog uw vroom, uw trouw gemoed. Het lot vervulle uw wensch! 't Paleis weêr ingetreden, draal ik geen oogwenk meer met reukwerk en gebeden en aarde- en hemelgoôn te naadre. Melde uw mond my dit nog: aan wat kant ligt toch de Atheense grond? DE REI. In 't Westen. ATOSSA. En dees stad poogt Xerxes te vernielen? DE REI. Heel Grieken zou met haar voor 's konings schepter knielen. ATOSSA. En heeftwze ook schatten, waar de steden meest door bloeien? DE REI. Ja, mijnen heeft ze, die van zilver overvloeien. ATOSSA. En zijn hun schutters vlug met pijl en schietgeweer? DE REI. Zy strijden met geen boog, maar met den vasten speer. ATOSSA. Wat vorst is aan hun hoofd? DE REI. Zy noemen dit, als slaven in 't onverdaaglijk juk van koning te draven! ATOSSA. Een ordelooze hoop durft de onzen dan weêrstaan? DE REI. Ach! eens deed zulk een hoop Darius heir vergaan. ATOSSA O al te wreede zorg, voor 't weeke moederharte! DE REI Versmoor, Mevrouw! een wijl die pijnigende smarte. Een bode nadert ons. Verkondig' hy ellend of heil! de onzekerheid, voor 't minste, spoedt ten end.a ISAÄC DA COSTA (1798-1860) DE PERZEN (1816) DERDE TOONEEL ATOSSA, DE REI, EEN BODE. ------------------------------------------------------------------------ DE BODE. O smart! o vaderland! o eenmaal blijde steden van 't schittrend Azië! Wat hebt ge een ramp geleden! Hoe deed een enkle dag der Perzen heil vergaan met heel uw voor'gen glans! Helaas! wat gaan my aan? Ik breng, tot overmaat der jammren die mij drukken, u nog de bittre maar van al uw ongelukken. Maar ach! het moet zoo zijn. 'k Weêrsta den nood niet meer. Verneemt, verneemt den val van 't gantsche Perzisch heir. DE REI. - EERSTE KEER. Helaas! wat donder trof mijn ooren? Wat schrikbre ramp brengt my dees dag? Wie zal in tranen niet versmoren na zulk een pletterende slag? DE BODE. 't Is alles redloos. 'k Heb ter naauwernood mijn leven van 't hoogst gevaar gered en my tot u begeven, DE REI. - EERSTE TEGENKEER. O droevig einde van mijn dagen! Ik heb te lang, te lang geleefd! Nu de ijslijkste van 's noodlots slagen mijn dierbaar land getroffen heeft. DE BODE. Helaas! het is te waar. Geen ander deelde my 't verhaal dier neêrlaag meê. Ik zelf, ik was er by. DE REI. - TWEEDE KEER. Helaas! de keur van onze helden werd vruchtloos uitgerust ten strijd. Zy vielen neêr op Griekens velden, aan 't machtig Godendom gewijd. DE BODE. Het strand van Salamis en de omgelegen vlekken zag 'k met d' onmeetbren hoop dier lijken gantsch bedekken DE REI. - TWEEDE TEGENKEER. Daar dobbren dan die dappre scharen op de altijd rustlooze zee, ten spel der hobbelende baren met de afgedwaalde wrakken meê? DE BODE. Geen moed, geen wapen mocht hier baten; heel de vloot vond in den heetsten strijd een jammerlijken dood. DE REI. - DERDE KEER. O wee! wat kan ons leed verzachten o Perzen! by uw ondergan? Stort uit, stort uite klachten in 't allerroerendst treurgezang! DE BODE. O haatlijk Salamis! o hatelijk Athenen! Hoe zullen we ooit uw naam herdenken zonder weenen. DE REI. - DERDE TEGENKEER. Hoe dikwerf, ach! hebt ge onze vrouwen, Atheen, tot raadloosheid gebracht; terwijl ze om de echtgenooten rouwen die door uw handen zijn geslacht! ATOSSA. 'k Bleef sprakeloos, van schrik, by zulk een maar verplet, die me al mijn krachten stremt, en 't schreien zelf belet: en bevend vrage ik u 't verhaal dier ongelukken. Maar ach! de sterveling moet voor 's noodlots wetten bukken. Herneem dan zelf den moed, en ik, ik hoor bedaard uw andwoord aan. Wie heeft de wreede dood gespaard? Wat hoofden zaagt ge hem 't verstrooide volk ontscheuren? Wat helden moet ons hart, met 's legers val, betreuren? DE BODE. Voor 't minst uw zoon, Mevrouw! is 't stervenslot ontvlucht. ATOSSA. onverwachte troost! Gy geeft mijn boezem lucht. Een straat van vreugde dringt zich heen door zoo veel wolken voor heel ons treurend huis en zijn verneêrde volken. DE BODE. Maar 't hoofd van duizenden, de stoute Artembares, viel neêr op 't bloedig strand, en veldheer Dadaces werd, doodelijke gewond, in 't bruischend nat bedolven. Hier stort op Ajax grond, omsingeld van de golven, het lijk vanTenago, dien fieren Bactriaan; daar valt Pheresbus met Adena, van de monden des Nijl uw zoon ter hulp gezonden, van uit het hooge schip in zee; aan de andre zij Metallus,'t strijdbaar hoofd der zwarte ruiterij. Dees, prachtig uitgedoscht in 't schitterende wapen, ziet overal den dood hem dreigend tegengapen, en verwt in eigen bloed de schoone, blonde baard. 'k Zag wijzen Arathus neêrtuimelen ter aard, hem volgden Artames en dappere Arimardes, (ontzettelijke ramp voor 't glorierijke Sardes!) Amistris, Sisames, Amphitreus, zoo geacht om 't slingeren van zijn schicht met meer dan mannenkracht. De schoone Tharybis, die vijfmaal vijftig schepen ten strijd voert, wordt met hen door 't moordstaal aangegrepen. Syennezis vindt meê den eedlen heldendood; hy; die den krijgren van Cilicië gebood, hy, steeds gewoon in 't bloed van vijanden te baden en om zijn deugd geroemd als om zijn oorlogsdaden. Zie daar, die 's noodlots toorn ons heir betreuren deed. en ach! hoe weinig nog by alles wat het leed! ATOSSA. Wat treurenswaard verlies van onze grootste helden. wat onuitwischbren smaad kwaamt ge ons, bedroefden. melden! Heeft dan zoo groot een macht gebukt voor Griekens vloot? Gy, spreek! wat stelde ons toch aan zulk een onheil bloot? Hoe groot dan was 't getal der Grieksche schepelingen? Hoe dorst het tegen ons naar de overwinning dingen? DE BODE. Helaas! o koningin! 'k beken 't, tot onze schand, de vijand had, naar 't scheen slechts luttel tegenstand te bieden, en zijn vloot scheen lichtlijk te vernielen. Zy streden met niet meer dan vijfmaal zestig kielen, tien uitgelezen, en de Perzen met een macht van duizend, uitgerust met ongelijkbre pracht. En echter vielen wy, door 't Griekse staal verwonnen. Gewis, ter kwader uur werd deze krijg begonnen! De wreedheid van een God, ons eenmaal bloeiend land vijandig, boog de schaal van 't noodlot naar hun kant. ATOSSA. Een God beschermt de stad, Minerva toegeheiligd. DE BODE. Onneembaar is ze, ja, en voor geweld beveiligd, zoo lang der burgren arm haar vestingmuur bewaart. ATOSSA. Maar was de Grieksche vloot het eerst ten strijd geschaard? Of heeft mijn dierbre zoon den vijand aangevallen, vertrouwend op de hulp van zoo veel duizendtallen? DE BODE. Voorzeker heeft een God of woedend hegedrocht, vóór d' aanvang van 't gevecht, die nederlaag gewrocht. Ons had een vluchteling van uit het heir der Grieken bericht, dat als de nacht zijn zwartgeverwde wieken zou uitslaan, hunne vloot, voor onze macht beducht, geen zeestrijd wagen, maar een onverwachte vlucht te baat zou nemen en 't gevreesd gevaar ontloopen, als stond geen andre weg voor hun behoudnis open. Naauw had de looze Griek geëindigd, of uw zoon (onkundig van zijn list en van de haat der goôn) geeft overal bevel dat, als de zonnestralen ten westen, en de nacht op 't aardrijk neêr zou dalen, de gantsche vloot zich schaar' op een driedubble rij, op dat de vlucht ter zee den Griek onmooglijk zij, en 't strand van Salamis aan alle kant besloten; en zoo de vijand nog, zich reddende in zijn boten, 't gevaar ontkomen mocht en onze waakzaamheid, dan was den schepeling een wisse straf bereid. Wy zouden, vruchteloos geknield voor 's konings voeten, onze onvoorzichtigheid met onze hoofden boeten. Zoo waant hy, vol van hoop; helaas, hoe min verdacht op de ongenâ van 't lot en 't onheil, dat hem wacht; Op 's konings hoogen wil stelt elk der schepelingen, gesterkt met spijs en wijn; en bindt de riemen aan, om op den eersten wenk ten vaart gereed te staan. Maar toen de glans der zon den hemel had verlaten, vliegt alles saam naar 't strand, en roeiers en soldaten, en klimt de schepen op, en spoort vol vuur en moed zijn tochtgenooten aan tot d' allermeesten spoed. Wy glijden op en neêr op 't wentlen van de baren, gehoorzaam aan 't bevel der hoofden, en bewaren den uitgang ons vertrouwd, en hadden heel den nacht met brandend ongeduld den vijand afgewacht. Nu was de duisternis reeds van den trans geweken; mog merken we aan het strand geen kiel of vluchtensteeken. Maar naauwlijks breekt de zon de bleeke kimmen door, of ijlings treft een kreet ons gretig luistrend oor, een kreet met zang vermengd, iden de Echo van de rotsen verdubbeld wijd en zijd tot ons te rug doet botsen. Een plotselijke schrik gaat onze dappren aan, vervallen op die klank van hun langduurgen waan: Want ach! het is geen klacht van weeke vluchtelingen, maar heldenoorlogszang, wat thans de Grieken zingen, ontstoken op 't geschal der hooge krijgstrompet: reeds bruischt de holle zee door hunne vloot bezet, reeds schuimt zy op den slag van 't samenruischend roeien; en eindlijk zien wy hen tot onze kielen spoeien. De rechtervleugel gaat de gansche macht vooruit, op 't schoonst ten strijd geschaard; terwijl een woest geluid van kreten zonder end zich opheft tot de wolken, en dus onze ooren treft: „O Griekens eedle volken! „Strijdt, strijdt uw vaderland van vreemde heerschzucht vrij, „uw vrouwen en uw kroost van 's vijands woestaardij, „met de outers van de Goôn, met uwer vaadren graven: „dees dag beslist uw lot, en maakt u vrij of slaven!" Ons heir heft van zijn kant een schrikbren wapenkreet, elk in zijn tongval, aan, tot strijden beî gereed. Nu raakt men handgemeen: de menigte der schepen heeft reeds van werderzij elkander aangegrepen. Een Grieksche hulk, die 't eerst aan 't hoofd van 's vijands vloot 't gevecht begon, vernielt een Perziaans boot. Wij hadden moedig reeds den aanval afgeslagen, tot we allen eensklaps ons op 't naauwst besloten zagen in de engten, dat geen schip tot 's anders reddign spoên, noch iets de Perzen voor een neêrlaag kon behoên. Wy hooren het gebots de saamgehorte kielen, en zien onze eigen vloot zich in dien schok vernielen. De wreede winnaar valt met dubbel woeden aan, en doet de schepen in 't verzwelgend nat vergaan. De golven zijn verkeerd in purperroode stroomen, met wrakken overdekt; de menigte, omgekomen in 't strijden, ligt op rots en bank en strand verspreid. Wy hadden vol van schrik ons tot de vlucht bereid, maar nog moest 's vijands wraak de matte vloot vervolgen. Hy laat geen oogwenk rust, maar slaat, op 't felst verbolgen, ons droevig onverschot, gelyk een visschenzwerm, met brokken mast en riem te pletter. Een gekerm van smart en wanhoop doet zich onophoudelijk hooren, tot daar de schaduw der nacht dien gruwbren moord kwam storen. Neen! 'k melde u niet al 't kwaad dat Xerxes leger leed, al breide ik dit verhaal tien dagen uit. Want weet dat nooit de zonnekar de kimmen heeft beklommen, ter neêr ziende op den dood van zoo veel heldendrommen. ATOSSA. Wat onbeperkte stroom van rampen zonder tal brengt met ons vaderland heel Azië ten val! DE BODE. En 'k deed u nog niet eens de helft der plagen hooren, wier ijslijkheid ons trof. Nog was ons één beschoren, die op 't verdrukte hoofd met dubble zwaarte woog. ATOSSA. Wat nog verschrikbrer lot viel op ons van omhoog? Ach! meld my, welk een slag na zoo veel bittre slagen ons tot nog dieper smaad en wanhoop kon verlagen? DE BODE. Helaas! die fiere rij van onze schoonste jeugd, die schittrend in rang, en groot in oorlogsdeugd, met overbreekbre trouw des konings macht verzelde, werd uitgedelgd door 't zwaard, dat heel ons leger velde. ATOSSA. Mijn vrienden! ik bezwijk, verwonnen van de smart. 'k Wil echter, 'k wil, bedrukte, in weêrwil van mijn hart, al 't onheil weten dat dien braven is weêtvaren. DE BODE. Niet ver van Salamis, aan d'andren kant der baren, ligt midden in hun schoot een naauwgenaakbaar land. waar Pan zijn herderen ten feestdans voert op 't strand. Daar wordt de eedle jeugd vóór 't strijden heem gezonden, op dat zy, zoo de Griek door ons geweld ontbonden, daar hulp en veiligheid of nieuwe krachten zocht, zijn laatste poging in zijn bloed versmoren mocht, en de onzen redden uit den drang der zeegevaren. Maar anders moest de wil der Goden zicht verklaren! De zege had zich nu aan 's vijands zij gehecht, en hy, nog afgemat van 't bloedige gevecht, springt straks zijn kielen uit en schaart in nauawe kringen zich om het eiland rond; dat onzen jongelingen geen uitkomst overblijft, noch wegen om te vliên. Zy zoeken in dien nood nog wederstand te bieên met vlugge pijl op pijl en pletterende steenen; maar alles is vergeefsch: hun doodsuur is verschenen. De vijand valt op eens vereenigd op hen aan (onmachtig dit geweld nog langer te weêrstaan) en staakt ze allen aan zijn voet zieltogend zijn gezonken. Uw zoon barst middlerwijl in bitt're tranen los: van op een heuveltop naby het golfgeklots had hy op 't moordtooneel zijn benden gâ geslagen. Nu ziet hy ijzend neêr op d' afgrond onzer plagen en scheurt, van wanhoop dol, het vorstelijk gewaad aan stukken, geeft bevel tot d' aftocht, en verlaat het slagveld, om met ons op 't spoedigste te vluchten. Die mare hadt gy nog bij al uw ramp te duchten! ATOSSA. Goôn! wat valsche hoop hebt gy ons aangeboôn! Is dit, is dit de wraak voor d' onvergeetbren hoon, dien 't wijdberoemd Atheen ons eenmaal deed weêrvaren? Of heeft geen bloed genoeg van Perziaansche scharen op 't ons noodlottig veld van Marathon gevloeid? En moest dan, als mijn zoon dien schandvlek zoo vervoeid poogt uit te wisschen, een nog schrikbrer onheil volgen? Ach! meld my waar het lot, op de onzen zoo verbolgen, der schepen overschot voor 't minst belanden deed? DE BODE. De hoofden stelden zich ter wilde vlucht gereed, en vliên, op willekeur van golf en wind gedreven. Van 't ons nog ovrig heir verloor een deel het leven naby Beotië, van dorst en hitte droog, daar reeds een frissche bron zich opdeed aan hun oog. Wy, moede en uitgeput, van rust en spijs versteken, wy loopen Phocis af en Doris hooger streken, en waar Sperchéus 't veld met vruchtbre stroomen drenkt tot daar Thessalië ons een korte schuilplaats schenkt. Hier zagen wy op nieuw ontelbren onzer vrinden in honger en gebrek het aakligst sterflot vinden. Wy, door Magnezië en het Macedonisch rijk by Axius rivier en Bolbes rietig slijk tot aan Pangéus berg in 't eind gevorderd, spoedden naar 't naadrend Thracië, wanneer 't ontijdig woeden des winters ons den stroom des zilvren Strymons sloot. Nu smeekten we ons aard of hemel bystand bood, en zelfs wie voor dien tijd het Goddelijk vermogen miskend had, hief met ons zijn noodgebed ten hoogen. Dus bidden wy de Goôn om hulpverleening aan en wagen het den rug der waatren op te gaan. Wy stappen veilig op de toegevroren baren, zoo lang wynog geen glans aan de Oosterkim ontwaren: maar toen de zonnekar in brandend licht verscheen, drong zich zijn hette door 't kristal der stroomen heen en smolt ze. 't Ovrig heir dat d' overkant der golven nog niet bereikt had, werd geheel in 't nat bedolven: en zalig die het eerst den veegen aâm verloor! Wy kwamen Thracië en haar hindernissen door, en zien u eindlijk weêr, o vaderlansche streken! Maar ach! hoe moet die komst het Perziche harte breken, wien onze kleine hoop herinnert aan 't gemis der dierbre manschap die ons afgestorven is! Zie daar een deel, Mevrouw, dier onoptelbre plagen, waarmeê der Goden toorn dees landen heeft geslagen. DE REI. Ontzachelijke Goôn! hoe heeft uw overmacht in onbeperkte woede ons rijk ten val gebracht! ATOSSA. Zoo is dan onze jeugd, o Perzië! omgekomen Neen! gy bedroogt my niet, gy spoken, me in mijn droomen verschenen, die my 't lot mijn ramp ten voorboô zond! Gy, grijzen, die dien wenk miskendet, toen uw mond mijn angst wou stillen, 'k zal uw raad niet minder volgen: 'k zal plengen aan de Goôn, op ons geslacht verbolgen, en offeren aan de aard en 't bleeke schimmenrijk. Ik weet, 't geleden kwaad is onherroepelijk. Maar 't noodlot kan ons nog voor nieuwe jammren dekken. O! laat uw trouwe zorg my thans tot hulp verstrekken! Beraadt u onvermoeid en naar der zaken eisch; en als mijn droeve zoon het vorstelijk paleis gemaakt, leidt gy hem in en troost hem, o mijn vrinden! En laat zijn lijden hier voor 't minst een eindperk vinden!e ISAÄC DA COSTA (1798-1860) DE PERZEN (1816) VIERDE TOONEEL DE REI. ------------------------------------------------------------------------ DE REI. Machtige Oppervorst der Goôn, wiens albeschikkende geboôn de ontelbre macht van onze helden op vreemden grond ter neder velden, zie door uw gramschap Ektabaan en Suzes vest in smart vergaan! Zie op de tranen onzer vrouwen; zie ze om ons onheil troostloos rouwen, en rukken met de zachte hand zich hoofdheir af en zilvren band! Zie heel een schaar van trouwgenooten, die pas den echtknoop heeft gesloten en reeds den echtgenoot betreurt, haar in 't noodlottigst uur ontscheurd! kwelling naauwlijks te verdragen! Zy zal de schoonste van haar dagen van 't zuiver heilgenot beroofd, haar in dien blijden staat beloofd, in 't aaklig weduwbed verteeren! Wat kan de wanhoop van haar keeren? Ik zelf, helaas! ik voel elk oogenblik mijn rouw verdubblen, nog verpletterd van den schrik. EERSTE KEER. Hoe treuren de omgelegen velden. van heel haar mannenteelt ontbloot! Ach Xerxes, Xerxes! moest ge uw helden ten offer voeren aan den dood? Och! of een God u had weêrhouên van 't roekloos macht- en zelfvertrouwen bij d' aanvang die onzaalge tocht, en 't spoor doen volgen van uw' vader, die held en vreedzaam vorst te gader, zijn' volken niet dan weldaân wrocht? EERSTE TEGENKEER. Gy! zwarte vluggewiekte kielen, met onzer mannen keur belaân! Gy zaagt die dappren dan vernielen, en alles in hun val vergaan! De koning zelf, in vreemde landen ter nauwernood uit 's vijands handen behouden door een snelle vlucht, keert, eindlijk dit gevaar ontkomen, die Thraciës bevroren stroomen terug in vadelandsche lucht. TWEEDE KEER. Helaas! hoe meinig onzer braven, op Cychreus heilig strand gedood, ligt daar misvormd en onbegraven, verlaten in dien bangen nood! Ja! laat ons treuren! laat ons klagen! Dat niets voor 't minst na zoo veel plagen de klanken onzer droefheid stuit'; en 't hart door rouw van één gereten, galme Echo onze wanhoopkreten door lucht en wolk ten hemel uit! TWEEDE TEGENKEER. Hun lijken dwarrlen met de golven van holle draai- tot draaikolk meê, of zijn in d' afgrond reeds bedolven of 't aas der monsters van de zee. vaders, wien uw zoetste panden door 't staat in 's overwinnaars handen van 't bloedend harte zijn gerukt, hoe stelt ge een eindpaal aan uw klachten? Wat zal het foltrend leed verzachten, wiens last uw grijze haren drukt? Nu zal der Perzen vorst geen wetten aal heel dit werelddeel meer zetten, noch van de hoogte van zijn troon de schatting, knielend aangeboôn. ontvangen; want, o smaad! zijn luister verzonk voor eeuwig in het duister met d'ouden rijkdom, bloei en macht. Ja! bij 't vervallen onder kracht zal elk dier volken 't juk verbreken, als vrijgeboren handlen, spreken, niet meer bedwongen door geweld. Helaas! waar 't leger is geveld, daar werd, met hun ontzielde leden, geheel het Perzisch rijk in 't bloedig stof vertreden. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) DE PERZEN (1816) VIJFDE TOONEEL ATOSSA, DE REI. ------------------------------------------------------------------------ ATOSSA. Wien 't wanklend hulkjen op de golf van 't leven voert, zoo lang geen stormgeweld den afgrond nog beroert, verheft zich op de rust der winden, vol vertrouwen, dat 't noodlot hem ter gunst hen zal geketend houên Maar de opgeruide zee heeft op zijn kiel gewoed: vervlogen is de waan in 't kommervol gemoed; het kleinste golfjen baart hem doodsangst. Dus, mijn vrinden! voel ik my 't krimpend hart van zorg en rouw verslinden. In ieder voorwerp, waar 't beneveld oog zich wend', dreigt my de haat der Goôn, 'k Hoor zuchten zonder end, en klachten, die een kou verspreiden door mijn aadren. Ziet thans uw koningin verslagen tot u naadren, van koninklijken praal en kleederdracht ontbloot. 'k Breng treurige offers aan den Vorst, mijn echtgenoot: Sneeuwwitte melk, de vrucht van vetgeweide koeien, zal op 't gewijd altaar zijn schim ter eere vloeien, met honig die de bij uit keur van bloemen wrocht van bronnen, in wier stroom nooit stervelingen baadden. Het steeds herboren groen der malsche olijvenbladen en 't kroost der weeldrige aard, tot kransen zaâmgevlecht hang ik het outer om. Gy middlerwijl, ontzegt me uw zangen niet, en moog', geroerd door uwe beden, Darius éénmaal nog dees dierbren grond, betreden! DE REI. Vervul, ?Vorstin! vervul den offerplicht, die 't aardrijk gunstig moge ontfangen! Wy storten lof- en offerzangen, aan de onderaardsche Goôn gericht, en smeeken de uitkomst op 't u dringende verlangen. Gy, sombre Godheên onder de aard! Gy, die de doôn in Pluto's rijk vergaârt! Gy, zelf o Opperheer der doden! zy, door dees kreet Darius geest ontboden in 't langgemiste levenslicht, en 't hoog besluit der strenge Goden ons door zijn bleeken mond bericht! EERSTE KEER. Vorst, gezegend aan de Goôn! daalt niet dees noodbeˆtot uw ooren, als we in de angstvalligheên, die ons de ziel doorboren met luiden, hartversmeltbren toon de rust van aard en hemel storen? Treft, treft ons prangend zielsverdriet in 't diepst zelfs van de hel uw teedren boezem niet? EERSTE TEGENKEER. ontsluit, o hel, de onschendbre poort, van diamanten zaâmgeklonken: zij hy ons schreiend oog een oogwenk weêrgeschonken, de Vorst, de God met wiens geboort' dit eens zoo bloeiend rijk mocht pronken! Hergef, hergeef hem aan den dag, o aard, wier bodem mooit zijn wedergade zag! TWEEDE KEER. Ja, heilig zijt ge ons, en het oord waaraan we, o Vorst, uw asch betrouwden! Worde onze klaagsem aangehoord! Herzie, op Plutoos krachtig woord, 't paleis, waarin we uw' glans zoo menigmaal aanschouwden! TWEEDE TEGENKEER. Geen dolle zucht naar macht en roem kwelde, onder u, de Perzianen, noch riep des noodslots ijzren doem op uwer jongelingen bloem, vader, aangebeên van dankbare onderdanen! DERDE KEER. Onzachbre, groote dierbre Koning! sla onze hartebeê niet af! Rijs uit de holle doodenwoning op d' oever van uw heilig graf! Verschijn voor onze eerbiedige oogen, gy, nog door gantsch uw volk geloofd! van 't purpren koningskleed omtogen, de rijke sluierkroon op 't hoofd! DERDE TEGENKEER. Wy zullen vreemde jammren melden, verschiklijk voor het Perzisch oor: den dood der duizend duizend helden, die 't rouwend vaderland verloor. De Styxkolk met verpeste dampen besmette de onbewolkte lucht: verschijn, verschin, verneem de rampen waar onze bange borst om zucht! SLOTZANG. Wy zitten troostloos aan de randen van uw door tranen vochtig graf, Want ach! de schepter in uw handen weerde allen rampspoed van ons af. De dood, die u heeft aangegrepen, sleepte onze welvaart met u meê: en - met de menigte onzer schepen zonk onze welvaart in de zee! ISAÄC DA COSTA (1798-1860) DE PERZEN (1816) ZESDE TOONEEL DE SCHIM VAN DARIUS, DE REI, ATOSSA ------------------------------------------------------------------------ DE SCHIM. Getrouwe grijzaartsrij en steunsels van dit rijk, my, in der jaren bloei, in ouderdom gelijk! Wat onverwachte ramp heeft u dus overvallen? Van waar dit naar gekerm in Suzes dierbre wallen? Wat jammren trof mijn oog in 't stil verblijf der dood? Ik nam het offer aan, dat my mijn gade bood, en rees, gedrongen door uw sombere gezangen. De hel ontsluit zich licht om hoopen doôn te ontfangen, maar laat geen uitgang vrij aan d' eens verzwolgen buit: my echter liet haar Vorst, mijn rang vereerend, uit en 'k vloog, om in den rouw die u verteert, te deelen. Gy, spreekt, en wilt my niets van wat u trof verbeelden. DE REI. Op dees ontzachlijken stond staar 'k roer- en spraakloos op den grond; de stem besterft my in den mond. DE SCHIM. In het koel verblijf der schimmen werd mijn rust door u gestoord. 'k Hoorde uw bede, en schrijlings spoedde ik naar dit onvergeetbaaroord. En nu draalt ge en blijft beweegloos, ach, verdrijft dien ijdlenschrik! 'k Toef niet lang, de tijd is kostbaar, maak gebruik van t oogenblik. DE REI. 'k Tracht vruchteloos mijn vrees te smoren, ik zal u jammeren doen hooren, die heel dit volk het hart doorboren. DE SCHIM. Heerscht die vrees zoo onverwinbaar in dees eerbiedwaarde rij, dierbre vrouw, eens deelgenote van mijn sponde, meld dan gy wat dit zuchten, wat dit snikken, in ons Suze deed ontstaan? Wees bedaard; gy weet, geen sterveling kan des noodlots wilt ontgaan: tegen hem spant de aarde zamen met den hemel, met de zee, om zijn leven te verbittren door onafgebroken wee. ATOSSA gelukkigste der vorsten toen gy 't levenslicht genoot! Hoogstgelukkig in de welvaart van het rijk dat gy geboodt, dat uw troon vereerde en aanbad als den zetel van een God! Ik benij uw zalig sterven. Ja, het eigen zeegnend lot sloot uw oogen voor de rampen die ons thans ter nederslaan. Slechts één woord omvat al 't onheil: 'T IS MET PERZIË GEDAAN. DE SCHIM. Wat geluid verascht mijn ooren? Viel dit bloeiend gewest door het oproer onzer volken of door d' adem van de pest? ATOSSA. Neen! ons leger werd verpletterd voor de muren van Atheen. DE SCHIM. Onder wien van onze telgen trok het Perzisch heir daar heen? ATOSSA. Onder Xerxes, heet op krijgsroem. ' Gansche volk vloog met hem meê. DE SCHIM. Toog 't te land naar 's vijands steden, of op de ongetrouwe zee? ATOSSA. 't Had zich tot een heir vergaderd, en een sterke vloot bemand. DE SCHIM. En hoe toog het voetvolk over naar het vijandelijk land? ATOSSA. Hellaas engte werd gesloten door een breede schepenrij. DE SCHIM. En de zee, voor Xerxes zwichtend, liet hem dan den doortocht vrij? ATOSSA. Ja: een Godheid was het, zeker, die hem bystond met zijn raad. DE SCHIM. Ja, een helsche Godheid bracht hem tot die roekelooze daad. ATOSSA. De uitkomst leerde 't,welk een onheil deze poging baren zou. DE SCHIM. Wat was de oorzaak van die rampen, die u domplen in rouw? ATOSSA. Onze vloot, uit een geslagen, sleepte 't landvolk in zijn val. DE SCHIM. Zoo verging dan 't Perzisch krijgsvolk in dien strijd geheel en al? ATOSSA. Tuig' dit Suzes doffe rouwkreet en haar leêggestorven vest! DE SCHIM. Onze roem is dan verloren met den steun van dit gewest? ATOSSA. Bactrië verloor de hoop zelfs van het volgende geslacht. DE SCHIM. O mijn Xerxes! welke krijg'ren heeft uw waan ter dood gebracht? ATOSSA. Hy ontkwam (zoo zegt men)'t onheil, van een zwakken stoet verzeld DE SCHIM. En wat middel voert hem weder in dit land waarnaar hy snelt? ATOSSA. Hy bereikte reeds 't gevaarte dat Euroop aan ons verbindt; 't lijdt geen twijfel dat hy thans reeds zich in veiligheid bevindt. DE SCHIM. Heil'ge orakels van de Goden! in mijn zoon werdt gy volbracht. Op zijn schedel borst hun gramschap. Aan een later nageslacht hoopte 't zorgelijk vaderharte dat die straf beschoren was; - maar wie 't wraakvuur tergt des hemels, slaat de bliksem dra tot asch. Wat onperkbren vloed van plagen heeft uw onbezonnen hand, o mijn Xerxes! doen ontspringen voor dit aangebeden land! Ach! de moed van 't jeugdig harte had u 't heldere verstand met een duistre wolk omneveld, toen ge een gruwelijken band om de Hellespontsche golven, als hun meester, durfde slaan. Toen ge een' God waagde aan te randen in zijn mooit verstoorbrebaan, en de vlakte aan zijn waatren dekte met een kielenrij waar uw leger over heen toog naar den grond van de overzij, al den Goden in Neptunus tot een nooit verzoenbren smaad. Licht misleide! neen, gy zaagt niet, dat de rijkdom van uw Staat binnen kort ten prooi kon liggen aan uitheemsche plonderzucht. ATOSSA. Haatlijk ras van laffe vleiers! al die rampen zijn de vrucht van de heerschzucht die uw omgang in mijn Xerxes wortlen deed, toen uw mond in 's vaders lofspraak hem zijn werkeloosheid verweet, hem de vrede leerde haten, en, de hand aan 't oorlogszwaar dag aan dag den schat vermeerdren dien mijn egâ had vergaârd. Gy zijt de oorzaak van zijn dwaasheid, gy zijt de oorzaak van dien tocht, die den val van onze grootheid in des legers neêrlaag wrocht! DE SCHIM. Zoo is dit grootsch ontwerp met schand ten eind gebracht! Een schrikbaar voorbeeld tot voor 't verste nageslacht, eens noodlots. als nog nooit op Suzes burgren woedde, sints de Opperste der Goôn der volken macht en hoede den deugden van één' Vorst vertrouwde. 't Was een Meed die 't eerst dees streken voor zijn scepter knielen deed: zijn kroost, zijn edel kroost, dien vader waard in wijsheid, verving in 't rijksgebied zijn afgeleefde grijsheid, en sterkte dag aan dag den vaderlijken troon. Hem volgde Cyrus op, de liev'ling van de Goôn, wien 's helden deugd behaagde en hartelijke beden. Dees deed door krijgsbeleid de rondgelegen steden de macht erkennen van zijn onafweerbaar staal, maar schonk zijn volk de vrucht van zege- op zegepraal, een duurzaam vredeheil. Naauw meester van dees staten, verloor zijn zoon het licht. 't Rijk werd ten prooi gelaten aan de eerzucht van een Maag, wiens schaamtelooze voet den troon betreden dorst van dit doorluchtig bloed, tot Artaphernes en zijn moedige eedgenoten (door loosheid of geweld) des dwinglands val besloten. Zoo schonk my 't gunstigst lot de koninklijke kroon en zegen aan mijn volk, ik-zelf, 'k was meê gewoon aan 't hoofd te strijden van mijn dappre legerbenden, maar nooit, door zucht naar roem de rust van 't land te schenden. Mijn zoon vergat de les die ik hem stervend gaf, en stichtte uw onheil. Neen, nooit dreigde zulk een straf, (gy weet het, dierbren, wien een vroeger eeuw zag bloeien) wat vorst den troon bezat , de Perzen uit te roeien. DE REI. Ach! meld veeleer wat raad 't geledene vergoedt, of 't kwaad kan stuiten dat zoo ijslijk op ons woedt. Wat baat het, of uw taal ons, felbezorgden grijzen, de deugd der vaadren op dit uur poogt aan te wijzen? DE SCHIM. Geen Pers stoor immer met een Godverwaten arm de rust van Griekenland door 't staal, al hadt ge een zwerm van stijdren, grooter nog dan 't leger waar we om klagen. Hun grond zelf is in staat den vijand te verjagen. DE REI. Hoe! de onbezielde grond biedt onzen krijgren weer? DE SCHIM. Die 't zwaard ontvluchten mocht, valt van gebrek ter neêr. DE REI. Nog is ons, voor het minst, één leger bijgebleven. DE SCHIM. Helaas! dit derft weldra op d' eigen grond het leven. DE REI. Heeft ons de zaalge hoop bedrogen, dat het meê te rug toog over 't nat van Hellaas enge zee? DE SCHIM. Slechts weinig zal de roê van 't straffend noodlot sparen. 't Orakel spelde 't my, wiens echtheid wy ontwaren in 't onheil dat ons drukt. Verblind door wanhoop ,liet mijn zoon dat leger na in 't vijandelijk gebied, daar, waar Azopus vloed zijn beroerde wateren in 't rijk Beötië door hem bevrucht, doet klateren. Daar opent zich voor hen een onvermijdlijk graf; hun dolle plonderzucht tot een gerechte straf, wier hand zich niet ontzag de Godgewijde altaren en 't beeld der Goden in hun woede niet te sparen. Maar heel den tempelraad te rooven, en in 't end de heil'ge tempels zelf, door hen alleen miskend, ten offer aan de vlam te geven. Ja, de Goden, door zulk een hoon getergd, verpletteren die snoden met neêr- op neêrlaag. Want nog hangt een zwangre wolk het overschot op 't hoofd. Een ijsselijke kolk van bloed breekt op den dag der Dorische geweeren Platéaans vlakten uit. Het nageslacht zal leeren. wanneer 't den moord verneemt van dien verschrikbren dag, dat zich geen sterveling zoo stout verheffen mag. Der menschen trotschheid maait een oogst van bloed en tranen voor alles wat zy zaaide.o! Laat de Perzianen, Atheen en ;t gansch tooneel van de ondergane schand' gedachtig, nimmer weêr den bloei van 't vaderland voor 't lokkend uitzicht op veroveringen wagen. Er leeft een Jupiter, die hovaardij verlagen en 't kwaad, door haar gesticht, ten goede keeren kan. En nu, dat Xerxes naakt geliefde rei! verban den hoogmeod uit zijn hart, die menschen tergt en Goden: zijn afgematte geest heeft wijzen raad van nooden. Gy, teedre en dierbre Gâ! breng uw bedroefden zoon een kleeding naar zijn rang. Door d' onverduurbren hoon, die al zijn hoop verwoest, in 't harte diep gebeten, heeft hy het vorstlijk kleed uit rouw van een gereten. Nu hangt het achteloos aan flarden on zijn lijf. Voor alles, dat uw stem die woeste drift verdrijv'. Door haar slechts kan de rust in Xerxes borst weêr dalen. Vaart wel: ik keer te rug in Plutoos sombre zalen. Gy, dat die felle ramp u njet in wanhoop stort'! Geniet van dag tot dag dien levenstijd zoo kort, waarin ge op 's noodlots gunst u nimmer kunt verlaten: in 't rijk der dooden zal geen rijkdom meer u baten! ISAÄC DA COSTA (1798-1860) DE PERZEN (1816) ZEVENDE TOONEEL DE REI, ATOSSA ------------------------------------------------------------------------ DE REI. Helaas! hoe wordt onze angst vermeerderd, daar zijn moed ons nieuwe jammren in de toekomst heeft verkond! ATOSSA. Gerechte Goôn! ziet neêr op alles wat wy lijden! Moet hoe veel zorgen heeft mijn moederhart te strijden, wanneer 't den hoon herdenkt eens zoons, ter naauwernood, van dekking zelfs beroofd, ontkomen aan den dood! Ik keer een oogwenk in d' ontsierde vorstenwoning, en poog te rug te zijn voor de aankomst van den koning; mijn zorg verschaft hem dra een schitterend gewaad, Vloekwaardig, die zijn kroost in 't ongeluk verlaat! ISAÄC DA COSTA (1798-1860) DE PERZEN (1816) ZEVENDE TOONEEL DE REI, ATOSSA ------------------------------------------------------------------------ DE REI. Helaas! hoe wordt onze angst vermeerderd, daar zijn moed ons nieuwe jammren in de toekomst heeft verkond! ATOSSA. Gerechte Goôn! ziet neêr op alles wat wy lijden! Moet hoe veel zorgen heeft mijn moederhart te strijden, wanneer 't den hoon herdenkt eens zoons, ter naauwernood, van dekking zelfs beroofd, ontkomen aan den dood! Ik keer een oogwenk in d' ontsierde vorstenwoning, en poog te rug te zijn voor de aankomst van den koning; mijn zorg verschaft hem dra een schitterend gewaad, Vloekwaardig, die zijn kroost in 't ongeluk verlaat! ISAÄC DA COSTA (1798-1860) DE PERZEN (1816) NEGENDE TOONEEL XERXES, DE REI. ------------------------------------------------------------------------ XERXES. Wee my! wee my! 'k heb u verloren, geliefde hoop van beter tijd! Gy die my 't grievendst leed, o noodlot! hadt beschoren, ik zie te welm, dat ge onverbidlijk zijt. Mijn afgematte knieën trillen, en wat mijn jagende angst moest stillen, 't herzien van dit paleis beknelt mijn hart nog meer. O, waartoe moest naast mijn verpletterd heir, Jupiter! uw bliksem my slechts sparen? DE REI. Der Perzen bloem, der Perzen roem is heengevaren. Dees kermende aarde vraagt haar eer. zy vraagt haar spruiten weêr. die gy, o Vorst met Pluto zaâmverbonden gaaft weg te maaien aan den dood. Ook Ektbataan ziet zich geschonden door 't jammerlijk verlies der helden uit haar schoot vergeefs beroemd door leeuwen moed en krachten. XERXES Helaas! wat stof tot eindeloooze klachten! DE REI. Vorst van dit eenmaal machtig rijk! Zie 't thands verneêrd, vertrapt in 't slijk. XERXES. En 't heeft aan my zijn val te danken My, wien dees grond het leven gaf, zich zelv' en mijn geslacht ter straf! DE REI. Wy bieden u slechts jammerklachten en tranen aan voor welkomstgroet: heft onze stem zich tot de wolken, wy vieren de uitvaart uwer volken, waar ons 't geteisterd hart van bloedt. XERXES. Ja, heft een luiden kreet naar boven! Hy dringe my door 't rouwend hart! Zoo 'k my van alles zag berooven. uw zang vernieuwe in my de smart! DE REI. Gy zult, gy zult een doffen rouwzang hooren Wy zijn gereed te melden wat gy hebt verloren, en al ons leed: en hoe de God van krijg en zegen in vreemde lucht des vijands degen deed zamenspannen met de zee om ons te domplene in wee. XERXES. Mijn vrienden! houdt niet op te klagen! Gy moogt my vrij naar als onheil vragen. DE REI. Waar bleef, waar bleef uw trouwste raad, Alpist, de steun van dezen Staat, die fiere krijgsman die in de aderen 't bloed onverbasterd draagt van zijn doorluchte vaderen, die met zijn duiszenden uw krijgstocht heeft verzeld? Ligt hy daar meê op 't bloedig veld, den vijand tot een zegeteeken? Waar bleven Psammis, Datames, en Suzas en Pharandaces? Waar al de grooten deze streken? Waar bleef Susiscanes, de roem van Ekbataan? XERXES. Die zijn vergaan! die zijn vergaan! Ik zag hun menigte op de rotsen van Salamis zieltogend botsen en sterven op dat strand, geverwd van Perzisch bloed. Is ook Artembares gebleven? Pharnuchus, door ontembren moed, Sebalces, door zijn rang verheven? Masistras, Memphis, Tharubis. en de uit een vorstenstam gesproten Liléus? Treft ook hun gemis u by den dood van zoo veel andre Grooten? XERXES. Wat reeks van helden voert uw taaal my voor den geest? Helaas! ook dezen zijn geweest. Het oog gewend naar die gehatemuren, waar al ons onheil uit ontsproot, zijn zy gedood. Ik kan het denkbeeld niet verduren, het hart krimpt me in, mijn gantsche lichaam beeft, terwijl de stem my in den gorgel kleeft. DE REI. En Xanthes, de overste der onverschrokken Marden? En die, van krijgen onverzaad, zich tegen moeilijkheên en lijfsgevaar verhardden, de ruitrenhoofden, Cigdabaat, Lithymnas, Arsaces? Zaagt ge ook die helden vallen? XERXES. Met mijn ontelbre duizendtallen zijn zy door 't eigen lot verrast. Ach! al die uitgelezen braven zijn onder bergen doôn begraven, van 't eerbewijs beroofd, dat zulke helden past. DE REI. Rampzalige offers van den toorn der hemelingen! Uw neêrlaag stort ons allen neêr. Van enkel ramp zien we ons omringen; daar is voor ons geen redding meer Met de allerijsselijkste plagen heeft ons des noodlots hand geslagen: en, laat zijn woeden eindelijk af, 't is onmacht om nog grooter straf by wat wy lijden uit te denken. Wanhopig vlieken wu den dag, die onzen roem, die al ons heil moest krenken, en voor de Grieksche vloot denPers verzinken zag. XERXES. O welk een heir heb ik verloren! Wat diepe val was my beschoren en heel dit uitgestrekt gebied! Van al de pracht waarmeê 'k mijn scharen ten verren oorlog deed vergaâren in deze pijlbus 't al,wat my de hemel liet. herinnert my de harde rampen, waarmeê gy allen hebt te kampen, en die gy wijten kunt aan uw misleiden Vorst. Kweekt, kweekt de wroeging in mij borst! Laat sombre rouw- en zoengezangen hier uit uw mond mijn wanhoopkreet vervangen! DE REI. - EERSTE KEER. Herinnering aan beter tijden! Hoe foltert gy d' ontstelden geest! Te midden van het vreedste lijden gevoel ik wat wy zijn geweest. Ik kan het denkbeeld niet verjagen dat onophoudelijk om my zweeft: de welvaart die mijn oogen zagen, en die 'k helaas! heb overleefd. EERSTE TEGENKEER. Tot aan het blaauw der hemelstreken Reikte onzer Perzen oppermacht: door Godenhulp en 't zorglijk kweken van eedle Vorsten op gebracht. Haar breede takken hingen over op heel dit aangebeden land, en onder schaduw vanhun lover was 't hoogst geluk in onzen band. TWEEDE KEER. Houd thands, o Pers! het hoofd gebogen, uw eens zoo fier gedragen hoofd. De gunst der Goden is vervlogen: uw eer, uw bloem is u ontroofd. Wat zoudt ge. droeven, thans nog pralen? met een u ongetrouwen Vorst, die voor een ijdel roembehalen uw gantsche welzijn wagen dorst? TWEEDE TEGENKEER. Vraag, kinderes, moeders, echtgenooten! aan uw te diep verneêrden heer uw dappre vaders en uw loten, uw jeugdige egaâs nimmer weêr, Zy rusten in den schoot der zeeën of in 't met bloed gedrenkte zand, en zijn bevrijd van al de weeën van hun rampzalig vaderland. DERDE KEER. Trekt, Grieken! onze muren binnen gy, gunstelingen van het lot, die onze krijgren mocht verwinnen! verplet hen treurig overschot! Wat staat ons thands niet nog te wachten, na 't geen dees dag ons heeft verkond? Wat hoop nog kan ons leed verzachten? Wat, balsem storten in de wond? DERDE TEGENKEER. Gy, die in tempels en altaren gehoond door krijgsmansovermoed, uw wreekte in 't bloed van onze scharen! is nog die schennis niet geboet? Of zijn wy zelve te misdadig. en is voor ons geen deernis meer? Voor 't minst, o Goden! ziet genadig op onze onoozle telgen neêr. XERXES. Wat Godheid geeft my ooit mijn dierbaar lager weêr? SLOTZANG. Staak, o Vorst, het nutloos kweken van uw tomeloze drift: wil veeleer den Hemel smeken met gebeên en offergift! Laat ons onheil dit u leeren, u en 't laatste nageslacht: Wie een Godheid durft trotseeren wordt ten wissen val gebracht!