ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN BILDERDIJK Mijne gloênde borst verlangt naar lucht! mijn kloppend hart, om uit te spatten! Van echte dichterdrift bevrucht, kan haar mijn geest niet meer omvatten! Leer, leer me, o groote Dichtrenvorst, wiens beeld geprent in deze borst die poëzy verwekt, wier vlammen my verslinden! Leer me in de galmen van mijn lier, leer me op 't bezielde dichtpapier mijn hart, en wat dit hart voor u gevoelt, hervinden! Mijn ziel, geschokt, aan de aarde ontvoerd, en boven eigen kracht verheven, vindt, by den God die haar beroert, en taal en versmaat zonder leven! Hoe zal een menschelijk geluid, als 't rijk der Englen zich ontsluit, en 't Godaanbiddend paar van Schoon- en Waarheid dalen, den toestand van 't verrukte hart, dat in de louterende smart van eigen nietigheid zich baadt en wegsmelt, malen? Hy moog dit, hy, wiens forsche moed voor onze galmen, onze woorden een nieuwe zieltaal leven doet, een nieuwe wereld van akkoorden! Gy moogt dit, Bilderdijk, ja gy! gy, enkel hart en poëzy! die, koning onzer dichterwereld, een kroon draagt, met den blanken gloed der deugden van uw vast gemoed op 't Godgetrouwe hoofd bepereld! Vervuld van 't hemelsch ideaal, dat in u de oorsprong is van 't leven, moogt gy aan melody en taal dien Goddelijken indruk geven! Gy moogt het wederspannig stof ontstoffelijken, God ten lof, en, oppermachtig, 't rijk van klank en zang regeeren! Wie niet dien gouden schepter torscht, dien moet de dichtvlam in zijn borst, daar zy geen uitkomst vindt, uitblaakren en verteeren! Wat zal ik dan, als mijn gevoel zich-zelf herscheppen wil in zangen? Ik heb geen uitdruk, dan te koel, om 't vuur mijns harten op te vangen! Moet dan die hartevlam versmoord? - Neen! dringe u 't onvermogend woord op d' adem van den wind, o Bilderdijk in de ooren! Daar vormt het zich tot poëzy! Gy leent het kracht en melody, en leest in 't gloeiend hart, waaruit het werd geboren! Ja, lees, lees in uws kweeklings borst, in echte waarheidzucht ontsteken! Zie daar zijn doel, zijn heil, zijn dorst, en 't eenig voorwerp van zijn smeeken! En o! die Godgewijde drift, wat is zy me ander dan uw gift, meer groot, meer koninklijk dan alle wereldtroonen? Ge ontwikkeldet die hemellust in 't hart, zich-zelf nog niet bewust, en 't zwol van grootschen moed op 't zwellen van uw tonen! Ja! 't zwelt van moed! van dankbaarheid! 't Voelt zicht verdubbeld in zijn leven! 'k Besef, ik weet het, wat het zeit, 't geen God door U my heeft gegeven! My, balling van zijn zalig Oost, my, sprank van Juda, Jacobs kroost, eens bloeiend nog in 't Zuid, maar uitgedord in 't Noorden, hebt gy hersteld van 's noodlots woên, van 't lagn verval herâmen doen, my-zelf erkennen, en......o hemel! zijn er woorden? Vergeet' my mijner vaadren God, zoo 'k ooit uw weldaad zal vergeten! Vervolg' my menschdom beiden en lot; ik zal me uw kweekling immer heeten! O! brandend, kokend hijgt mijn jeugd, om op uw spoor voor Waar en Deugd (verleen' my God de kracht, en blijve aan Hem de glorie!) in dien ontzachelijken strijd, dien de Afval aanheft van dees tijd, den dood te zoeken, of een heilige viktorie! Neen, Teitsterbantsche krijgsbanier! niet vruchtloos zult gy u ontplooien! Een onverdoofbaar heldenvier doet uwer scheptren gloed ontgloeien! Waarheen ge ons vóórgolft, volgen wy, wy, door de helsche razazerny va 't lastrend volksgeschreeuw nog onverleid gelaten! Wy, door een andren trek bezield, dat 't geen deze aard nog overhield voor hen, die, ter eer, God en zich zelf vergaten! Leere ik het dichterlijk rapier met onverwrikte hand regeeren! Leere ik met wijs doordacht bestier het Recht van Schoon en Waar verweeren! En dan op 't monster aangerukt, den Waan, die deze onze eeuw verdrukt, en al wat hart heeft daagt te wapen! En dan, den lofgalm afgewacht van een verbeterd nageslacht, ter eer van Bilderdijk, den dichter, den rechtschapen. U, u o teêrgeliefde Vriend, u zij de lauwertak geheiligd, zoo ooit mijn schedel hem verdient, die voor vergetelheid beveiligt! U, u behoort mijn poëzy, die ik aan Waarheid wijde, als gy, u, 't diep erkentlijk hart, dat lucht zoekt in haar tonen! O! als dat hart zich-zelf ontschiet, en u zijn gloêde hulde biedt, zal 't uwe, o Bilderdijk! zijn onmacht niet verschoonen? ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN BILDERDIJK MET HET EERSTE DEEL MIJNER „POEZY." Aan U behoort het rijk der Nederlandsche zangen! - Bezit ik mooglijk daar een enkel plekjen grond, ik heb dat edel goed van U in leen ontfangen: met vreugde erkennen dit mijn boezem en mijn mond! Met verzen uit mijn hart (geen bloote plechtigheden!) verheergewade ik U dichterlijke leen, ontfang mijn hulde dan! Ontfang op nieuw mijn eeden, uw baanders trouw te zijn door alle tijden heen, het zij een nietige aard my toejuicht of veroordeelt, 't zij roem mijn deel moet zijn, of een roemwaarde val! En huldige ik aldus, op uw doorluchtig voorbeeld, den Opperleenheer van 't Heelal! 1821. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN BILDERDIJK Een lofzang, Bilderdijk! een lofzang tot den hoogen verkondige onze stem de glorie onzes Gods! De zegepraal genaakt van CHRISTUS Alvermogen op menschlijke ijdelheên en aardsche wijsheidstrots! De Vorst des levens heerscht, Zijn rijk op aarde nadert, het valsche licht bezwijkt, de nacht der logen vliedt! De kudde, door Gods Geest onzichtbaar t' zaamvergaderd, verwacht den Herder, die Zijn leven voor haar liet. Vergeefs verloochnen Hem ontaarde Sadduceën, wier waanverlichting thands de wereld overheert, wier haat, afschuwlijker dan die der Phariseën, het kruis van Jesus hoont, en schijbaar triumfeert! De Hemel van 't gejoel dier tegensprekers storen: we ontwaren reeds van verr' de ontzachlijke bazuin, wier vollen klank weldra de Duivlen zullen hooren, en storten, dol van schrik, hun eigen rijk in puin! Wy zien den ochtendglans, die d' aakligsten des nachten vervangt, en zwanger gaat van hemelheerlijkheid. Bespotte, vloeke de aard! Wy weten wien wy wachten Wy weten, wat triumf den Christen wordt bereid. Heil ons! wy zien de wolk der toekomst zich ontplooien. De strijd beslist zich. 't bloed der martelaren vloeit, de Zoon des menschen komt! Tien duizend Heilgen stroooien den palmtak voor Hem heen, in 't Paradijs gegroeid. Heil my! dat ook mijn hart in de Evangeliebladeren de stem erkennen mocht des Konings an 't Heelal! Heil my! dat ook mijn geest de tijden mag zien naderen van Jesus weêrkomst en des Aartverleiders val; de Profecy zich in de teeknen zien verklaren van ieder nieuwen dag, die aan de kimmen rijst, ja zelfs de heemlen dat Jerusalem zien baren, op wiens geboortestond de hoop des Christens wijst. Mijn Vader! kan het zijn? Was my dat heil beschoren, Gods Zoon te erkennen in het Wicht van Bethlehem? My, in de dwaling van dat Israël geboren, sints achttien eeuwen door voor eens Verlossers stem? My, my onwaardige sloot zich die hemel open, die hemel van geloof in Jesus Christus naam? 'k Mag op de heerlijkheid der Englenwereld hopen, ik, aardworm, die me 't licht zelfs dezer aarde schaam? Ja! 'k mag het! 'k Zie den tijd, den tijd van glorie naderen, die heil moet brengen aan heel 't kroost van Abraham! God wil het overschot dier droeven weêr vergaderen, die afgehouwen zijn van d' allereêlsten stam! Ja! 'k roem op Uw genâ, gezegend Alvermogen! (o! dat dit roemen door heel de aarde werd gehoord!) de schel des ongeloofs viel eensklaps van mijn oogen - 'k werd Christen...God van heil! Bezegel dit mijn woord! 't Was daartoe, dat de hand der alvoorziende Goedheid van de eerste kindschheid af mijn dagen strekken deed! Want ach! die kindertijd, voor andren zoo vol zoetheid, was my een bronwel van verteerend boezemleed; en 't rustloos gevoel, dat toen mijn ziel bezwaarde, bleerf, drukkender dan ooit, mijn sombre jonkheid by: ik vroeg om laafnis by den hemel en by de aarde - den hemel kende ik niet, een de aarde haatte my! Toen leidde my Gods gunst tot U, mijn vriend! mijn Vader! Ik zag U, en mijn hart ging open voor de hoop. Uw wijsheid vormde my verstand en hart te gader, uw hand ontsloot voor my een nieuwen levensloop. Gy leerder me uit de lier een nieuwen zangtoon lokken, doch niet voorde aarde! Gy, voor Schoonheid, Waarheid, Recht, met enkel poëzy gewapend, onverschrokken ten strijd gaan, schoon ons de aard haar lauwer ook ontzegt! Gy, bovenal, de list des Ongeloofs verneêren, terwijl het om ons heen zijn helsche zaden strooit, het bloed, waaruit ik spruit, beminnen en waardeeren, en Isrels Heilgen God aanbidden, meer dan ooit! „Mijn zoon! Blijf aan de hoop op uw Messias kleven, „de hoop des Christens is, als de uwe, uit Israël! „uit Israël ons licht, en zaligheid, en leven, „der heemlen glorie, en de nederlaag der hel." Dit zeidet ge, en niet meer! Noch drongt my 't woord van 't Leven voorbarig op! Uw taal schoot wortels in mijn ziel! Maar o! (gy wist het) God-alleen kon wasdom geven aan 't hemelzwangre zaad, dat in die aarde viel! Nu voelde ik 't Oostersch bloed ontvlammen in mijn aderen van ijver voor mijn stam. 'k Sloeg zijn ontwikkling gâ; 'k doordacht het noodlot van mijn Palestijnsche vaderen, hun glorie by 't genot der hemelsche genâ; hun droeve ballingschap in jammer en verachting, sints zich het Christendom ontwikkelde uit hun grond; hun door alle eeuwen heen standvastige verwachting op Hem, die komen moest naar luid van 't Godsverbond; 'k doorzocht de Schriften; 'k drong den geest in dier Rabbijnen, vol Oosterwijsheid, maar omneveld met een nacht van tegenstrijdigheên, - doch die by 't licht verdwijnen der blijde Boodschap, door 't hardnekkig volk veracht. - En 'k vodn... in 't Vorstelijk Kind der needrige Maria den Godlijken Propheet, door Moses mond beloofd, den God en Vredevorst, voorspeld door Esaïa, den Zoon van Adam en van David, beider Hoofd! Ik vond mijn Heiland, mijn Messias en mijn Koning, mijn Schuldverzoener en den Rechter van mijn lot, wien de Englen heil'gen in de driemaal heil'ge woning, asl d' Eengeboren Gods, één met den Vader, God, God, die gekomen is in al de smert der aarde, die wederkomen zal in volle heerlijkheid, om 't Rijk der Waarheid, dat Zijn woord ons openbaarde, te stichten op den Tijd, wiens volheid zich bereidt!... Een lofzang, Bilderdijk! Een lofzang tot den hoogen! verkondige onze stem de glorie onzes Gods! Ga, Dichtkunst! oefen hier uw goddelijk vermogen! Verstomme 't Ongeloof en siddre 's werelds trots! Schept moet, gy Christnen, wie dees nietige Eeuw durft honen! Den spot des spotters zal der dichtren voet vertreên! Schept moed, gy schapen! Voor den donder onzer tonen vliedt reeds de oneedle wolf met hangende ooren heen. Zweeft om ons, Englen van den hemel! leert ons zingen! Dat onze poëzy, door hooger geest bestuurd, die korst van aardschheid mag doorweken en doordringen, waar helsche twijflarij de harten in bemuurt. Leent de ooren aan ons lied, gy afgedwaalde Joden! Gy, broeders naar het vleesch van wie ons heiligst is! Ja! wy verkonden U dien zelfden God der Goden, die eens op Sinai daalde in heilge duisternis. En gy, o voedstrares dier Joden in hun zwerven! gy, Neêrland, rijk bedeeld met Christus heilgenâ! het geen de machtigen der wereldrijken derven, dit schonk de hemel U! O! sal u-zelven ga! U schonk Hy de edelste der talen van het Noorden, (zie toe, en luister, noch misken uw overvloed!) u de onvervalschte leer dier Kerk, die in alle oorden onzichtbaar opgroeit voor den dag, die tot ons spoedt. Nog meer! gemaakt de tijd, dat over half der aarde die taal, die leer zich uit uw schoot verbreiden zal, en de uitverkoornen Gods haar beider heil'ge waarde erkennen zullen, en belijden voor 't Heeal? En gy, o Bilderdijk?...Mijn hoop! Gy moogt niet spreken! Mijn oogen! Sluit u voor een toekomst, zoo vol glans. O! blijve slechts dat hart zijn heilverwachting kweken, en trooste 't schoon WELDRA voor 't jammerdragend THANDS! Maar wy, volharden wy de dichterlijke tonen te waapnen tegen de Eeuw, tot dat haar laster zwijg'! Wie ons miskennen moog, bespotten, haten, honen; VREDE IN DES HEEREN NAAM! AAN DE ONGODISTEN KRIJG! 1822. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) Bilderdijk De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn. - SALOMO. Neen, Bilderdijk! wy siddren niet, schoon hel en wereld woede! Schoon Satan knarstande omn ons lied, wy zingen 't in Gods hoede! Schoon de aard vervloeke wie haar wekt, om God, haar Heer, te loven, de stem, die ons ten hemel trekt, zal 't woest gejoel verdoven! Verbinde zich èn aarde èn hel, om onze moed te smooren, God heeft Zijn geestlijk Israël tot zegepraal verkoren. Met wapenen van vleesch en bloed moog ons de haat bestrijden! Wy wachten ze af met Christenmoed; God heiligt door het lijden! Of zendt ons onze Vorst in 't veld, Zijn geest zal ons vezellen, en ieder onzer is een held, die Goliaths zal vellen. Ons schild in Gods Voorzienigheid, ons zwaard, het woord der Waarheid, dat 't binnenste der harte scheidt, en glinstrend is van klaarheid! Zoo dringen wy het heir terug van 't helsche bondgenootschap, en God maakt onze voeten vlug door de Evangelie boodschap. De zege, dierbre Christenknecht! de zege kan niet falen! Ze is ons door God-zelf toegezegd, Hy zal ze ons doen behalen! Behalen, schoon hun overmoed ons 't lijf ter dood moog prangen, als onze ziel den welkomstgroet der Englen zal ontfangen! o Bilderdijk! van op den Rots, dien de Almacht voor ons bouwde, galm uit de donder onzes Gods, dien U Zijn Geest vertrouwde! Galm uit dien schellen oorlogskreet, den kreet der hemelridderen, die, dringend door des afgronds spleet, Beëlzebul doet sidderen! Op dezen kreet ontstak mijn bloed, mijn bloed uit Davids aderen en 'k voelde me in gewijden moed, tot Jesus heir vergaderen. Hoort niet mijn hart ver in de lucht, de hemeltrommen rommen? Is niet der Kerkbruid droeve zucht tot 's Bruigoms troon geklommen? Daalt niet der legerscharen God, om aan ons hoofd te strijden?... Beslist is 't hachlijk oorlogslot! Stort neder, ongewijden! Hy, die de sterren roept by naam, by naam Zijn Englenorden, Hy, Hy herschiep ons door Zijn aâm, Zijn heil zal ons omgorden! O! welk een glorie! welk een heil! den kruisvaan mag ik dragen! 'k Heb alles voor mijn Heiland veil, ik durf den aanval wagen! Zwak is mijn arm, maar God is trouw, en Hy zal niet gehengen, dat ik behouden blijven zou, waar ik mijn bloed moest plengen. Neen! 'k plant den vaandel op het slot, dat de Eeuwgeest dorst bezetten! Of moog', ter eere van mijn God, 't geweld mijn hoofd verpletten, dan blikk' my, met dien dierbren vaan geklemd in stervende armen, de gloriedag van Christus aan, en 't uur van Gods erbarmen! 1824. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN BILDERDIJK BY HET AFSTERVEN VAN ZIJN' ZOON JULIUS WILLEM. ------------------------------------------------------------------------ Ja, TRANEN ZIJN ONS DEEL OP AARD, En wat de weg des levens baart, is distel voor den voet, en voor de lippen alsem! Hier treffen slagen, waar wy treên, hier groeien jammren rondom heen, en d aarde die ze teelt, teelt ons leed geeen balsem. Dit klonk uw lier, doorluchte Bard, zoo vroeg reeds aan de wrangste smart, 't hardnekkigst lijden, prooi gegeven! Dit klonk die lier, wier melody steeds somber, maar steeds groot en vrij, de waarheid in den toon der Poëzy deed leven. Gy wachttet sints uw eerste jeugd, van geen ontluisterde aarde vreugd, dan die geboren wordt uit moed en plichtsbetrachting! Gewapend tegen 't grimmig lot, met onbeperkte hoop op God, en met de toovermacht der Dichtkunst tot verzachting! Ach! 't was geen aardsche tegenspoed, die zulk een steun, die zulk een moed in d'eedlen boezem kon verwrikken!! Des noodlots toorn verzelde uw schreên! Gy zaagt haar dreigende om u heen met onverzette blikken! Maar ach! een ijsselijker slag dan al wat jammer heeten mag, trof uw in 't leed vergrijsde haren! Een slag, o God!... O! had mijn bloed den eisch van 't ijzren lot geboet, het had gestroomd, om hem uw hoofd te sparen! Vergeefs ontzag het brandende Oost, ontzag de storm het dierbaar kroost dat aan den boezem snelt, te lang van hem gescheiden! De dood staat van haar prooi niet af en de akelige toon van 't graf vervangt het welkomstlied, wiens galmen hem verbeidden. Wie zal, wie kan het thands bestaan, de bittre, hartverscheurbre traan, die op de wangen brandt der ouderen, te drogen? Wie spreekt hier ijdle troostreên uit, verzwolgen in het smartgeluid, waarin de spraak verstikt by 't onbescheiden pogen? Neen! wieuw zielsgevoel vertaat stort hier geen machtelooze maat om de overstelpte borst aan 't foltrend wee te ontscheuren. Zijn lier, omfloersd met treurend zwart, geeft slechts den doffen toon der smart en wat zijn hart vermag, is met het uw te treuren! Van U alleen, o God komt troost! Gy geeft, en Gy herneemt het kroost, waar 't ingewand aan kleeft, die ziel in leeft der ouderen! Is niet van U en ramp en vreugd, en 't aardsche lijden zelfs der deugd? Verlicht niet Gy den last van de afgetobde schouderen? Van uit Uw alomvattend Hof, waar 't alles juicht in Uwen lof, slaat Gy Uw droeve kinders gade; en uit de diepste kolk der smart verheft Uw hand weêr 't zinkend hart, en de Englen loven Uw genade! Der troostelooze moeders zucht zal niet versmelten in de lucht, maar voor Uw glansrijk aanzijn stijgen! De kreet des vaders om zijn zoon, dringt door, o God, tot voor Uw troon, en doet de hemelvreugde zwijgen! De geest des afgestorv'nen leeft! De geest des afgestrv'nen zweeft naby het kwijnend moederharte! Zijn geest omzweeft dat achtbaar hoofd, in leedverduring afgesloofd, en lenigt, ongezien, zijn smarte. Ja, heilboô van Gods oppermacht, zal hy in schaduw van den macht u 't uur verkondigen, dat onzen boei moet slaken; den heildag, die het gantsch Heelal in d'éénen God vereenen zal, en in der schepslen heil des Scheppers werk volmaken. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DE LEDEN DER TWEEDE KLASSE VAN HET KONINKLIJK-NEDERLANDSCH INSTITUUT BY DE OPENING DER EERSTE ZITTING IN 1844. Weest my gegroet, in dank aan Gods algoedheid, aan deze plaats die ons weêr samenbrengt. op dezen stond, die tevens ernst en zoetheid by 't achterwaarts- en voorwaartsblikken mengt! Het jaar vloog heen: een nieuw is ingevallen! Wat toekomst bergt zijn vale dageraad? Wat toekomst wacht den weg dier duizendtallen, met wie de rust van Neêrland valt of staat? Wat toekomst rijpt voor Vaderland en Koning, ons volksbestaan en zorgen, klein en groot, ja, voor de dienst, (geen bloote plichtbetooning) die dienst van God, waar alle heil uit vloot? En - maakt ook dit een deel uit van Zijn gunsten, van wien alleen ons toestroomt alle licht, - wat toekomst daagt voor Wetenschap en Kunsten, waarvoor we ook hier een zetel zien gesticht? Ook wy toch zijn hier tot geen ijdle glorie; ook aan dees kring werd toebetrouwd een pand: de taal des volks, de rol van zijn historie, die gift van God, dat wonder van Zijn hand. - Aan ons de taak, om voor die spraak te waken, van menig kamp het blijvende gewrocht, vol hemelvuur, om harten te doen blaken „o dat zy steeds haar roeping kenne mocht!" voor plicht, voor recht, voor elke reine liefde, door God, voor God en Christus kruis te zaam, vol balsemzoets, waar zonde of onspoed griefde, tot zalving door het roemen van dien Naam! - Aan ons de taak, om 's lands historiebladen te louteren van elke dwalingsmet, tot spiegelrein-hergeven van die daden, waar heden nog de weêrglans van ontzet; van eeuw tot eeuw herhalend door wat wegen, by 't koesteren der Evangeliezon, dit plekje wier, ten golven uitgestegen, aan Koningen eens wetten geven kon; dit plekje wier, bewassen met Oranje, by d' aanloop van den vollen Oceaan van Galliër of Brit als van heel Spanje, bewaard bleef op den noodkreet: „Wy vergaan!" - En wy ook thands, wy schudden op de baren (o! 't zij nog zoo!) dier Gallileesche zee. Zoo heff' zich dan, by Nederlands bezwaren, ook van dees plaats in stilheid onze beê: Oud-Neêrlands God, by welk een last het kwijne, delge allereerst voor Hem uit onze schuld! En dan - dat goud, dat zilver, - het is Zijne, dat ooit naar eisch de breede bressen vult. - Der Vaadren God zij onzes Konings Koning, ZIJN vrees de schat, de wijsheid van den Staat. Ja, maak Hy nog in Neêrlands harten woning, wiens naam is Heil en Wonderlijk, en Raad! - En ook aan U, o Grijzaarts in ons midden! heil, heil in Hem, terwijl uw avond daalt, terwijl een jeugd, waarvoor wy met u bidden, reeds onze jeugd in frischheid overstraalt! Voorts, Medeleên! zoo Vaderlandsche plichten verbonden zijn aan d' arbeid dezer plaats, zoo ook van hier een wapen is te richten ter weering èn der dwaling èn des kwaads, zoo Kunst en Smaak, zoo Onderzoek en Weten zich aan de dienst der Hoogste Waarheid huwt, zoo zij dit snoer niet roekloos losgereten, en ruste er heil op Neêrlands Instituut! ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DEN DICHTER CALISCH, IN ANTWOORD OP EEN AAN MY GERICHT VERS. Neen! 'k ben geen dwaalspoor ingetreden, als 'k door Gods waarheidswoord geleid, in 't stof der aard heb aangeveden voor des Gekruisten heerlijkheid! Als ik den Goël hulde bood. Verwinnaar over zonde en dood. o Calisch! zoo mijn krachten zonken, mijn ader stolde vóór den tijd, mijn allerlaatste levensvonken zijn aan een hooger zucht gewijd! Sints Davids harplied voor mijn hert geen dichtkunst bleef, maar waarheid werd. Neen! 'k ben niet levende gestorven, 'k ben stervend levendig gemaakt, als door genade, ook my verworven, mijn boezemketen werd geslaakt; als aan mijn oog de schel ontviel, als ik een God vond voor mijn ziel! o Dichter, uit den stam gesproten, waaruit ik meê de oorsprong name! o! Werden we eens nog heilgenoten in ''t heilgeloof van Abraham! Vraag naar den God van ons geslacht! Aanbid den Zoon, van ouds verwacht! o! Moog Zijn geest uw' geest bestralen! o! Dat die Zon uw hart bescheen! gy zoudt in blinkende idealen geen grootheid zoeken als voorheen. Des werelds heerlijkheid verdwijnt, waat Isrels Hoop voor 't oog verschijnt. Laat dan mijn zwakke snaren zwijgen! en vaart gy-zelf het speeltuig aan; maar zij 't galmen te doen stijgen, die met geen eeuwgetij vergaan, Het lied der Waarheid slechts is schoon in 't oor der Englen voor Gods troon. 1836. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DEN HEER EN MEVROUW DE MAREZ OYENS-WALLER, BY HUN KOPEREN BRUILOFT. Psalm CIII. - Openbaringen XIX : 9. Ook 't koper heeft zijn glans. Ook 't koper heeft zijn waarde. Maar 't koper bruiloftsfeest, waarvoor Gods gunst u spaarde, voert weldaân u te rug en kostelijker goed, dan goud of zilver geeft of afbeeldt voor 't gemoed. 't Was echtheid mild vermeerd door ouderlijken zegen, - 't was voorspoed, soms ook smart, rijk aan genadewegen, - 't was 't achtste van een eeuw, maar daarin neêrgeleid voor beider kostbre ziel het zaad der eeuwigheid! 18 Aug. 1847. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DEN HEER BOWRING TE LONDEN. Laat andren zee en land doorkruisen en doorzoeken, om de inborst van den mensch in d' omgang door te zien! Laat andren wetenschap vergaadren uit de boeken, die vaak zoo luttel vrucht voor noesten arbeid biên! Gy, Bowring! ondervraag het spraakgebruik der volken! Dit zij u 't zekerst blijk van heel den menschdoms aart! De talen feilen niet; zy zijn de ware tolken van alle kennis, die ons de Almacht openbaart. 1825. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DEN HEER H. KRIEGER SCHUMER OP DEN GEDENKDAG ZIJNER VIJF EN TWINTIGJARIGE AMBTSVERVULLING. Men belt - deez' dag voor 't minst word' knaap noch maagd geboren, zoo ver zich de oever strekt van Amstel, Spaarne of Vecht! Geen rijtuig, aangehold op onze steenen sporen, geen klinglen met de schel van d' ademloozen knecht! Geen echtgenoot twee, drie, om Schumer ongeduldig, en zich dat wakker hoof betwistend in hun vuur, maak' zich op dezen dag aan rustverstoring schuldig van 't zilvren feestgerecht, zoo vluchtig toch van duur! Ganstsch anders een vertoon, dan versch geplukte wichtjes, - een schooner galm, o Vriend! werd heden u bereid, dan 't krijten of gekreun van nuchtren aangezichtjes, in deez' hun vreemde lucht pas door u ingeleid. Wat zeg ik? Juist die kreet was immer in uw ooren welluidend als muzijk voor 't plichtgetrouw gemoed; gy zoudt ze niet versmaân, indien ze ook thands by koren, van tienmaal honderden u brachten hunnen groet, en riepen: „Onze kreet, by de intreê van deze aarde, „waar 't oog naar hooger blikt, heeft haar beteeknis meê; „indien door weeën ons een aardsche moeder baarde - „ontsluit ook de eeuwigheid zich niet met barensweê?" 29 Junij 1846. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DEN HEER JOHANNES MULLER. IN HET MY AANGEBODEN EXEMPLAAR VAN 'T VERS „AAN NEDERLAND" ENZ. De Drukkunst schenk' der taal, in maatklank meêrgeleid, vermenigvuldiging, verspreiding, duurzaamheid! Toch is eens menschen woord weldra in lucht vervlogen. Maar had mijn needrig lied iets goeds in 's Heeren oogen, zoo prent het Zijne kracht in 't hart van klein en groot! Dit, Muller! was de wensch, die uit uw boezem vloot. Wy willen ons ook hier dat zielsgevoel niet schamen, maar griffen op dit blad uw en mijn beê te zamen. 29 April 1844 ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DEN OUDSTEN ZOON, VAN EEN GELIEFDEN VRIEND, OP DEN DAG VAN ZIJNE AANNEMNG EN DOOP IN DE CHRISTELIJKE GEMEENTE ( MET EEN BONDEL VAN BILDERDIJK). De Poëzy aanbidt! zy kiest voor gloriepalmen het needrig heilsieraad van kruis doornenkroon, Ons Neêrland zoog den dauw der Palestijnsche psalmen, en Golgotha bevrucht des Dichters hoogsten toon. Neem in dit plechtig uur een bundelken dier takken, met levensooft bevracht. geliefde jongeling! ten pand aan van een zucht, die nimmer mag verzwakken, en die ik, zeegnend, u ten afscheidsheilgroet zing. Leev' Dichtkunst in uw ziel! voel Waarheid met uw harte! en, by de wisselpaân van d' ingetreden loop, gedenk, hoe om u heen verleiding lokk' of tarte, het ouderlijke huis - Gods roepstem - en Uw Doop! 1839. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DEN WELEERWAARDEN HEER P. J. J. M O U N I E R. MET EEN EXEMPLAAR VAN HET DICHTWERK „APOSTELEN EN PROPHETEN." Den Prediker, die 't woord hem van zijn God vertrouwd, en by des levens strijd steeds zekerder bevonden, met warmte nooit verzwakt, met ijver nooit verkoud, den volke week aan week volhardend meg verkonden, - den Herder, die den wenk by 't Galileesche strand vernomen, steeds zoo trouw, zoo ernstig blijft gedenken en wakend voor de hoop van Kerk en Vaderland, der kudde lammerkens met eedle voorkeur drenken, - den Medestrijder, die een deel als overnam van d' ouderlijke plicht nooit straffeloos vergeten, wanneer hy aan ons kroost de hoop van Abraham en 't woord ontvouwde van Apostlen en Propheten. 1853 ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DEZELFDE, IN ANTWOORD OP EEN GESCHENK VAN FIJNEN WIJN. Wat voert het edel druivenbloed uit vriendschaps milde hand ontvangen, (den lof wel waard van dichterzangen!) voor beeld of denkbeeld me in 't gemoed, opdat ik met een trek der pen 't vereend dichtgeschenk erkenn'? Een sap, van allen smaak beroofd, de als waterdroppel neêrgezegen, ten wortel ingezogen regen wordt, door den zonnegloed gestoofd, tot malschen wij. Aan Canaas disch hernieuwt zich die geheimnis. Zoo is wat de aard verkwikkendst biedt, waar 't hart zich voelt, slechts smaakloos water, dat met gemurmel of geklater in d' Oceaan der eeuwen vliet. Maar heiligt Christus een ons zijn, zoo wordt dat water hemelwijn. Wordt zelfs de traan, tot Hem geschreid, hoe zilt, niet zoet en balsemvloeiend, en ja (Zijn bloed ons hart besproeiend!) een voorsmaak van de zaligheid? - Zijn bloed? de vrucht der wijngaardplant, werd van dien zoen het onderpand. Waarderen we, edele Vriendin! elk voorrecht, hier van God gegeven, en zij de bittre kelk van 't leven aanvaard met d' eigen' dankbren zin! - De reine hemelbruiloftswijn zal, voor 't geloof, de Liefde zijn. 1843. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DOCTOR ABRAHAM CAPADOSE. Noch voor u, noch voor my is deze aarde gemaakt, noch de droom van haar laffe vermaken! Onze vleugels gerept! onze boeien geslaakt! om een hooger aanschouwing te smaken! Vliegen we uit naar de Hoop, die de Toekomst omkleedt met den weêrschijn van 't schoone Voorleden, uit de sombre tooneelen van 't wereldsche leed! uit den treurigen kerker van 't Helden! Ach! uw hart, als het mijn, by het roerend verval, dat de Wijsgeer vergbeetring moog wanen, by de kwijnende ziekte van 't menschelijk Heelal, werd een bronwel van bloedige tranen! Ja! de hand dezer Tijden is zwaar over de aard! 't Is een herfst, die de bosschen ontbladert! 't Is een winter, die stormen en nevels vergaârt! - maar de lente der hemelen nadert! Treure uw ziel met de mijne over Israëls lot, 't schuldig kroost der verkorene Vaderen, 't wederspannig geslacht der miskenners van God met het bloed der Profeten in de aderen! O! hun vleesch is ons vleesch, en hun bloed is ons bloed! hun vergrijp is een nacht in onze oogen! Hun verval is een dolk, en doorpriemt ons gemoed - maar herstel is beloofd uit den hoogen! Treur met my om den Leeuw van ons Vorstlijk geslacht, die in Spanje zoo wakker nog brulde, dien het West, vol ontzag voor zijne Oostersche kracht, met den glans van zijn Ridders omhulde! Hy viel neêr, en hy slaapt, en zijn glorie heeft uit! - Maar hy zal, ja! hy zal weêr ontwaken op de daavrende klank van 't bazuinengeluid, dat den kerker der dooden zal slaken! Welk een hoop, o mijn Vriend! is de hoop die ik zing! welk een glans stort zy uit op ons leven! 't Licht des hemels breekt door in d' etherischen kring, die wy lovende samen doorzweven! Blijf my by in dien kring! Blijf my by in die vlucht! teedre Vriend van mijn zaligste dagen! Één in bloed, in geloof, in verwachtign, in zucht, moet de eigenste wieken ons dragen! Blijf my by met uw edel en dichterlijk hart, met uw schittrend verstand, met uw voorbeeld; gy, wiens lijdzaamheid, juichend by 't nijpen der smart, nooit wanhopig uw noodlot veroordeelt! In de dorre woestijn van den weg naar het graf, is me uw vriendschap een smeltend regen! By de stormen des Lots in dit leven van straf, is me uw vriendschap een schuilplaats! een zegen! Aan den overkant eerst van het graf, dat ons beidt, stroomt de bron, naar wier laving wy smachten! en de Tempel der Godlijke onsterfelijkheid is 't gebouw, waar wy rust in verwachten! Al de vreugd, al de smart van dit nietige stof wordt gelouterd, versmolten, verloren in de bruischende zeeën van eeuwigen lof, dien de zielen der Zaligen hooren! Doch de vriendschap, die hier onze harten verbond in den naam van den God onzer Vaderen, zinkt niet weg in den schoot van den gapenden grond, die onze asch in zijn nacht zal vergaderen! ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DR. D.J.A. ARNTZENIUS. Den Arts, den Vriend, wien met de zorg zijns kranken de wetenschap vereenigd weegt op 't hart, moog door dit blad een vriend gevoelig danken voor trouwe hulp by ziektes strijd of smart. Hem, die natuur in haar geheim bespiedend haar beurtelings volgt, en bijstaat, en geleidt, en weêr betoomt, ja (God zijn kracht gebiedend!) den reddingsweg òf voorschrijft òf bereidt, gaf ook mijn zang nog, met der Dichtren vader, lof als één man, die tegen velen geldt, lag niet aan 't hart der Christens nog iets nader dan menschenlof, hoe billijk ook vermeld. Arntzenius! neen! gy bedoeldet meerder! gy hebt gevoeld, dat elke wetenschap steeds schooner wordt, en heiliger, en teêrder, naarmate zy 't erkent van stap tot stap, hoe heel natuur den God der Heilge Schriften getuignis geeft en 't zelfde Godsmerk draagt, dat van 't begin Zijn Geest wist in te griften aan alle werk, waar Hy zich in behaagt. - Zoo vlieg' zy uit met onbedwongen pennen, die wetenschap, mits ze aan geen gier ten roof van valschen waan, by 't hoogst gestegen kennen zich neêrwerp, voor, zich oplosse in 't geloof! - Wat lofzang zal het zijn, waar arts en leek gewagen ter eer van Christus, Heil- en Licht- en Levensbron, die, aller artsen Arts, aan 't lijdenshout geslagen zelf onze krankten droeg, en zonde en dood verwon! 1843. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DR. D.J.A. ARNTZENIUS, MET EEN PRACHTBIJBEL. Donarem paters? - HOR. Voor trouwe moeite en zorg by dagen òf by nachten, voor bystand, aangesneld by snerpende oudrensmart, hoe zou zich 't zielsgevoel geen lucht te geven trachten? Wat biedt - neen! wat gebeidt het gaarne dankbaar hart? 'k Bood, zoo de schittring zelfs van steenen of metalen den Dichter stond ten dienst, van beide schaars bedeeld, ik bood geen diamant, gestrooid op gouden schalen, by keur van zilverwerk, naar d' eisch der kunst gebeeeld, ter weêrvergelding ooit of vriendschapsdienst-belooning, maar als erkentenis van onmacht by de schuld. Neen! voor den dank van 't hart blijft edeler betooning, is levendiger blijk der zucht die ons vervult. Ontfang dien in een gift, aansprakeloos van waarde, maar afdruk voor 't gemoed van d'allerrijksten schat, die ooit door mensch aan mensch werd voorgesteld op de aarde, die in zijn klein bestek den hemel-zelf bevat. Arntzenius! Gods Woord, - van daar straalt ons het wezen van liefdedienst en dank, daar buiten slechts een schijn. Daal op ons, Geest van God, terwijl we aanbiddend lezen, en 't zal ons waarheid, kracht en zielsbehoudnis zijn! 13 Febr. 1845. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DR. A. CAPADOSE Daarom neemt aan de geheele wapenrustinge Gods. PAULUS ------------------------------------------------------------------------ Dat de waarheid zegevier! Ondergang aan 't rijk der logen! Onder Jesus krijgsbanier riep ons de Almacht uit den hoogen! Met zijn vlekloos bloed besproeit, zijn wy ridders Gods geslagen, om voor d' eernaam, dien wy dragen, d' allerlaatsten drop te wagen, die onze aderen doorgloeit! Wel! te wapen dan! te paard! Met het machtig woord des Heeren eindeloozen krijg verklaard in den naam, dien we éénig eeren, (van den God van Israël, van den God der twee Verbonden, van den Kruisheld, in wiens wonden we onze zielsgenezing vonden) aan de in oproer staande Hel! Jesus is ons Legerhoofd! Jesus-zelf ontfing onze eeden! Al wie in Zijn macht gelooft, zal met Hem de slang vertreden! Volgen we onzen leidsman na! Geen geweld kan ons verneêren, en geen aanslag kan ons deeren, en wy zullen triumfeeren! Gods genade slaat ons gâ. Als Hy sprak, verstomde 't Al, 't woest geweld van storm en zeeën, 't Pharizeesche wraakgeschal, en de list der Sadduceën! Heeft Hy, als een lam, gezwegen, en dat zwijgen heeft Gods zegen over 't zondig kroost herkregen der ontgodlijkte natuur! Wèl dan! waar Zijn wil ons zendt, spreken, onverschrokken spreken; waar de wereld Hem ontkent, hem belijden, onbezweken; en als alles (moet het) zwicht, onverwonnen, schuldloos lijden, in dat lijden ons verblijden, en het Hem ter glorie wijden: dit is Christen Ridderplicht! Geest van God en van Gods Zoon! Doe ons deze plicht vervullen! Daal van d' ongenaakbren troon, om ons met uw kracht te omhullen! Wapen onzen aardschen geest tegen 's Boozen rijkverbreiding, tegen valschheids zaadverspreiding, tegen 't werelds alverleiding! in ons-zelven allermeest! Zonder U, wat kunnen wy, dan ons heilig kruis beschamen, dan, des Satans heerschappij met ons zwakke hart beämen, dan, verdwalen meer en meer in der zonde donkre wegen, en verloochenend den zegen, door des Heilands bloed verkregen, geven aan Zijn vijand de eer? Maar met U, wie tegen ons? Wie zal opstaan in zijn woede dien onze arm niet nederbons' in den afgrond, die hem voedde? Wie onz' ijver nederslaan, als wy 't woord der waarheid spreken, Hoop, Geloof en Liefde kweken, en den smaad des Hemels wreken? Wie zal onze macht weêrstaan? Licht zal uitgaan van ons oog, en den Twijfelaar verblinden! en, als vuur van 's hemels boog, de ongodisterij verslinden! en de Baäls van dees tijd zullen siddren, zullen beven, en den Oppervorst van 't leven al de glorie wedergeven, die hun onmacht Hem benijdt! Maar, voor alles, geef ons dit, gy, Verdelger onzer zonden! Dat ons harte niets aanbidd', dan den Naam, dien wy verkonden! Dood in ons dien eigen trots, dien we U klagen, niet verbloemen! Dat we in U slechts mogen roemen, dat we in U ons mogen noemen, schoon heel de aarde ons wil verdoemen ridders, knechten, kindren Gods! ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DR. K. GUTZLAFF. Maar ik vraag: hebben zij het dan niet gehoord? Zeer zeker: - Romeinen X : 18. Neem aller Christnen zegebede, by d' afscheidsdruk der broederhand, van 't moederlijk Europa mede naar 't aangenomen Vaderland! En moog' het liggen in Gods wegen, dat onder 't daar hervatte werk, 't gebed uit Neêrland meê gestegen uw hart verkwikke, uw handen sterk'! Dat voorts Zijn Englen u geleiden naar 't uiterst eind op nieuw der aard, om Hem de wegen te bereiden, die reeds Zijn heir ten strijd vergaârt. Neen! dank dienn koning, dien wy vreezen door onuitspreeklijke genaê, uw arbeid zal niet ijdel wezen; gy zult zijn vrucht zien, vroeg of spaê, maar zeker op dien dag der dagen, waarheen Gods woord en weg ons wijst, als de oogst zal rijp zijn en voldragen, het langst verkondigd uur verrijst, dat, onde licht- en kennis-stroomen, bazuingeschal en Englenstem, de Zoon van God zal nederkomen, en 't nieuw Jerusalem met Hem! 1850. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DR. G. E. V. SCHNEEVOOGT, MET EEN EXEMPLAAR MIJNER „POEZY" DES JAARS 1821 EN MIJNER „VOORLEZINGEN OVER DE EVANGELIEN" VAN 1840. Herinn'ring aan een dag van noodstorm en verschrikking, - gedachtnis aan d' ons hart dien dag geboren vrind, - erkentnis voor elk woord, voor iedre hulpverkwikking, gewisseld in ons leed, bewezen aan ons kind. De dichtkunst van mijn jeugd, de zucht van vroeger dagen, vervlogen, ja! en toch, meer dan verwezenlijkt! - Het woord van rijper dag, aan wie het me ooit moog vragen, hoe, in den Christus, God my bleek en eeuwig blijkt. Zielseedle! Gy, wiens hart het mijne wil waardeeren! is 't eigen licht uw deel? die Christus, ook uw hoop, Zoo ja, dat wy te zaam van hem de wegen leeren, volbrengend, in Zijn kracht en 't hart by Hem, den loop. Zoo neen! Welaan den blik ten hemel opgeheven, dan, in ons-zelv'gekeerd, en naar der Boeken Boek! Ik gun u, door wat zee van zorg en werk omgeven, geen rust, o Schneevoogt! maar rustbarend onderzoek. Febr. 1845. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DR. M.J. VERKOUTEREN, MET EEN AFBEELDSEL VAN WILLEM DE CLERQ. Gy ook hebt hem gekend, dien trouwen boezembroeder, op eens ten hemel opgeroepen van mijn zij', maar door een liefdegunst van God, den Alvergoeder, hoezeer voor 't oog bedekt, toch steeds mijn geest naby. O! zoo hym uit de plaats der Overwinningszangen, ter eer van 't vlekloos Lam, wiens bloed de losprijs us, mijn zoon, by 't smertvol leed, dat hem en ons moest prangen, gezien heeft in uw arm, aanschouwd heeft aan uw disch, hy heeft op d' eigen stond, in vaderliefde ontstonken, (de liefde stoort zich aan geen afstand, aan geen dood,) Verkout'ren! ook op U den zegen uitgesproken, die voor zijn kroost en 't mijn' steeds uit zijn boezem vloot. Febr. 1845. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DS. J.J.W. VAN STAVEREN, MET EEN BOUILLONKOP, UIT NAAM VAN EENE ZUSTER UIT ISRAËL, TER GELEGENHEID VAN HAREN DOOP. De Dochters Abrahams, van heilvreugd opgetogen om 't zegel, op haar hoofd in 's Goëls naam gedrukt, biedt uit een dankbaar hart, schoon uit gering vermogen een pand van haar gevoel, zwak maar onopgesmukt. Drink, Vaderlijke Vriend! aan dezen dag gedenkend, drink uit dees aardschen kop gezondheidskrachten in. - Uit veel verheevner bron, genadekrachten schenkend, stroomt leven in uw ziel, en zaalge hemelzin. De Heiland, die u roept Zijn lammeren te hoeden, wien eindloos toekomt eer, aanbidding, lof en dank, wil met Zich-zelf de ziel van Zijn getrouwen voeden; Zijn vleesch is hemelbrood, Zijn bloed is levensdrank. 1840. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN Ds. L. H. BAHLER. Getrouwe, wien geen eeuw van ongeloof en laster in d' ijver van Gods Kerk geschokt heeft, of ontzet, maar die, in 't heilgeloof van 't Godlijk woord steeds vaster, zijn vijand weer bood met de waapnen van 't gebed! Hoe doet Gy 's jonglings hart, aan 's Heilands dienst geheiligd, door 't voorbeeld, dat Gy geeft, van krijgsdrift opengaan! Wanneer 't Uw achtbre kruin, steeds door zijn hand beveiligd, nog onbezweken ziet in Zijn geleedren staan. Ja! menig vuurgen strijd hebt Ge in Zijn kracht gestreden, van dat Uw eerste jeugd zich op dien baan begaf! Maar nimmer was Hy trouw, wiens Naam Gy hebt beleden; de vuurpijl van de hel stuit op 't geloofsschild af! Uw leeftijd zag d' orkaan zich over de aard-vergâre, die mensch- en duivlendom door één verwarren moest; uw leeftijd zag den val van troonen en altaren, en Kerk en Vaderland in 't stormgeweld verwoest. Door de Almacht dier Genâ, wier eer Gy mocht verkonden, bleeft Gy voor d' ijdlen klank dier Alverdraagzaamheid, die niets wil dulden, dan den gruweldwang der zonden, by d' afval om U heen, verzekerd, onverleid! In tranen by 't geweld der Kruisverloochenaren, maar moedig in de hoop op 't eeuwig levend Woord, bleeft Ge op de onfeilbre Ster van Judaas Koning staren, en wandeldet Uw weg in 's harten eenvoud voort. O! hebt Ge ook jaar aan jaar op 't pad door U verkoren, van d'ochtend tot de nacht bevochtigd en gezaaid, geen arbeid op dit veld gaat immermeer verloren - de vrucht wordt eens wellicht nog door Uw kroost gemaaid! Ja! meer nog! uit dien vloed van gruwelen en logen, die 't ondergaand geslacht zal storten op 't heelal, ontwikkelt zich een plek, reeds zichtbaar voor onze oogen, dien 's hemels reine dauw op nieuw bevruchten zal. Neen! Vroomen! Wanhoopt niet, om dat die velden dorden, die 't dankbaar voorgeslacht zoo heerlijk bloeien zag! Hy leeft, die aarde en zee en hemelen deed worden, Hy schept uit jammer heil; Hy uit den duister, dag! Hy doet de levenden ter helle nederdalen! Hy roept de dooden, dat zy leven - 't is volbracht! Hy, laat Hy op Zijn kerk een blik van zegen stralen, geeft duizendvoudig weêr wat ge onherstelbaar acht! Elia bad tot Hem: de regen daalde neder op d' uitgeblaakten grond van Achabs schendig rijk: Eliaas kracht, o Heer! keere in Uw kindren weder, en, ja! de Godsrivier stort over dam en dijk! Ziet daar! een kleine wolk is uit de zee gestegen, nog door geen oog gezien, nog door geen hoop vermoed! Weldra! en heel de lucht giet plassen uit van regen, van regen, die het zaad der Godskerk rijpen doet! Geloovigen, grijpt moed! met wierook van gebeden den wederkeer verhaast van d' onweêrstaanbren Geest! Met d' ijver voor Gods eer den Baälsdienst bestreden! En 't hemeltergend juk van d' Eeuwgeest zijn geweest! Geloovigen, grijpt moed! met wierook van gebeden den wederkeer verhaast van d' onweêrstaanbren Geest! Met d' ijver voor Gods eer den Baälsdienst bestreden! En 't hemeltergend juk van d' Eeuwgeest zijn geweest! Spreekt, predikt, dondert! rukt den afgrond van zijn zetel, die 't afgekeerd verstand van Neêrlands volk verblindt! Geen trouw aan Christus naam was ooit voor God vermetel; laat smalen, wie Hem haat! Gy! strijdt en overwint! Getrouwe dienstknecht Gods!......en ook Uwe oogen, voor dat hen 't morgenrood der Eeuwigheid bestraal', aanschouwen den triumf van Jesus Alvermogen, in de aldoordringbre kracht der heilge Pinkstertaal! Verkondig, sterk in Hem, Zijne eeuwig rechte wegen! in spijt van hel en haat en laffe spotterij! Op 't Herdersampt verblijft God steeds vernieuwd zegen! Waar niet den Schepsels naam verheerlijkt wordt, maar Hy! 1825. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DS. EGELING. Herboren door het Woord, uit wien de wereld werd, en uit der zonde nacht voor 't hemelsch Licht gewonnen, gewasschen door den Doop op 't voorhoofd in 't hert in 't vlekkelooze bloed van 't Lam des Onbegonnen, - Wien hoort de dank van 't hart, dat van verrukking smelt? Wien, dan aan Hem-alléén, wien de Englen driemaal loven, als Schepper van 't Heelal, als zegepralend Held op d' Afgrond, en als Geest, die 't harte trekt naar boven? Den Vader, die 't geen is, vóór 't was, heeft voobepaald wiens eeuwig Raadsbesluit, slechts voor den Zoon ontzegeld der schepslen lotbedeel, wiens wijsheid nimmer faat, eer Tijd of Ruimte was, met één trek heeft geregeld! Den Zoon, die God uit God, als vleeschgeworden Woord, voor 't zondig Adamskroost zijn bloed verkoos te plengen, Hy, Vorst van 't Jodendom, door 't Jodemdom doorboord, om Jood en Heiden beî tot God te rug te brengen! Den Geest, die, waar Hy wil, naar vrije keuze werkt, geen aardsche wijsheid acht, noch aardsche deugdbetooning, maar naar Zijn wijsheid 't hart geloovig maakt en sterkt, en heiligt uit genâ, niet tot verdienstelooning! Aan U behoort de dank, U ziel en zin en bloed, Jehova! Jesus! Geest! Aan u zijn wy geheiligd! Aan U de lofgalm van het overstelpt gemoed, dat Uw verlossingsdoop voor 's Afgronds macht beveiligt. Maar o! gy wraakt het niet, volheerlijk Wereldvorst! Zoo in het dankgebed, dat we in verrukking zingen, de heilwensch mede stijg' uit de opgekropte borst voor hem, door wien wy 't pand van Uw genade ontfingen. O! zegen de achtbre hand, die 't zoenbloed van Uw Zoon neêrdruppelde op ons hoofd, als vruchtbren zomerregen, ja! asl het zalfsel, dat ons de onvergankbre kroon verzekert......o mijn God! bewaar ons op Uw wegen! Ja! zegen Gy die hand, en zegen Gy den mond, die van geen andren roem, dan die Uws Naams, kan spreken! Geen harte, zoo versteend, als U zijn naam verkondt, of 't moge voor 't geloof des heilswoords openbreken! Rechschapen Egeling, getrouwe dienstknecht Gods! Wees lang nog op deze aard een werktuig van Genade. Meld aan heel Israël zijn Koning en de Rots zijns heils, en sla de God van Abraham U gade! En wijs den volken op hun heerlijke banierm op Jesses Wonderspruit, tot 's werelds heil geboren! Verkondig lang dat heil, verlicht door 't hemelsch vier van Liefde, Hoop, Geloof, den schat der Uitverkoren! Wees ons nog lang een gids op 't pad der zaligheid, hoe vreemd uw ziel ook zij aan 't ijdel stofgewemel, tot dat de zegekroon, den Christen weggeleid, aan d' eindpaal van uw baan u toeblinke uit den hemel! O! mogen wy ons daar uit 's werelds duisternis, in 't licht van 's Heilands troon, gezaligd wedervinden! In dat Jerusalem waar Jesus Koning is en waar geen vreemde macht ons oog meer kan verblinden! Bid voor ons, dat de Doop, ontfangen van uw hand, niet opdorre in ons hart, maar 't immer blijf besproeien, en, als een morgendaauw de pas ontloken plant, in liefde door 't geloof voor 's Hemels hof doe bloeien! 1822. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DS. O. G. HELDRING, BY DE 25-JARIGE VIERING VAN ZIJN EVANGELIEDIENST Geen prediking van 't woord aan saamgevloeide scharen, geen huis- en hutbezoek met trouwe vlijt verricht, geen weiding van de jeugd sints vijf en twintig jaren. voldeed aan Uw besef van hooge herdersplicht! Veel ruimer bleek Uw kring, veel wijder streefde uw pogen, en dieper drong uw blik in onze volksellend, o Heldring! wien Uw land zoo dichters spellen mogen), eens deel geeft in den lof van WICHERN toegekend, En thands! van gade en kroost, van vrienden en Gods zegen omschaduwd en omstraald, viert Hemmen's leeraar feest! Zoo ademe ook van my hem aan den drankdisch tegen een feestdronk uit de verte, een handdruk in den geest! Ja, uit eens broeders hart een broederlijke bede, ten weêrklank van zijn bede in Hemmen's kalme kerk: „Barmhartigheid van God, en heilgenade, en vrede ruste op Uw hoofd en huis, ruste op Uw kudde en werk, van waar des Herders staf naar 't welgevallig SETTEN verloornen lokt en trekt van uit de muil der hel, tot Neêrlands op zijn stem reeds uitgeworpen netten op de Afrikaansche kust en Javaas Archipel!" 1852. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) A A N E E N D I C H T E R (*) BY DE GEBOORTE VAN ZIJN ZOON. Dichterlije lier! Verhef u tot den hoogsten vreugdetoon, en stort wellust in de harten, aan uw somberheid gewoon! Zegegalming, heilvoorspelling, godgewijde vrolijkheid, zijn het thema, door de vriendschap aan den Dichter voorgeleid! Door de vriendschap? Door een andre (is het mooglijk) eedler plicht! Werd ooit koning ingehuldigd zonder statig feestgedicht? Koning zijt gy my geworden nu ge een zoon drukt aan uw borst: Was niet de eerste Vorst een Vader? Is, wie Vader werd, niet Vorst? Heil dan met dien dag van zegen, voor uw stamhuis opgegaan! Heil met d' eerstling van uw liefde! Met uw eersten onderdaan! Dat hy groeie, dat hy bloeie tot een sieraad van zijn bloed! dat hy Vaders beeldtnis uitdrukk', in de oprechtheid van 't gemoed; in de gaaf der eedle Dichtkunst, op rechtaarde deugd geplant; in de zwelling van dat hart, aan de liefste gâ verpand! Ja, mijn broeder! Moog dat telgjen, opgegroeid in 's hemels gunst, uw gebied steeds meer verbreiden in het Godlijk Rijk der Kunst! Moog hy strijden voor de Waarheid! Voor het heilig Recht van God! Moog hy strijden en verwinnen! En de gunstling zijn van 't Lot! Moog hy, overdekt met lauwren, moeders boezem kloppen doen, en by 't grijzen uwer haren, nog uw wang van fierheid gloen, in het hemelsch vergenoegen, dat de glorie van een Zoon, die den luister van zijn deugden voor den hemel spreidt ten toon, in het oudrenhart doet rijzen, dat in 't dierbaar kroost herleeft! - Maar gy, teedre, zachte Moeder! aan wier knieën hy nog kleeft! Vrouw, vol vrouwelijke liefde! Gy misschien verlangt iets meer, voor het aangebeden wichtjen, dan de schittering der eer, dan den glans der overwinning, dan den roem der poëzy! gy verlangt, dat hy zijn dagen aan de dienst van braafheid wij'; lijdzaam, vol van mededoogen, vol van zucht om wèl te doen, om zijn naasten troost te bieden en voor onheil te behoên! Dat hy minlijk zij, bevallig, en door gaven zondr tal 't hart van 't lieve meisjen winne, dat zijn gade wezen zal! Ook die wensch zal zich vervullen! Voor uw teedren echtgenoot zal uw beeldtnis zich verdubblen in den troetling van uw schoot, zoo als gy in hem van weêrzy, 't beeld erkennen van uw Gâ! Bloei dan welig, lieflijk knaapjen! En groei op in Gods genâ! Open gy een rij van telgjens in uws Vaders huisgezin, moedig als zijn dichterharte, lieflijk als zijn gemalin! Zoo bevallig als het roosjen, zoo standvastig als de rots! Helden tegen 't Rijk van Ondeugd! Lammren in de kudde Gods! (*) W. DE CLERQ. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) A A N E E N D I C H T E R (*) BY DE GEBOORTE VAN ZIJN ZOON. Dichterlije lier! Verhef u tot den hoogsten vreugdetoon, en stort wellust in de harten, aan uw somberheid gewoon! Zegegalming, heilvoorspelling, godgewijde vrolijkheid, zijn het thema, door de vriendschap aan den Dichter voorgeleid! Door de vriendschap? Door een andre (is het mooglijk) eedler plicht! Werd ooit koning ingehuldigd zonder statig feestgedicht? Koning zijt gy my geworden nu ge een zoon drukt aan uw borst: Was niet de eerste Vorst een Vader? Is, wie Vader werd, niet Vorst? Heil dan met dien dag van zegen, voor uw stamhuis opgegaan! Heil met d' eerstling van uw liefde! Met uw eersten onderdaan! Dat hy groeie, dat hy bloeie tot een sieraad van zijn bloed! dat hy Vaders beeldtnis uitdrukk', in de oprechtheid van 't gemoed; in de gaaf der eedle Dichtkunst, op rechtaarde deugd geplant; in de zwelling van dat hart, aan de liefste gâ verpand! Ja, mijn broeder! Moog dat telgjen, opgegroeid in 's hemels gunst, uw gebied steeds meer verbreiden in het Godlijk Rijk der Kunst! Moog hy strijden voor de Waarheid! Voor het heilig Recht van God! Moog hy strijden en verwinnen! En de gunstling zijn van 't Lot! Moog hy, overdekt met lauwren, moeders boezem kloppen doen, en by 't grijzen uwer haren, nog uw wang van fierheid gloen, in het hemelsch vergenoegen, dat de glorie van een Zoon, die den luister van zijn deugden voor den hemel spreidt ten toon, in het oudrenhart doet rijzen, dat in 't dierbaar kroost herleeft! - Maar gy, teedre, zachte Moeder! aan wier knieën hy nog kleeft! Vrouw, vol vrouwelijke liefde! Gy misschien verlangt iets meer, voor het aangebeden wichtjen, dan de schittering der eer, dan den glans der overwinning, dan den roem der poëzy! gy verlangt, dat hy zijn dagen aan de dienst van braafheid wij'; lijdzaam, vol van mededoogen, vol van zucht om wèl te doen, om zijn naasten troost te bieden en voor onheil te behoên! Dat hy minlijk zij, bevallig, en door gaven zondr tal 't hart van 't lieve meisjen winne, dat zijn gade wezen zal! Ook die wensch zal zich vervullen! Voor uw teedren echtgenoot zal uw beeldtnis zich verdubblen in den troetling van uw schoot, zoo als gy in hem van weêrzy, 't beeld erkennen van uw Gâ! Bloei dan welig, lieflijk knaapjen! En groei op in Gods genâ! Open gy een rij van telgjens in uws Vaders huisgezin, moedig als zijn dichterharte, lieflijk als zijn gemalin! Zoo bevallig als het roosjen, zoo standvastig als de rots! Helden tegen 't Rijk van Ondeugd! Lammren in de kudde Gods! (*) W. DE CLERQ. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN EEN GEDOOPTEN ISRAELIET MET EEN BIJBEL. Van Gods onfeilbaar Woord die afschrift aangeboôn aan d' in zijn Goëls naam gedoopten Abrams-Zoon, met deze uit aller hart gevloten zegenbede: Genade zij uw deel, barmhartigheid en vrede, by 't lichten dezer lamp op 't enge levenspad, dat over Bergen heen voert naar de Hemelstad. 1850. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN EEN KUNSTENAAR, MET EEN AFDRUK VAN MIJNE „VIJF EN TWINTIG JAREN." Gy roept het beeld der ziel op 't menschlijk aangezicht! Het is des kunstnaars recht, het is zijn schoonst vermogen. Maar wie ooit op de gaaf van dichterwenscht te bogen, die drukke zelf zijn ziel in 't lied uit, dat hy dicht! Zie daar u dan de mijne in verzen weêrgegeven! Haar zucht, haar hoop voor dit en 't onverganklijk leven. Wacht, Kunstnaar! wacht ook gy van roem- noch kunstgenot wat niet gevonden wordt dan in het Woord van God. 1847. ------------------------------------------------------------------------ ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN EEN NAAMGENOOT VAN BILDERDIJK TER GELEGENHEID VAN ZIJNE EERSTE AVONDMAALSGEMEENSCHAP. Die overwint. Ik zal hem geveneen witten keursteen, en op den keursteen een nieuwen Naam, dien niemand kent, dan die hem ontfangt. Openbaringen II : 17. Gy draagt een schoonen naam, o jonge Bilderdijk! O! draag hem nederig! maar waardig, door het streven om in beroep en kunst voor hooger doel te leven, door meer, dan d' overvloed van goud of zilver rijk. Gy draagt een schoonen naam! en toch! gy moest begeeren een nieuwen, - een', waar God Zijn hemel aan verbond! Voer dezen, in de kracht eens u gekruisten Heeren, op 't voorhoofd, in uw hart en Hem gewijden mond! 1839. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN EEN VRIEND MIJNS ZOONS, BY ZIJN VERTREK NAAR EEN VERAFGELEGEN LAND. MET EEN BUNDEL POEZY. U geleide langs de sporen van het hobblend pekelveld Hy, Wiens alziend oog de droppels van zijn baren heeft geteld en de hairen van ons hoofd! Blijve op 't deinen van die golven, blijve aan 't oostereind der aard 't beeld en voorbeeld van een moeder in uws harten diepst bewaard, die gezocht heeft en geloofd. En vertouuwt ge soms een heilgroet aan de vleuglen van den wind, geef van de eigen keus een teeken aan den zanger, aan den vrind, die dit bondelken u biedt, niet tot streeling van de zinnen door een week melodij, maar om 't woord dier hoogste waarheid, die zijn deel en 't uwe zij, en het doel was van zijn lied. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN EEN KAPITTELSTOKJE. Klein staafje, ontdekk' me uw hulp in ieder blad en boek den vinger van mijn God, Wiens weg en wil ik zoek! 1838. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN EEN KAPITTELSTOKJE. Klein staafje, ontdekk' me uw hulp in ieder blad en boek den vinger van mijn God, Wiens weg en wil ik zoek! 1838. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN EENE JEUGDIGE VRIENDIN, MET MIJNE „POLITIEKE POËZY." Neem, jeugdige Vriendin, die van uw kindsche dagen standvastig achting boodt den Dichter dezer blaân! ten dankbetoon voor 't hart, hem door u toegedragen, dees vruchten van zijn herfst met welgevallen aan! Hoe? (zegt hier iemand licht) hoe? voor zoo jeugdige oogen dien bondel neêrgelegd van sombre politiek? Had in zijn ouderdom dan 's Dichters zangvermogen geen toonen over van meer streelende muziek? Geen dergelijke vraag heeft hy van u te vreezen, Vriendin en Zuster, wier tot God gekeerd blik niet licht een wenk, een zang, een woord heeft afgewezen, by uwes Heeren heil, ook tuigend van Zijn schrik! Waar immer voor Zijn oog de Marthaas dienend waren, of rust gezocht werd door Mariaas aan Zijn kniên, daar was die toon: Hy komt! heel 't aardrijk zal Hem zien van ouds een welkom woord by Judaas dochtrenscharen! 1853 ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN EENE JEUGDIGE VRIENDIN. IN HAAR ALBUM. Één ding is noodig. Vraag den landman naar geen garven van het afgemaaide pad! Verg den appelboom geen vruchten, als hy afwierp wat hy had! Wacht geen bloemen van den Zanger, nog vermoeid van Nieuwpoorts slag, waar het Album eener Jonkvrouw zich versierd door achten mag! Wacht gy evenwel een versjen, zonder tooi van taal gerijmd? Zijn u welkom zwakke regels, ongekunsteld saamgelijmd? zonder aanspraak dan de oprechtheid van hetgeen ze u doen verstaan? Wel dan! neem de beê welwillend van een Vriend uws vaders aan: Uwer oudren, broedren, zusters, magen, vrienden vreugde en roem, leef voor hemel beide en aarde zegenrijk gekweekte bloem, hoofd en hart in al uw wegen zacht gebogen naar de Zon aller zegens, vrede en vreugde, Levens-licht- en waardheid-Bron! 1859. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN EENE VRIENDIN, IN DANK VOOR EENE DOOR HAAR VERVAARDIGDE KOPIJ EENS GETEKENDE PORTRETS DOOR C O U W E N B E R G. „Ja, 't is de Clercq! Hy spreekt, hy leeft! zijn binnenste gedachte zweeft op deze stout geschetste trekken. 't Is meer dan houdign of gelaat, 't is 't hart dat in den boezem slaat, wat hier de Kunst vermocht op 't blank papier te wekken. - Hy is 't, zoo, als hy denkt aan God, by een bevoorrecht levenslot, by 's levens ernst en zoetheid tevens; zoo als hy ziet op gade en kroost, zoo als hy nadenkt, tucht en troost, en 't zalig zielsgeheim van d' engen weg des levens." Met de opgetogenheid eens kinds stond zoo de vriend voor 't beeld zijns vrinds, dat 's kunstnaars potloodstrepen teelden, en gaf den God des hemels lof, die 't door Zijn adem levend stof 't vermogen schenken kon om leven na te beelden. Maar meer! een vlugge vrouwenhand voelt zich bezield, voelt zich bestand! Zy grijpt de stift, en zet zich neder. En ziet! ook haar genieblik had eens broeders ziel diep opgevat, - zy geeft hem op 't papier ten tweeden male weder. En 't werk dier stout bestierde stift zend zy den boezemvriend ter gift! - wat heeft h y om haar recht te danken voor d' eedle kunst- en vriendschapsvrucht? Niet half genoeg waar' 't voor zijn zucht, al plengde hy een stroom van frissche citherklanken. Neen! hier volstaat slechts 't echt gevoel van mildheid, zonder ander doel dsn 't lieflijk voorrecht van verplichten! uit zulk een bron een zulke gunst is meer dan eerbewijs of kunst. Gedwee erkent de mijne deze kamp te zwichten. 1843. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN EENEN VRIEND Sta, moedig stijder, pal op 't bolwerk, dat Gods hand gebouwd heeft voor het heir van zijn verkoren helden, niet op de golving van een onstandvastig zand, maar op de Rots van heil, wie hel noch wereld velden! Hoe ook de wereld dreig', hoe ook de helvorst woed', zy zullen geen van beî uw zielskracht overheeren. Het is de Vader zelf, verzoend door Jesus bloed, Wiens uitgestrekte hand hen van u af zal weeren. 1824. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DEN HOOG EDEL GESTRENGEN HEER H. C. V A N D E R H O U V E N , OP DEN EERSTEN DAG DES JAARS 1844. Ik zal u ruste geven! - Matthéus XI : 28. Vergrijsd en steeds verjongd, by 't onvermoeide streven voor plicht en volksbelang op d' aangewezen post, wie gunde u niet uw rust op d' avond van uw leven? wie ziet u niet met leed van de eerbaan afgelost? Maar wat ons op deze aard als werkkring zelfs moog lusten 't wordt werkzaamheid by rust, 't is rust in werkzaamheid in 't geen Gods hand beschikt, blijmoedig te berusten, in 't heilgeloof, en naar Zijn wil geleid. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN DEN HOOG EDEL GESTRENGEN HEER H. C. V A N D E R H O U V E N , OP DEN EERSTEN DAG DES JAARS 1844. Ik zal u ruste geven! - Matthéus XI : 28. Vergrijsd en steeds verjongd, by 't onvermoeide streven voor plicht en volksbelang op d' aangewezen post, wie gunde u niet uw rust op d' avond van uw leven? wie ziet u niet met leed van de eerbaan afgelost? Maar wat ons op deze aard als werkkring zelfs moog lusten 't wordt werkzaamheid by rust, 't is rust in werkzaamheid in 't geen Gods hand beschikt, blijmoedig te berusten, in 't heilgeloof, en naar Zijn wil geleid. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN ISRAELS VERSTROOIDEN. (TOEËIGENING VAN HET WERK: „ISRAEL EN DE VOLKEN.") Wien biede ik ze aan, dees bladen vol geschreven van smart en smaad, en wederwaardigheên, onpeilbaar diep, toch wonderhoog verheven? - Wien buiten u, mijn volk, mijn vleesch en been? Ja, Israël! aan u, Gods eerstgekende, sints, toonbeeld van Zijn toorn, van land tot land, by 't schetsen van wiens lange, lange ellende, mijn broedren! schier verstijfd waar' deze hand, bezemen 't oog, dat onze ban aanstaarde, bezweken 't hart, dat de oorzaak overdacht, stond over u, verstotenen der aarde, niet nog een woord der toekomst uitgebracht: „zy zullen zien, Wiens wet, Wiens hart zy braken, - (verbreken doet Hy nimmer Zijn verbond!) „en kussen zullen ze eens, Wien zy doorstaken!" Genade komt ons tegen uit de wond. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN JHR. WILLEM VAN HOGENDORP BY ZIJNE BEVORDERING TOT DOCTOR IN DE RECHTEN. Gewapend met een zwaard, uit Themis hand ontfangen, om plicht, en recht, en eer manhaftig voor te staan, streeft gy uw loopbaan in met toomeloos verlangen; en 't eeuwig bloeiend loof der glorie lacht u aan! Met eedler wapens, dan die moord- en plondertuigen, wier glans de ziel behaagt, maar al te vaak verleidt, zult ge Onrecht en Geweld den snooden kop doen buigen, en smaken in hun val een hemelzaligheid! O! dat de galm der Faam my steeds uw grootheid melde! O! melde zy my steeds dat gy gelukkig zijt! 'k Zal juichen in het lot dat u mijn vriendschap spelde, by al de wisseling van afstand en van tijd! VAN HOGENDORP! Mijn hart werd aan het uw verbonden, van dat uw hart het mijn, mijn hart het uw doorzag! Wat blijve, wat verga, die band blijft ongeschonden, die band beiden waard tot onzen jongsten dag! Maar 't oord, waar ons die band het hoogste heil deed smaken, moet thands vaarwel gezegd, en 't uur der scheiding kwam! U vergt het Vaderland, om voor zijn heil te waken, my roept dier vaadren bloed, waaruit ik d' oorsprong nam! Maar één, één zelfde zucht blijft beider borst bezielen, één zucht naar hooger doel, één zucht voor Schoon en Waar! Geen scheiding, geen geval kan deze zucht vernielen! Vaar wel, op 't pad der eer hervinden wy elkaêr! ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN JONKHR. J. C. SMISSAERT BIJ ZIJN VERTREK ALS STUDENT IN DE GODGELEERDHEID NAAR DE LEYDSCHE HOOGESCHOOL. Waarmede zal de jongling zijn pad zuiver houden? Als hy dat houdt naar Uw woord. - Psalm CXIX : 9. Ja, Smissaert! op het pad, dat gy betreden zult, zij immer van dat woord èn hart èn mond vervuld! Is 't Christus, Wiens wy zijn, Wiens rijk, Wiens eer wy zoeken, zoo vorsch naar wetenschap by Leeraars en in boeken, maar wat voortreflijkheid in menschenwijsheid zij, en wat ge leest of hoort, één zij uw Meester - Hy! 1832. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) A A N J O N K V R O U W E HANNA BELMONTE OP HAAR VERJAARFEEST. MET EEN AFDRUK VAN HET EERSTE DEEL MIJNER „POEZY". Een en twintig jaar vervlogen sints den heuglijken dag, die uw dierbre levensloopbaan op deze aard beginnen zag! Lieve, wier toekomstig leven zich ineensmelt met het mijn, en wier heil voortaan en vreugde ook de mijne moeten zijn! Kransjens, aan uw onschuld voegend, strikten zich by ieder jaar, dat uw jonkheid kwam volmaken, heil verkondend, in uw hair! In die lieflijke schakeering mengde een hooger noodlot thands een welriekender, een zachter, een gewijder bloemenkrans! 't Is de aandoenelijke bruidskroon, die uw minlijk hoofd versiert, pand der trouw, die wy ons zwoeren, en die dra ons echtfeest viert! Kroon, u door mijn hand gevlochten, en met wie zich heel mijn hart aan het uw heeft toegeheiligd, tot ondeelbre vreugd en smart! Van dat albeslissend tijdstip, van dien onvergeetbren dag is 't uw eigendom geworden wat dit hart omvatten mag; en op 't feest van uw verjaring vinde ik naauwelijks nog iets, dat ik u op nieuw kan schenken tot verbreiding uws gebieds! Doch kan 't aanbod u behagen van de trouwe beeldtenis, van datzelfde vurig harte, dat door u gekluisterd is; beeldtnis, trouwer dan ooit schilder overbracht op zijn paneel, door mijn eigen hand geteekend met het dichterlijk penseel? Zoo aanvaard dit handvol verzen tot een ruiker saamgesnoerd, en gy zult de zucht doorkennen, die mijn ziel steeds heeft vervoerd! Lieve, ja! neem deze bladen als een klein verjaargift aan! ding' hun inhoud door uw harte! en gy zult het mijn verstaan. 1821. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN JONKVROUWE W.L. VAN LOON BY HARE ECHTVEREENIGING MET JHR. MR. P.L. ELOUT VAN SOETERWOUDE. MET ZIJNS BROEDERS CAPADOSE'S VERHAAL VAN HET STERFBED ZIJNS ZOONS. De glans der jeugd, de dag der vreugd, waar 't hart op Jesus Christus ziet, schuwt d' aanblik dezer rouwkleur niet. God maakt zich groot aan Canaas Bruiloftsdisch, en in der Zijnen dood. 20 April 1845. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN JONKVROUWE E. H. LUDEN, IN ANTWOORD OP EEN AAN MY GERICHT VERS. Jonkvrouw! was de harp den Dichters, op de wijs zijns volks besnaard, u een wederklank, zoo zuiver, uit uw eigen dichtgeest waard? Heil zij U, dat van dien harptoon neen! geen schoonheid, maar de stof op de schatting aanspraak maakte van uw zusterlijke lof! Heil ook hem, zoo ooit zijn zangen, waarlijk ruischend God ter eer, zielen schokten voor zijn Heiland, harten lokten tot uw Heer! - Jonge mededichteresse! 't zij uw voorrecht en het mijn, van dien Meester vol genade 't zeker eigendom te zijn! aan Zijn voeten neêr te zitten, neêr te zinken by Zijn kniên! en, verwaardigd Hem den danklof onzer zangen aan te bieên! Ik, - met eelang grijze haren, van diens Konings zegetocht den bazuimgalm op te vangen, dien ook Gy vernemen mocht! Gy, - met maagdelijke teêrheid tegen elke levenssmart hemelstemmen in te fluistren aan 't ten hemel opziend hart! 1852. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN JONKVROUWE ESTHER CAPADOSE Een Esther, voor haar volk besloten 't al te wagen, vond by den koning gunst en deernis met haar smart, volle oorlof gaf hy haar te spreken en te vragen uit de allerbinnenste bekommring van haar hart. Eerlang! en van dat hart werd smart en angst genomen de duisternis in licht, en de asch verkeerd in glans, in 't uitzicht op den dood, tot Heerschers troon gekomen was leven en behoud haar psalm- en danklied thands. O jeugdige vriendin! in honderd voorgeslachten van Abigaïls kroost nog volks- en naamgenoot! een hooger Vorst voor u had zaalger vreêgedachten. dan die aan Esther eens den schepter reikend bood. U noodigde en ontvangt aan Zijn doorboorde voeten die koning die, getrouw tot in de nacht van 't graf, aan wie als Sions vorst Hem boetende begroeten geen helft eens koninkrijks, maar heel Zich-zelven gaf. Blijf aan diens Konings dienst uws levens lente wijden, steeds toevend aan Zijn deur tot ge ingang by Hem vindt! en mag Zijn dierbre gunst u dan de ziel verblijden denk aan uws vaders volk, denk aan uws vaders vrind. 1850. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) A A N J ON K V R O U W E H O O F T V A N V R E E L A N D. Frisch blijft de krans van Drossaart HOOFT èn wapenschild èn schedel sieren. Maar, zoo we ook laauwren eeren, vieren, - voor wie by lief en leed gelooft in Dien met doornen eens Gekroonde, Die tot op 't kruis zich Liefde toonde, is de onverwelkbre kroon bereid van eindlooze heerlijkheid! In lief en leed dan 't hoofd naar boven, - naar 't Hoofd, dat we eeuwig willen loven! 1857. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN MEJUFFROUW E. D. C. DE BORDES, BY HAAR VERTREK UIT AMSTERDAM. Vriendin en Dochter! want dus acht u 't vriendenhart om 't geen ge in lief en leed ons altijd zijt bevonden, sints 't eerst u aan ons huis één zelfde zoete smart, om Hanna, tot haar Heer geroepen, heeft verbonden. Neen, 't zy rondom Gods Woord in éénen kring vereend, of aan één zelfde disch gezellig aangezeten, 't zy voor een tijd op nieuw van 't samenzijn gespeend, - geen zegen t' zaam gesmaakt blijft waar we ook gaan vergeten, noch zonder dat de vrucht, vertrouwend afgebeên, op Gods gezetten tijd, daarvan zal achterblijven. Zoo ga, het hart gesterkt door zijn weldadigheên, die voor een eeuwigheid u Jesus doe beklijven. Ga met Zijn woord in 't hart, Zijn Hemel in het oog, steeds by dat hart te zaam en bij dien Hemel nader, naar 't huis, waar zich God-zelf steeds zichtbaar toonen moog' den man der Weduw, en der weezen trouwen Vader! 31 Mei 1858. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN MEVROUW DE DOUAIRIÈRE VAN WEEDE VAN DIJKVELD, GEB. VAN LENNEP, IN ANTWOORD OP EEN GESCHENK VAN BLOEMEN. Schoon zijn, o Meer- en Bosch! uw mild gekweekte rozen! haar edelaartig bleek, haar zacht aanspraakloos blozen; zoo lieflijk voor het oog haar saam gehuwde kleur als voor den ademtocht uw versche lindengeur! Die kleur, - niet voor altoos blijft zy een lust der oogen. Die geur, - hy is weldra tot enkel niet vervlogen! maar wat tot hart en geest de bloemschakeering zegt, door zusterlijke hand in Ruimzicht neergelegd, verschiet niet noch vervliegt, - 't blad en bloem van vruchten by 't ruischen van Gods Woord gekweekt voor hooger luchten. 1847. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN MEVROUW DE DOUAIRIÈRE CALKOEN, GEB. VAN DE POLL, IN ANTWOORD OP EEN GESCHENK VAN VRUCHTEN. Neen! den druif van Ipenrode streeft geen moerbei van het Y noch de heuschheid harer Vrouwe Ruimzichts zwakker zucht op zy. Maar geen kampstrijd, zelfs van heuschheid, werd van weêrzy ook bedoeld. Slechts by 't uiten van een vriendschap, vast gegrond en diep gevoeld, t' zaam genieten van den rijkdom van eens Scheppers heerlijkheid, t' zaam verheffen van de liefde van een Heiland, neêrgeleid in 't omhulsel van den wijngaard, van den wijnstok, van den wijn, die van hooge heilgeheimen teedre zinnebeelden zijn. 1847. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN MIJN TEDER GELIEFDE EGADE. OP HAREN AANDOENLIJKEN VERJAARDAG den 2den APRIL 1845. Dierbre! sints uw teedre liefde, van ons vijftal blijde omschaard, met verrassing op verrassing mijn geboorte heeft verjaard, hebben weder donkre wolken zich ontladen op ons hart, zijn ons weder zilte tranen afgeperst door oudrensmart; hebben dagen, hebben nachten van ontzetting en verdriet ons vereend doen ondervinden dat ons God nog nooit verliet; hebben tranen, hebben smarten, hebben uitkomst, zegen, troost, hebben zorgen, vragen, wegen, voor ons huis en hart en kroost, ons by 't vordren onzer dagen, immer dieper doen verstaan, wat ons God gaf in elkander op de Christenlevensbaan. En verrijst ons thands de morgen, lieve Gade! van uw feest, feest, dat jaar aan jaar mijn' boezem zaalge dankstof is geweest, by de tranen onzer naasten over gade en kroost geweend, en, of 't ware, by de rustplaats van het nat beschreid gebeent'; o geliefde! (is het God niet, die het denkbeeld in u werkt, ja, die God, die in de nooden u zoo dikwerf heeft gesterkt?) Teêrgeliefde! neen, gy weigert, waar ge een broeder weenen ziet, die verbreidring van uw feestvreugd met geween en rouwklacht niet. Neen! Gy kiest het huis der droefheid voor den feestelijken disch, en te proeven uit den beker, die daar ingeschonken is, boven d' ongemengen feestkelk, dien, wat zegen God ook schonk, ook uw mond, gelijk de mijne, zelden zonder tranen dronk. Heil dan, dierbre! met dees morgen! heil en vrede, waar gy gaat, en den eenzame en zijn weesjen, helpende ter zijde staat! Heil! een zegen zal nog druppen op het hart dat zich ontsteelt aan het vreugdgejuich van kindren, en in 't leed des lijders deelt. Ja, in 't huis des diep beproefden geve ons God in volle kracht, in gezegende gemeenschap aan het hart te zien gebracht, hoe, met Christus, heil en lijden, grafgewelf en paradijs, zich ontmoeten, zich verklaren op aanbiddelijke wijs, in die keuze: 't zij wy leven (God verleng' ons 't uwe lang!) 't zij wy sterven (komt eens de ure, niemand onzer zij die bang!) 't zij wy leven, 't zij wy sterven, 't zij er feestvreugd is of pijn, 's Heeren volgers, 's Heeren eigen, voor een eeuwigheid te zijn. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN MIJN ZOON ABRAHAM BIJ ZIJNE AANNEMING TOT LID DER WAALSCHE GEMEENTE MET EEN BIJBEL. Mijn zoon! van d' eeuw'gen God werd deze schat gegeven aan 's werelds volkren t' zaam met Jacobs nagslacht. Heb in dat woord ook gy uw heul, uw heil, uw leven. Geen zilver of geen goud haalt by zijn duur en kracht. Zoo vestig oog en hart steeds op dat Boek der boeken, doorgrond zijn diepen zin in eenvoud en gebeên, en leer' der vaadren God u dáár Hem-zelven zoeken, Die 't eerst ons heeft gezocht in Zijn barmhartigheên. U laat ons ouderhart voor schat of kostbaarheden het somber uitzicht slechts op een geschokten tijd! Is Jesus en Zijn liefde het uwe eens ingetreden zoo zegge u, o mijn zoon! dit - hoe rijk gy zijt. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN MIJNE DIERBARE EGADE, OP HAREN VERJAARDAG EENIGE DAGEN NA DEN DOOP ONZER JONGSTGEBORENEN. Neen! ik bied u goud noch paerlen, of wat kostbaarst vloeien mag uit de schatten dezer aarde voor een feestelijken dag. Neen! uw keus is niet de weelde van een rijk bewerkt geschenk, of wat uitgezochte gaven 't blij verjarend hart bedenk'! - Met een toongalm mijner snaren, met een uitgestorte beê, uit de diepte mijner liefde, houdt zich de uwe wel te vreê; - en daar is, daar is tot zingen in erkentnisvollen lof, o! daar is voor dankend bidden, en aanbidden, volle stof. Lieve weêrhelft van mijn leven! teedre moeder van mijn kroost! in de smerten dezes levens steeds me op nieuw behouden troost! rijke gunst des Allerhoogsten, my, de minste zelfs onwaard, eens gegeven, vaak hergeven op een doornenteelende aard! 'k Zag ook thands u als herleven uit zoo menig worsteling. weêr de moederplaats hernemen in den huisselijken kring. - Welkom, welkom aan die plaats weêr! Welkom met het dierbaar kind, waar ons hart een tweetal spruitjes, reeds verengeld, in hervindt! waar ons hart een pand in zien mag van den God die slaat en heelt, en in ondoordnkbre wegen rouw- en troostpaân toebedeelt. o! Het feest van uw verjaren is me een blijde zonneschijn; schoon er nevels, sombre nevels, aan den hemel mogen zijn; schoon er wolken mogen hangen over kerk en land en huis, en zoo veel an rondsom toeroept: „Buig uw schouder onder 't kruis!" Wel dan! o! die toekomst wenke! met dat kruis bestaat de Hoop, die ons zondaars werd verzegeld in den dierbren Christendoop. - Dierbre! wat die doop verzekert ook aan 't zwakgeloovig hart, zij de beê van onze zielen, in 't gezicht van vreugd of smart, zij de beê van onze harten voor elkander, voor ons kroost, zij, in worstling of verzoeking, onze toevlucht, onze troost, zij, in leven en in sterven, onze rust en vaste rots: „'t eigendom te zijn voor eeuwig eens Genadevollen Gods; „ja, des Vaders die ons lief had; ja, des Zoons, voor ons geslacht, „ja, des Geestes, die ons vrij maakt. - Hy is Liefde, Waarheid, Kracht." 1841. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN MIJNE EGADE. OP DEN 26sten DECEMBER DES JAARS 1825, TER EERSTE VERJARING VAN ONZEN EERSTELING WILLEM DANIËL. Diebre teêrgeliefde Gade, door des Heilbeschikkers hand my geschonken tot een pand dier aanbidlijke genade, die, waar ze echtgenooten paart, hemel mededeelt aan de aard, in een weêrschijn van die Liefde, die zich-zelv' niet heeft gespaard, toen in 't lichaam geopenbaard, onze zonde Hem doorgriefde! Hoe verrukt die traan my 't harte, waar, uw minlijk oog in smelt, als ge ons telgje in de armen knelt, d'eersteling van uw moedersmarte, wien dees feestlijke dag 't eerst voor 't licht ontluiken zag, en, bevrucht van nieuwen zegen, d' eersten heilverjaargroet uit over d' afgesmeekten spruit, kroon der echt, van God verkregen. Met dat hart, dat hy verheugde, dat van weemoed glinstrend oog, thands gestegen naar omhoog tot den Oorsprong aller vreugde! Zonder dankgebed tot Hem, psalmgejuich van hart en stem, zoude er heil zijn voor den Christen? Onze blijdschap is van God! Wat ware ons het schittrendst lot, Lieve, zoo wy dit niet wisten? Naar de Hoorder der gebeden met een offerhand van lof uit dit levenlooze stof in des Heilands naam getreden! Ja! Hy hoorde, toen gy badt in verzuchting om den schat, dien uw schoot me in 't end mocht schenken! Zoo Hy af te wijzen scheen, 't was tot voller zaligheên, boven bidden, boven denken! Vreugde van mijn levensdagen! Welk een hemelzoete plicht, voor Zijn zeegnend aangezicht thands dat spruitjen op te dragen! Aan die hoedende Engelenwacht, die met heel des afgronds macht geen Verderver kan verdrijven, onder 't zegel van dien Geest, die op Isrel is geweest, die met Isrels zaad zal blijven. Schat noch rijkdom op deze aarde, roem noch aanzien by den mensch, is der Christenmoeder wensch voor den lievling, dien zy baarde! Hy zij de Uwe, groote God! O! bestier geheel zijn lot, dat hy 't rijk van Jesus erve! Dat hy nederig en klein, in Zijn bloed van zonde rein, Christus leve, Christus sterve! Leer, mijn zoon! vroegtijdig vreezen, wiens gezegend merk gy draagt, die uw kinderschreden schraagt, die uw Leidsman steeds zal wezen! Wees den Herder steeds nabij, die uit 's werelds heerschappij in Zijn schoot ons wil vergaderen! die, vóór 's werelds grondzul stond, uw gezegend lot verbond aan de ellende van uw vaderen! Beurtelings slaven, beurtelings vorsten, beurtelings zwervers over de aard. voor verdelging steeds gespaard, schoon zy God verwerpen dorsten, - heeft uw voorgeslacht gedwaald, schoon door ongeloof verstaald toch geleid door d' Ongezienen, om in 's aardrijks laatsten tijd van der logen boei bevrijd, Jesus eeuwiglijk te dienen 't Zag den val van Sions vesten, 't bracht van de oevers van d' Eufraat 't diep verneêrde koningszaad naar de verste kust van 't Westen! 't Voerde 't riddelijke rapier onder Portugals banier, en, de afgodendienst ontvloden, week het van 't Hesperisch strand naar 't herbergzaam Nederland, in de duisternis der Jonden. In dees streken uitverkoren als een tweede volk van God, mocht (o nooit volprezen lot!) uit de duisternis herboren, uw bevoorrecht oudrenpaar dan na tweemaal honderd jaar u aan Jesus voeten brengen; en den heilgen Christendoop (pand der goddelijke hoop) op uw dierbaar hoofd zien plengen. Bleef een zoon uit Jacobs lenden, thands niet meer door vleesch en bloed, maar door 't hopende gemoed, waar die vaadren God door kenden! Dien den Hoop van Abraham, dien den Heiland van uw stam, leef ter eere diens Ontfermers! Strijd, in Zijne roeping sterk, voor de Nederlandsch Kerk! voor het Huis der Kerkbeschermers! O mijn telgen! in ons leven, in ons sterven zijn wy Gods! Hy is onze vaste Rots! 't zij we in vreê te Hemwaart streven, of (indien ik uiten mag, 't is geen deze onvergeetbre dag (*), voor het oog der ziel doet stralen) langs des heilgen Jonglings spoor, dien der Heilgetuigen koor de eerste bloedkroon zag behalen. 1825. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN MIJNE EGADE, TER HARER VERJARING, den Tweeden April 1826. Laat (ons) alzoo onze dagen tellen, dat wy een wijs hart bekomen. Psalm XC : 12. Ik vond benaauwdheid en droefenis. Maar ik riep den naam des Heeren aan, (zeggende): Och Heer, bevrijd mijne ziel. De Heer is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermend. -- Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den naam des Heeren aanroepen. Psalm CXVI. Wederom een dag van zegen, onzen harten opgegaan! Nieuwe vreugd, van Hem verkregen, voor wiens aangezicht wy staan, om Hem eer en dank te brengen, om Hem stroomen lofs te plengen uit een overstelpt gemoed! Hem, die nimmer zeegnensmoede my voor d' ergsten slag behoedde, vloei' de zangtoon! Hy is goed! Ja! Hy hoorde, toen uw sponde me in de zielsverzuchting zag van de siddring voor een wonde, die geen balsem heelen mag! Zijn verhooring mocht ons blijken! Dood en ziekte moest bezwijken! Uit de duisternis rees licht! Hy, de Heiland, de Albehoeder sterkte, redde, maakte u moeder...... van een thands verengeld wicht. Dierbre! een traan bedaauwt uw oogen! 'k Schrei met u! weêrhoud ze niet! Maar het harte steeds ten hoogen! vol van weemoed, geen verdriet! 't Geen Zijn liefde ons heeft gegeven voerde Hy niet uit het leven, maar ten leven zalig in! 't Geen één uur ons hier verheugde, heeft thands eeuwge hemelvreugde, zielsbedroefde hartvriendin! O! wat weldaân, by het lijden van het anstig oudrenhart! O! wat goddelijk verblijden, by de zielverscheurbre smart! Ach! wy zagen 't telgjen leven! Onze lippen mochten kleven aan zijn nog bezielden mond! en wy mochten in zijn trekken 't onbeschrijfbre merk ontdekken, dat een kind van God verkondt! 't Oudrenharte zag hem leven, zag hem lijdend, stervend, dood! maar het mocht hem wedergeven met een hoop, die God-zelf bood! 't Engeltjen verliet zijn hulsel, dat van onder 't kerkverwulfsel opstaan zal ten jongsten dag; uit het zelfde grafgesteente, waar ook eenmaal ons gebeente den bazuingalm wachten mag! Wel! de knieën dan gebogen in den tempel onzes Gods! Lof gebracht aan 't Alvermogen! Lof in Christus, onzen Rots! Dank gebracht voor angst en lijden! Dank voor redding en verblijden in dit vreemdlingsland der stof! Dank voor 't spruitjen, kort van dagen, dat onze oogen naauwlijks zagen, of God plantte 't in Zijn hof! God van heil! God onze Vader! Onbegrijplijke! immer goed! Bren ons steeds Uw liefde nader door des Een'gen zoenend bloed! Stort Uw volheên van genade op de teêrgeliefde Gade, op het dierbre huwlijkspand, die Uw gunst my liet behouên, die 'k met kinderlijk vertrouwen veilig wete in Uwe hand! Moge ons steeds Uw Liefde laven! Heilig ons in vreugde en smart! Heilig ons Uw milde gaven! Heilig d' echtknoop van ons hart! Leer ons onze dagen tellen, dat ze niet daar henen snellen met des werelds ijdlen schijn, maar in zonde- en zelfverzaking, in geloof en heiligmaking, aan Uw dienst verbonden zijn! ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN MIJNE GELIEFDE GADE, BY DE OVERGAVE VAN HET LAATSTE DEEL DER KOMPLEETE DICHTWERKEN VAN BILDERDIJK. Der dierbre Vrouw, wier liefde en trouw sints drie maal dertien jaren, in elken strijd, ten allen tijd, in zielsbezwaren en gevaren, my stond ter zij; en nu met my by d'aanblik weêr van deze bladen geeft lof en eer aan haren Heer, van al Zijn wegen en Zijn daden. 1859. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN MIJNE JONGSTE DOCHTER OP DEN DAG HAARE EERSTE AVONDMAALSVIERING. Voici l'Homme. - St. Jean XIX : 5b. (Johannes 19 : 5) Voici votre Roi - St. Jean XIX : 14b. (Johannes 19 : 14) o Dierbre dochter, wie voor tweemaal negen jaren eens moeders biddend hart ter doopsbesprenging bood! Wilde onzer vaadren God ons dan nog 't voorrecht sparen om aan eens Heilands disch ook u als feestgenoot te aanschouwen -- ook dees telg in 't midden der gemeente begroet te hooren met den zoetsten zusternaam? Hoe dringt die zegen ons door ader en gebeente! Hoe zeegnen we op nieuw met heel ons huis te zaam, weemoedig tevens 't oog naar die gewesten heffend, waar reeds een deel ons bloeds ons voorging by den Heer. Hoe zien we u dankbaar aan, met ons de plicht beseffend, met ons den liefdedrang gevoelend, Hem ter eer, He, volgzaam en getrouw voortaan ter eer te leven, die, trouwe Herder, om ons leven leed en stierf, en, door geheel zich-zelf, voor ons ten prijs te geven, 't onmooglijk mooglijk maakte, en zondaars 't Heil verwierf. o Dochter! dat uw hart, steeds voor Gods waarheid open, de panden van dat Heil geen enkel uur vergeet': noch 't water dat als kind u 't voorhoofd heeft bedropen, noch wat ge op dezen dag by brood en wijn beleedt! 1859. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN MIJNE LIEVE EGADE, OP HAAR VERJAARDAG, INVALLENDE OP GOEDEN VRIJDAG, 2 APRIL, DEZES JAARS 1847. Meer dan eens, geliefde Gade! by het vieren van den dag, dien ik heden met ons vijftal dankend weder groeten mag, - meerdan eens was, by de vreugde, die uw jaarfeeststonde ons brengt, leed en rouw op onze harten, weedom rondom ons, gemengd! Meer dan eenmaal trokken nevels voor dat lentezonlicht heen, dat om uw geboorteviering dubbel welkom my bescheen. Ja, wy loofden en wy weenden; en de doornen dezer aard griefden vaak ook onder 't stijgen van den dankpsalm hemelwaart. Gade, my van God behouden tot mijn trouwe hulp en troost! gade, levend voor uw egâ! moeder, levend in uw kroost! heden, als ik God mag danken voor uw leven, uw bezit, - als mijn ziel weêr op uw jaarsfeest om een nieuwen zegen bidt, - heden - spaarde ons Zijne Algoedheid nieuwe tranen onder 't kruis, dat Hy in Zijn liefdewegen opgelegd heeft aan ons huis - lost zich wederom de feesttoon van het diep geroerde hart in 't herderken op ééns lijdens, - ééner ongelijkbre smart! Ééne smart, de bron voor eeuwig van een vreugde zonder peil! Éénen dood, den prijs van zondaars voor het onuitspreeklijk heil! 't Is de Vrijdag, (in aanbidding noemt de Christenheid hem goed!) 't Is de Vrijdag, waarop éénmaal algenoegzaam werd geboet door den Zoon, ten zoen gegeven voor de doodschuld onzer ziel, om nog hooger op te heffen als zy laag en grondloos viel. Lieve! wat u toegesproken, toegezongen, toegebeên, op den kruisingsdag uws Heilands, dan de vrucht diens dags alléén? Al wat kostlijk, al wat troosten, zalvend, heelend, reddend is, ligt verborgen in den rijkdom van de kruisgeheimnis. 't Zij uw deel van jaar- tot jaarkring, dag aan dag, en stond aan stond, steeds meer ingeleid te worden in de vastheid van 't Verbond, dat in 't zoenbloed onverbreekbaar eenes menschgeworden Gods, vaststaat voor ons, zwakke rieten, als een schaduwrijke rots. 't Zij ons deel, geliefde Gade! dáár geplaatst van onzen God, dáár te geven in Zijn handen ons en onzer kindren lot, by het klimmen van de jaren, by het klemmen van de zorg, starend op de hartwonde van een eindloos trouwen Borg, op die voorspraak, waar elke aanklacht van den Vijand by verstomt, opwaart ziende naar die wolken, op wier wagenen Hy komt, Hem te leven, Hem te sterven. 't AMEN voeg' Hy-zelve er toe, die gesproken en volbracht heeft! Dat Hy 't geve! dat Hy 't doe! ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN MIJN GADE, OP DEN EERSTEN GEBOORTEDAG VAN ONZEN ZOON ABRAHAM. Aanvaard, Geliefde! by 't herdenken van den dag die u ten vierden maal een blijde moeder zag, aanvaard den kelk des heils, om Jesus naam te loven voor 't tweetal uit uw schoot, dat Hem aanschouwt daar boven, voor 't tweetal hier beneên, ons in Zijn gunst gespaard. Ontfang hem uit de hand van 't kindeken, gebaard in Zijner vleuglen schaaûw met zoete moedersmarte, gekoesterd en gelaafd aan t dankend moederharte! God-zelf vervulle u dien van dank en vreugde en troost in 't met ons in Zijn naam ten doop verwaardigd kroost! Hy, Abrams God en schild, storte over 't spruitjen zegen naar Abrams naam genoemd, en heilge Zijn wegen; en make ons in die hoop, als 't pas gespeende kind, dat stil en zonder vrees zich by zijn moeder vindt! 1830. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN MR. J W. WILLEKES. - fugaces - Labuntur anni. HORATIUS. Wat immer, Will'kes! met der jaren stroom vervliet', het graf, het huis, de les vergeet ons harte niet van Bilderdijk, ons meer dan ongelijkbre Dichter, des Vaderlands sieraad, en groote gloriestichter! Moog zijn gedachtnis ons nog dáár tot zegen zijn, waar geen herinn'ring meer aan 't harte vreugd kan geven, dan die betrekking had op 't Onverganklijk Leven, en wat al 't wereldsch is naakt openbaar wordt - schijn! 1832. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) A A N M I J N E E G A D E OP HAAR VERJAARFEEST. Wederom, geliefde Gade! wordt de luister van een dag, waar het hart van die u lief heeft, God op nieuw voor danken mag, dan getemperd door een onweêr, over huis en land gebracht, maar, wat zielesmart ons drukke, door uw leve my verzacht! Ja! wy loven in de tranen, onder 't somber van een tijd, ernst- en jammer-, schoon ook hoopvol in zijn teeknen wijd en zijd. - Ja, wy zwijgen en aanbidden by 't herdenken van een zoon, ingegaan na bange worstling in de rustplaats van Gods doôn, - van een zoon, die, was zijn leed ons lang een bron van zielsverdriet, in dat woord: „Hy is mijn Heiland!" ons zoo vol een troostbron liet, - van een zoon, die, door uw zorgen vier en twintig jaar gekweekt om volzalig te herleven in uwe armen is verbleekt! (Onze oudste zoon, Willem Daniel, ontslapen 5 Dec. 1848.) Ja, wy zwijgen en berusten by 't ontvallen van een Vorst, (17 Maart 1849.) van wiens leven onze liefde zich zoo veel beloven dorst by verwachting en verzuchting, thands verijdeld hier beneên, - nooit vergeefs toch neêrgeworpen voor den Hoorder der gebeên. Midden in de diepen weemoed, in den dubblen harterouw, geeft ons God nog feest te vieren, Uw verjaarfeest, dierbre vrouw. Weder dan een jaarkring verder op dees doornenteelende aard, onder wiss'lend leed en vreugde voor het lievend hart gespaard van het teder, aan uw zijde zich steeds vaster klemmend kroost! van den gade, wien uw aanblik steeds bemoedigt, staâg vertroost, lieve levengezelline naar een hooger levensdoel! Ach! tot kwijting van 't aandoenlijkst, hartvervullend vreugdgevoel, wat beteekent keur van woorden, wat, geschenken en schoon, ter erkenning van die liefde, of die moederzorg ten loon, (neem dit luttel feest vereering toch met welgevallen aan!) by een enkle zucht des harten door het uw' zoo wel verstaan, - by een enkle zucht des harten tot den Gever alles goeds, tot dien Gever van Zich-zelven en van alle vrucht Zijns bloeds? Zulk een zucht, geliefde Gade! rijst op dezen vreugdedag, rijze op elken dag das levens, die ons hier beschijnen mag, by de dankstof onzer zielen uit mijn binnenst op tot God! 't zij wy leven, 't zij wy sterven, kalm of stormig zij ons lot, vast te blijven, wat oook schudde, met elkander, met ons zaad, in den Heiland, die ons vrijkocht, en wiens liefde nooit vergaat. 2 April 1849. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) A A N N. B E E T S, BY DE TERUGZENDING VAN EEN VAN HEM GELEEND KAARTJE VAN HAARLEMS OMSTREKEN. Wijs Herder! wijs nog lang aan zoekenden den weg. Dat de Opperherder op uw arbeid Amen zegg'! Haamsteede 1847. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN MIJN VADER (OPDRACHT VAN DEN BUNDEL „POËZY.") Gunt gy 't hoog vereerde Vader! dat een zoon U hulde bied' met den eersteling van een ader, die nog ruwe zangen schiet? Dat hy drie en twintig jaren, in uw weldaân doorgebracht, met de galmen van zijn snaren (ach! hoe min!) te erkennen tracht? Voor het sterfelijk oog verborgen, richt de Koning van 't Heelal met in al voorziende zorgen heel den loop van 't Lotsgeval! Door Zijn ondoorzienbre wegen worden wy hier rondgeleid! De aardsche beeldtnis van dien zegen is eens Vaders tederheid! Wat die teêrheid kan omvatten, o mijn Vader! toondet Gy! 'k Loonde met geen aardsche schatten, met geen wereldheerschappij, al uw zwoegen, al uw pogen in de vorming van mijn jeugd, immer zwevend voor mijn oogen, met het voorbeeld van uw deugd 't Bloed vooral, dit in mijn aderen met een deel uws aanzijns vloeit; kostbaar erfdeel onzer Vaderen, die, met Oostersch vuur doorgloeid, daar, waar Taag en Iber vlieten eenmaal schitterden op de aard, en wier grootheên ons verlieten; doch - hun eer bleef nog bewaard! God beschouwt het uit den hoogen, wat Gy voor my waart en zijt! Ik, ik bloos van 't onvermoten der erkentnis, U gewijd. Ik bied vruchten aan, voor danken, in de Muzen hof geplukt: klanken, ja! maar in die klanken heeft mijn ziel zich afgedrukt! O mijn Vader! 'k leg dan heden met een diep geroerd gemoed, (stell' mijn zucht uw recht te vreden!) hart en dichtlier aan uw voet! Wil die van elkaêr niet scheiden, neem ze beiden gunstig aan, schenk uw zegening aan beiden, en mijn wenschen zijn voldaan! ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN VROUWE ALEIDA BEETS, BY HET AFSCHEID NA ONS TWEEDE VERBLIJF TE HEEMSTEDE IN DEN ZOMER VAN 1847. Lieve Echtvriendin des Herders dezer dreven, eens in Gods gunst en milde menschenmin ten levenshulp, ten levensheil gegeven, - straks in Zijn dienst ter medestrijderin! Hoe ruischt hier -t woord der Evangelieboodschap te zoeter om die zoete harmony, dat Englen-zelf gevallig bondgenootschap van man en vrouw, van kerk en pastory, dat schoon akkoord van -t heilbevel: „Gelooven!" gelijk dáár zoo zieldoorschuddend klinkt, met liefde en vreê die, uitgestort van Boven, hier zalvingsvol door merg en nieren dringt. Neen! ook ons hart zal nimmermeer vergeten - dien morgenpsalm zoo kalmend en zoo goed, die Geestestaal, ontblootende -t geweten, en drijvende naar Christus offerbloed. Neen, nimmermeer (God, onzen God zij de eere!) die plaats, die kerk, dien stoel, dat huis, dien disch, dien omgang als in schaduw van den Heere, die voor het hart èn zout èn balsem is. En thands! wy gaan. By zegening of smarten wy laten u, gy ons, dat hart in pand. Wat zeg ik? neen! de Rotssteen onzer harten, - in Hem de kracht van onzen zielenband. Voorts! o Vriendin! terwijl de zangen rijzen, waarmeê nog steeds door -t zoekende gemoed de vaste hoop der vroome Paltzerwijzen van uit den mond uws Echtsvriends wordt begroet, zag vaak dat uur u op een zoogling starend, of zwevend om heel -t viertal met uw oog, en stil uw zucht met Beets gebeden parend, dier lieven hart als ligten naar omhoog. - o! Voor hen meê, wie vaak uw huis verkwikte, stijgt dan uw bede om licht, om kracht, om troost, naar dat Gods hand èn kruis èn strijd beschikte - gedenk ook onzer dáár, gedenk ons kroost! ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN VROUWE GROEN VAN PRINSTERER. GEBOREN VAN DER HOOP. IN HAAR ALBUM. En gy zult Zijnen naam JESUS heeten, wan Hy zal Zijn volk zalig maken van hunne zonden. Matthéus I : 21. Vijf letters!... maar Gods liefde - ons heil - daarin besloten! - O leeft het in ons hart? Wat zal ons onderstooten van de onuitspreekbre hoop, wier vastheid dan recht blijkt, als 't zichtbre wegzinkt, als ons vleesch en hart bezwijkt? 1842. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN WILLEM DE CLERCQ, BY GELEGENHEID ONZER VERJAARDAGEN (Jan. 13 en 14) IN 1843. De hand van God verbond ons lot. Wie zal het rukken van elkaêr? Wat eenmaal stond, door Hem gegrond, blijft eeuwig vast, blijft eeuwig waar. Eens Heilands trouw kent geen berouw. Wie zal ons scheiden van dien Heer? Geen tegenspoed, geen overvloed, geen smaad, geen haat, geen gunst of eer. Geen volksgedruisch, geen Ridderkruis, geen leed, geen nood, geen dood of graf staat Hy naby en ons ter zij, die zich voor ons ten losprijs gaf. „Dat Hy bewaar!" blijf voor elkaêr 't gebed des harten tot aan 't end; 't gebed tot Hem, die naar de stem des toevlucht zoekenden zich wendt. Wy hebben 't Woord! Het word' gehoord, geloofd, bewaard, doorzocht, onthuld. en in genâ, 't zij vroeg of spâ, aan 't geen ons hart bemint, Zijn Naam ter eer, vervuld! 1843. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) OP EEN AFBEELDSEL VAN BILDERDIJK. IN 1787. Onorate l'altissimo poeta1 - Dante. Geef eer den Strijder, in den vroeg verwoesten bloei zijns levens, toen met God en Nassaus recht in 't harte, zijn onverschrokken geest, by 't dreigend stormgeloei, den omwentlingsdwinlandij en heel den Eeuwgod tartte. 't Is 't beeld van Bilderdijk, eer Ondank en Geweld hem uitwierp van dit strand en pris gaf aan de baren: straks op den moedergrond, hem weder vrijgesteld, een krans van smaadheên vlocht voor zijn vergrijsde hairen. En hy, hy wreekte zich met lauwren, in zijn leed gekweekt voor 't Vaderland; ja, met dien oogst van zangen, wier onafzienbren schat hy Neêrland erven deed, met hoeveel flaauwheid ook door Neêrland vaak ontfangen. Om al dier zangen wil, om al dier lauwren glans, vergeeft hem 't ongelijk, zoo in zijn kamp op aarde des Dichter vlammend zwaard, zijn afgerichte lans, zijn scherp gewette pijl, geen hoogheên miste of spaarde van drieste willekeur in 't rijk van kunst of taal, - van aangematigd recht op ongestaafde glorie, - van brallend ongeloof in ijle woordenpraal, - van afgoôn op 't gebied van Godsdienst of historie! - Vergeeft hem 't ongelijk! reeds dekt sints twintig jaar het Haarlemsch kerkverwulf zijn afgetob gebeente. O! spreek' geen vreemdling spreek' geen nageslacht aldaar, met weemoed stilgestaan by zuil en grafgesteente, dees strenge erinnring uit, der dooden recht ten zoen: „Op Dante tot der dood stiefmoederlijk verbolgen, „kwam by zijns Dichters lijk Florence boete doen; - maar Bilderdijk ontsliep, en Neêrland bleef vervolgen." ISAÄC DA COSTA (1798-1860) ALEXANDER ZEGEFEEST. I. Het feest der overwinning klonk door Perziës verslagen steden, door 't zegepralend heir betreden, waar voor Darius macht verzonk. Te midden van de pracht der Vorstelijke zalen zat op de hoog verheven troon Philippus nooit verwonnen zoon. Met roos en myrt om 't hoofd en om de gouden schalen omringde hem zijn wapenbroedrenstoet; en aan zijn zij zat schittren din den gloed der jeugd, der schoonheid, en der liefde de vrouw, die 't minnend harte griefde van den Veroveraar, Heil u, heil u, zalig paar! Heldenmoed en deugd te kroonen, past de hand alléén der schoonen! Past de hand alléén der schoonen! Past de hand alléén der schoonen! KOOR. Heil u, heil u, zalig paar! enz. II. Timotheus, aan het hoofd der zangeren, 't bezielend speeltuig in de hand, heft aan! De heilige vlam ontbrandt om aller zielen te bezwangeren van hemelwellust! 't Lied begint van Jupiter, van minnesmart ontzind. De liefde voerde hem op aarde: de vlammende opperhuid eens draaks verbergt den Vorst der goôn! Hy wringt zich aan de borst der Koningin, die Alexander baarde, en lescht zijn heete liefdedorst, en schept een beeldtnis van zich-zelf, een' Wereldkoning! De Dichter zwijgt: de vorstenwoning weêrkaatst het juichen op zijn godenmelody, en alles waant de godheid zelf nabij! De Koning hoort en wordt verheven, verheven tot een god, zijn bloote wenk tot een gebod waar aarde en hemel voor moet beven! KOOR. De Koning hoort en wordt verheven, enz. III. Nu stroomt de lof des Wijgods met zijn toon. De lof van Bacchus, eeuwig jong, en eeuwig schoon! Daar komt de godheid aangereden! is zegepraal! Trompet en trom en rinkelbom begroet zijn wagen van rondom! Met vuur de godheid aangebeden! De blij-, de zachtheid van 't gemoed spreekt in den tintelenden gloed van 't jeugdig bloeiend wezen! Zij zijn weldaad steeds geprezen! Onuitspreeklijk is haar zoet, onuitputbaar de overvloed van zijn gaven, die het fel ontstoken bloed van den krijgsman laven! KOOR. Zij zijn weldaad steeds geprezen! enz. IV. Die toon ontvlamt des Konings bloed! De hoogmoed groeit in 't fier gemoed, en voert hem voor den geest die wijd befaamde dagen toen voor zijn schrikkelijke slagen wat vijand was met siddring boog. De kunstnaar ziet die woede stijgen, hy ziet den Vorst naar wapens hijgen, 't gefronseld voorhoofd, 't vonklend oog, dat aarde en hemel gesmoord, die drift bedaard! Nu ruischt een toon, aandoenlijker van aart, van uit de snaren des gewijden. Hy zingt Darius, groot en goed, den Vorst, die eens heel Azië regeerde, wiens eer- en braafheidvol gemoed het onrechtvaardigst Lot verneêrde! Vervallen van den koningstroon, door een ontmeschte hand verraden ontelbre weldaân tot een loon, ligt hy on 't vlietend bloed te baden, alléén op 't naakte strand, in 't stervensoogenblik! Daar is geen mensch, zelfs om den laatsten snik des eedlen Konings op te vangen. Daar zit nu de Veroveraar. Verwonnen door den Kunstenaar, geketend aan zijn zangen! Zijn ziel doorzag 's Lots wispelturigheên: een zucht is aan zijn borst ontgleên! een traan gloeit op zijn wangen! KOOR. Daar zit nu de Veroveraar. enz. V. De Dichter zegepraalt! Zijn hand zal malscher tonen nog doen hooren! De deernis is aan mingevoel verwant! De treurzang zweeg: de zang der liefde wordt geboren! „De oorlog is een schakel jammren; roem, een flikkring die niet baat," dartelde het lied des Dichters in zijn Lydiaansche maat! „Is 't tot eindeloos verdelgen, of veroveren van de aard? „Is zy, aan uw wet gekluisterd, u niet waardig het genot? „O! versmaad ze niet, de volheid van 't u zegenende Lot! „Naast uw boezem prijkt een Thaïs, en uw boezem bleef nog koel?" De min, de toonkunst zegevieren in 't ongekend gevoel, dat de oorlogszucht versmoort in 't hart der fieren! Den Koning baat geen wederstand! zijn adem brandt! Hy zocht, en laat de gloeiende oogen onwillig op de schoone gaan! Hy zucht en ziet haar nog eens aan, en zwicht voor Liefdes alvermogen, en minnedronken zinkt de Vorst op Thaïs aangebeden borst! KOOR. Den Koning baat geen wederstand! enz. VI. Die weekheid verdwijne en de krijgsmoed herrijz'! Dus wil het de dichter! Zijn brommende snaren, gestemd tot verhevener krachtiger wijs, verkonden zijn wil aan de weeldrige scharen! De Vorst ontwaakt op d' eigen stond, en heft het hoofd ten hoogen, als aan den dood onttogen, en ziet getroffen rond! „Ontwaak (dit hoort hy, fel bewogen) „ontwaak, ontwaak! „Zie om u heen! De schrikgodinnen waren! „De slangen sijflen in heur haren! „In beider oogen vlamt de wraak! „En langs de koninklijke wanden „houdt, met een heltoorts in de handen, „een bleeke drom van geesten wacht! „Ge erkenst hen? 't Zijn Grieken, 't zijn eerlijke helden, „tot uw dienst, tot uw roem, op de bloedige velden, „ten prooi aan het hongrig gevolgelt' geslacht! „Zie de vlam van den somberen fakkel der dooden. „hoe zy dreigt op de tempels der Perzische goden. „op heel 't haatlijk gewest, dan hun schimmen bespot!" Alles juichte, alles vloog op des dichters gebod! En de Koning nam een fakkel, en hy snelde woedend heên! en een latere Heleen ging hem voor met rassche schreên, om met hem een tweede Troje tot een puinhoop te vertreên. KOOR. En de Koning nam een fakkel, en hy snelde woedend heên! enz. VII. Dus zong in lang verloopen tijden, eer nog de tooverkunst bestond den Zefier een metalen mond te vormen, waar zijn aâm welluidend door mocht glijden, dus zong Timotheus! Naar zijn lied ontsprong de kittlin van 't verlangen, de bijtende angel van 't verdriet. Maar later eeuw zag zijn gedachtnis vervangen door grooter wonder, hooger macht. Cecilia betrad deze aarde, wier geest met nieuwe scheppingskracht de melody des orgels baarde, en, stout, het rijk der kunst tot wijder grenzen bracht! Timotheus lauwer moet verteeren, of deelen beiden éénen lof! Hy voerde de aard ten hemelsfeeren, en zy verhemelde dit stof! KOOR. Cecilia betrad deze aarde, enz. Naar het Engelsch van DRYDEN. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) EEN ALOUD PINKSTERLIED. Veni creator Spriritus. Daal, Schepper Heilge Geest! daal af! Uw adem, die ons 't aanzijn gaf. herschepp', beziel' vervull' de borst die naar Uw waterstroomen dorst! Die in der waarheid Parakleet, Vertrooster, Zalver, Voorspraak, heet! Gy eeuwig versche Levensbron! Gy ongeschapen Liefdezon! Bestraal, o zevenvuldig Licht! den tempel Gods, door U gesticht. En, Vinger van Gods rechterhand! bespreng den stam, door U geplant. Van eeuw tot eeuw Belofte en Tolk des Vaders aan zijn Kerk en Volk! Verkregen gaaf, verworven loon van d' aan het kruis geslagen Zoon! Laaf met Uw regens ons gemoed! Stort in onze aadren Uwen gloed! Wie naar Uw komst en roeirng smacht, onfangt in de onmacht hemelkracht. Loop als een stroom de vijand aan, o! hof Gy-zelf omhoog de vaan! 't Zal waarheid zijn, waar Gy ons leidt, en vreugde en vrede in eeuwigheid. Leer ons den zaalgen Vadernaam uitroepen, met den Zoon te zaam, en met U-zelf in 't Godsbestaan, van beiden eeuwig uitgegaan. 1859. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) OP EENE VIJF EN TWINTIGJARIGE ECHTGEDACHTENIS. Half een vijftigtal van jaren t' zaam gedragen op de baren van de ruime levenszee, met verwisslend wel en wee! Dat het feest zij in uw huis, hoe ook vaak beproefd in kruis! Is het vreugde? - God verheugde! Waren 't tranen? - God verzoet! En voor allen die gelooven, maak' het Jesus-zelf daarboven alles - en oneindig - goed! 1840. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) TER BRUILOFT VAN MR. HENDRIK JACOB KOENEN EN JONKVR. DIONISIA CATHARINA VAN HALTEREN. Heil Bruidegom en Bruid, elkaêr van God gegeven voortaan in lief en leed voor altoos lotgemeen! Heil by den ingang van uw nieuw, verdubbeld leven, gy, door Zijn Woord verklaard niet langer twee, maar één! Moogt ge ieder nieuwe zon, aan één disch gezeten, door d' eigen drank gelaafd, en door éém brood gevoed, uw harten vol van heil, God lovend, welkom heeten, en roemen dáárin 't meest - 't Is vrucht van Jesus bloed! ISAÄC DA COSTA (1798-1860) TER BRUILOTSFEEST VAN G. E. BARON VAN ASBECK EN JONKVROUWE CAROLIEN VAN HOGENDORP. In den naam des Gods van liefde, die by d' aanvang heeft verklaard aan 't boetseersel dat Hy vormde tot Zijn evenbeeld op aard: „hooger heil dan heel dit Eden u ten erfdeel toegezegd, nog een leven in het leven werd van My u weggelegd. Uit de hand van uw Formeerder, uit uw eigen vleesch en been zij eene egade u geschonken met u zalig, met u één." In den naam des grooten Konings, die aan Canaas bruiloftsdisch in de wondren zijner Godheid 't allereerst verheerlijkt is: die uit water wijn gebiedend voor zich-zelf den beker kiest, in wiens diepten zich de diepte onzer zondeschuld verliest. In den naam diens grooten Konings, Bruîgom-zelve van die kerk, Zijner oogen lust en glorie, Zijnes Geestes schoonste werk! In den naam des Heilgen Geestes, aan de leden van dat Hoofd tot een Raadsman, tot een Leidsman, onveranderlijk beloofd èn langs frissche waterbeken, waar de palm en ceder tiert, èn door 't dal de moerbeîboomen, of wen storm en noodweêr giert, naar een onverganklijk leven, waar geen vijand meer belaagt, en de levensboom van Eden louter levensvruchten draagt. In dien naam van driemaal heilig, driemaal heilig, driemaal goed, zij de dag, het feest, de feestdisch door ons jubelend begroet! Zij de beker dien wy heffen, dierbaar Echtpaar! u ter eer, tot een dankgebed geheiligd voor uw heillot van den Heer! Ja! de Bondgod van uw vaadren, uw Verbondsgod in den doop wil de God zijn van uw echtknoop, van uw hart, uw sterkte, uw hoop. God in leven, God in sterven, onder 't loflied, onder 't kruis! „'k Wil hem dienen (zegt de Bruîgom), met mijn gade, met mijn huis!" - „Noordwijks rozen mogen blozen of verbleken en vergaan „'k blijf mijn egade in die keuze, (zegt de Bruid), ter zijde staan!" - Moederds, broeders, zusters, vrienden juichen weemoedvol te moê, edel Bruidspaar! die gelofte met hun Amen! zeegnend toe 1854! ISAÄC DA COSTA (1798-1860) IN HET ALBUM DER BEWAARSCHOOL S O P H I A TE VOORBURG. Gesticht door Jonkvrouwe Hoffman, thands Baronesse van Wassenaer van Catwijck. Jonkvrouwlijk ijver sticht; en Neêrlands Koningin schenkt aan den bouw Haar gunst en d' eêlsten Harer namen(1) Zoo moog Gods eigen Geest den schoonen wensch beamen: de wijsheid, hier betracht, zij de echt Christuszin! Zoo moog zijn Vaderoog der kleinen schaar bewaren! Zoo mogen 't op die plek volwass'nen mede ervaren, dat 's werelds Heiland, neen! geen kindren van zich weert, maar in wie Hem behoeft, 't gemoed een kinds begeert. 1854. ------------------------------------------------------------------------ VOETNOOT: ISAÄC DA COSTA (1798-1860) OP EEN AFBEELDSEL VAN PRINS WILLEM Hoe menigwerf gemaald, hoe meinigmaal bezongen, van Vader Willems beeld heeft Neêrland nooit te veel, 't zij weder, telkens versch, verbreid op dankbre tongen, of door rechtaarde kunst heboren op 't paneel. Aanschouw het hier opnieuw, dat oog, zoo goed, zoo schrander dat Prinselijk gelaat waar 't eelste Ridderbloed gevierd van eeuw tot eeuw door Duitsch- en Nederlander, in leeft, by stout beleid en stillen martlaarsmoed. Aanschouw hem in dat Delft, pas door hem uitverkoren ten Vorstenzetel, neen! ten eerebed en graf! Ziet gy den hoftrap, voor den bloeddoop reeds beschoren waar hy voor God en 't Land zijn jongsten adem gaf? Daar klimt vriendlijk af, de borst vervuld van vrede. - daar stort hy, laag belaagd door moordpistool en dolk, in 't eind den moord in d' arm, met de onvergeetbre bede voor eigen zielsbehoud, en voor Gods arme volk. Wien hier zijn aanblik roert, het antwoord op die woorden, dien doodsnik, die triumf, zij een verheven traan, een traan, die sprekende voor Maas- en Amstelboorden, aan Rome, aan heel Euroop, deze uitspraak doe verstaan: „'t Waar mooglijk, dat dit land, op d' Oceaan gewonnen, „in d' Oceaan verdween of onzer stroomen slijk! „'t Waar mooglijk dat dit volk, na vijfmaal zestig zonnen „te rug viel tot het peil der eeuw van Oostenrijk, „maar mooglijk nimmermeer dat Neêrland Neêrland bleve, „voor 't minst gedachtig nog hoe Neêrland Neêrland werd, „en dat niet van dit hoofd de lof en liefde leve „in 't binnenst heiligdom van Kerk en School en hart." 1856. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) OP EEN AFBEELDSEL VAN BILDERDIJK. IN 1787. Onorate l'altissimo poeta1 - Dante. Geef eer den Strijder, in den vroeg verwoesten bloei zijns levens, toen met God en Nassaus recht in 't harte, zijn onverschrokken geest, by 't dreigend stormgeloei, den omwentlingsdwinlandij en heel den Eeuwgod tartte. 't Is 't beeld van Bilderdijk, eer Ondank en Geweld hem uitwierp van dit strand en pris gaf aan de baren: straks op den moedergrond, hem weder vrijgesteld, een krans van smaadheên vlocht voor zijn vergrijsde hairen. En hy, hy wreekte zich met lauwren, in zijn leed gekweekt voor 't Vaderland; ja, met dien oogst van zangen, wier onafzienbren schat hy Neêrland erven deed, met hoeveel flaauwheid ook door Neêrland vaak ontfangen. Om al dier zangen wil, om al dier lauwren glans, vergeeft hem 't ongelijk, zoo in zijn kamp op aarde des Dichter vlammend zwaard, zijn afgerichte lans, zijn scherp gewette pijl, geen hoogheên miste of spaarde van drieste willekeur in 't rijk van kunst of taal, - van aangematigd recht op ongestaafde glorie, - van brallend ongeloof in ijle woordenpraal, - van afgoôn op 't gebied van Godsdienst of historie! - Vergeeft hem 't ongelijk! reeds dekt sints twintig jaar het Haarlemsch kerkverwulf zijn afgetob gebeente. O! spreek' geen vreemdling spreek' geen nageslacht aldaar, met weemoed stilgestaan by zuil en grafgesteente, dees strenge erinnring uit, der dooden recht ten zoen: „Op Dante tot der dood stiefmoederlijk verbolgen, „kwam by zijns Dichters lijk Florence boete doen; - maar Bilderdijk ontsliep, en Neêrland bleef vervolgen." OP EEN AFBEELDSEL VAN PRINS WILLEM Hoe menigwerf gemaald, hoe meinigmaal bezongen, van Vader Willems beeld heeft Neêrland nooit te veel, 't zij weder, telkens versch, verbreid op dankbre tongen, of door rechtaarde kunst heboren op 't paneel. Aanschouw het hier opnieuw, dat oog, zoo goed, zoo schrander dat Prinselijk gelaat waar 't eelste Ridderbloed gevierd van eeuw tot eeuw door Duitsch- en Nederlander, in leeft, by stout beleid en stillen martlaarsmoed. Aanschouw hem in dat Delft, pas door hem uitverkoren ten Vorstenzetel, neen! ten eerebed en graf! Ziet gy den hoftrap, voor den bloeddoop reeds beschoren waar hy voor God en 't Land zijn jongsten adem gaf? Daar klimt vriendlijk af, de borst vervuld van vrede. - daar stort hy, laag belaagd door moordpistool en dolk, in 't eind den moord in d' arm, met de onvergeetbre bede voor eigen zielsbehoud, en voor Gods arme volk. Wien hier zijn aanblik roert, het antwoord op die woorden, dien doodsnik, die triumf, zij een verheven traan, een traan, die sprekende voor Maas- en Amstelboorden, aan Rome, aan heel Euroop, deze uitspraak doe verstaan: „'t Waar mooglijk, dat dit land, op d' Oceaan gewonnen, „in d' Oceaan verdween of onzer stroomen slijk! „'t Waar mooglijk dat dit volk, na vijfmaal zestig zonnen „te rug viel tot het peil der eeuw van Oostenrijk, „maar mooglijk nimmermeer dat Neêrland Neêrland bleve, „voor 't minst gedachtig nog hoe Neêrland Neêrland werd, „en dat niet van dit hoofd de lof en liefde leve „in 't binnenst heiligdom van Kerk en School en hart." 1856. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) L I E F D E. In d'eerste gloed der jeugd, wen 't licht getroffen hart de prikkling van 't vermaak, en 't knellen van de smart in al hun kracht ontfangt, wanneer de driften woelen door heel ons aanzijn, en de Godheid doen gevoelen, die noopt tot zaligheid - wat voorwerp heeft natuur den dichter waardiger, den liefde! uw hemelsch vuur? Voor u dan klink' mijn zang! Geliefde zanggodinnen! bezielt me, 'k ga een lied, het lied der jeugd, beginnen. Wie zijt ge, hemeltelg! wier goddelijke gloed 't heelal in wezen houdt? Wat drift de boezem voed', van u edelste, de heiligste van allen, van u de machtigste! By duizend duizendtallen biedt u het menschdom dag aan dag het offer aan van harten, die voor u, voor u-alleenig slaan! Uw aâm is heeter dan de gloed der hemeldaken, wen Sirius gesternt' het aardrijk dor doet blaken; de drift, die op uw wenk het ziedend hart vervoert, is woester dan de orkaan, die d'Oceaan beroert. Wie zijt ge hemeltelg! Uw frissche myrtenkransen zijn duizendwerf meer waard, dan de onbetrouwbre glansen der kroon. De vorstlijke eik, de slanke populier verneêren voor uw myrt hun fierheid. De laurier beschaduwt 's dichters hoofd, om zich aan haar te paren. Aanschouw de menigte, die zich om uw altaren verdringt. Het bleek gelaat getuigt de minnesmart die merg en bloed verteert, gekoesterd in het hart! Des krijgsmans woestheid is in tranen weggezonken uit de oogen, die allen van oorlogsijver blonken: zijn moordlust is gesmoord; hy ademde in de lucht, die in dees streken speelt, een liefelijker zucht. Verg, dichter! van uw lier geen moedige oorlogszangen, het kweelend liefdelied heeft die van zelf vervangen, en alles stemt te zaâm, om d'invloed van de min te zingen, alles roept haar dierbre gunsten in. Wie zijt ge, hemeltelg? Wat, dit uw alvermogen? Daal neêr, aanbidlijke, voor onze aanbiddende oogen. Een lentekoelte waait, en spreidt zijn ambergeur door 't trillende geboomt': de frissche grond stort keur van bloemen, alles âamt een nieuw, een beter leven. Wat ruischt gy, golfjes! door een teedre lust gedreven en spat in schuim op? En gy, zoete melody van 't tjilpend pluimgediert! spreek, wat verkondigt gy? Wees welko, heilgodes! gy nadert uit den hoogen! Verblindend in uw glans, uw schoonheid voor onze oogen. Maar ja, wy kennen u, des hemels oudste kroost! door wie het menschdom werd, en die zijn jammren troost; geen kind vol wreedheid, dat, met dartelende handen vermaak schept met zijn gif het weêrloos hart te branden; o neen, een engelin, die waar haar voetstap naakt, het doode levend, en wat leeft gelukkig maakt! Gelukkig duizendmaal, op wien uw gaven dalen, wie al de schatten van een wereld niet betalen; gelukkig duizendmaal, wiens uiterste ademtocht, aan u geheiligd, uw gezegend heil bekocht. Vergeefs misgunt een zee u de allerzoetste kussen, Leander! zou haar woede uw brandend minvuur blusschen? Uw arm tart golf en storm, en overwint; de nood verhonderdvoudigt uw geluk; maar zelfd de dood waar' zoet, mag Heroos hart er 't offer van ontfangen! O! mocht mijn boezem eens zich aan uw boezem prangen, naar wie mijn hart vergeefs sints de eerste kindschheid zucht, wier tooverbeeld me omzweeft wier wezen my ontvlucht! 't Zou door het bruisschen heen der opgezette baren my storten in uw arm; ja duizend doodsgevaren trotseeren om één blik van uw aanminnig oog. De roem van oorlogsmoed, de roem der kunst klinkt hoog, en zoet weêrgalmt haar stem in vrijgeboren harten! Maar ach! wat is dat zoet by 't heil, ja by de smarten der liefde! Lauwerkrans! die 't dichtrenhoofd omvlecht! Was ooit mijn jeugdig hart aan uw bezit gehecht, 't waar om u met dit hart der schoonheid aan te bieden! Maar gy, o Engelin! wat spoedt gy, ons te ontvlieden? U danken we, u-alleen, wat de aard tot hemel maakt! Verleen uw bijzijn aan den dankgalm, dien zy slaakt. Maar neen! gy toeft niet: moe van 't nietig stofgewemel, spreidt gy den goudglans van uw wieken uit ten hemel; ons oog verliest u in zijn bogen! voer de beê van 't onvoldane hart voor 't minste met u meê. Ik vraag geen aardsche macht noch licht vergankbre schatten, die onrust zonder maat, geen rein geluk bevatten; ik hijg naar 't heil van een door u gezegelde echt. O mag ik heel den loop mijns levens aan het recht ter Godgeliefde dienst van d'onderdrukten wijden, zoo laat my voor die zaak de felste rampen lijden. Ik ben gelukkig, 'k ben verheven boven de aard, zoo gy my slechts een bloem op dit mijn pad bespaart. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) „V O O R Z I E N I G H E I D". ------------------------------------------------------------------------ Inleiding tot de Hymne Voorzienigheid. ------------------------------------------------------------------------ Genesis XXII : 14 Gy ZIJT, en 't geen wy zijn is ONZIJN, o mijn God! Gy ZIJT! De wereld, en het menschdom, en hun lot, zijn 't denkbeeld, dat Gy uit, en weêr te rug kunt halen! Gy zijt de zon des ZIJNS; wy, uw vergankbre stralen! ------------------------------------------------------------------------ Één enkel oogenblik, één wil, één wenk, één woord bracht heel een wereld, brengt geheel een toekomst voort! Één woord bevolkte 't Niet, toen myriaden zonnen hun voorbestemden dans op hemelmaat begonnen; Één woord bepaalde heel de werking dier Natuur, die schijnbaar aan zich-zelf vijandig, sints dat uur tot dat het gantsch Heelal in God te rug zal keeren, zich-zelf vernietigd en herteelt. Één woord des Heeren roept Adam uit het stof, en vormt hem tot Gods beeld! Maar 't eigen woord van God, dat hem uit de aarde teelt, doemt hem op d' eigen stond ten val; noemt hem te gader tot koning van dees aard en aller zonden vader; verdeelt zijn schuldig bloed tot miljoenen van vervallen engelen, afbeeldsels van één man; verstrooit die over de aard, en deelt hen af in standen en rangen, wisselend, gelijk het zand der stranden; om het der eeuwen loop, door één volzaalgen keer, waar hemel, hel en aard toe medewerkt, hen weêr te voeren in Zijn schoot, die overvloeit van leven, en aan het leven-zelf het leven weêr zal geven! ------------------------------------------------------------------------ Dit 's de Alvoorzienigheid! Haar looft het Englenkoor in hymnen, mooit gestaakt, en aangeheven voor den aanvang van dien kring, waarin de tijden hollen! Die lofzang zal ook eens van onze lippen rollen, en dien der hemelen ontmoeten, als het uur zal dáár zijn, dat een nieuwe en Godlijke Natuur den dood verdelgen zal naar luid der Godsverbonden, en 't Englendom, langs de aard als boden afgezonden, de graven oopnen, en de dooden wekken zal, en God verkondigen aan 't daverend Heelal! „Verwinnaars van den dood! Staat op, en looft den Heere! „Doorwandelt tot Zijn roem de sterren! Tot Zijn eere „de heemlen! Broederen, herboren uit het stof! „streeft onze vlucht vooruit, en psalmzingt tot Gods lof!" Die dagen zullen zich, zy zullen zich vervullen, als ge uw verborgenheên voor 't menschdom zult onthullen, gy, werelden van stof! Gy, werelden van geest! En toonen ons in Hem die Is en Is geweest en Zijn zal, ons en u, in wederschijn der klaarheid die uitgaat van dat Oog, wiens Wezen eenig waarheid, wiens Alvoorzienigheid volmaakte poëzy, wiens schepping licht is, en wiens wetten harmony! En Gy, o afgod der Godlasterende ontzindheid! Gy, Toeval! Nietig spook, verdicht in onze blindheid! Versmelten zult ge in 't licht, dat onze ziel verwacht! Gelijk in 't morgenuur de vele damp der nacht! ------------------------------------------------------------------------ Bespoedig, groote God! dien heilrijksten der dagen! Almachtige! Gy, die de tijden kunt vertragen of haasten, met één zwaai dier ongeziene Hand, die heel de wereld in beweging houdt en band! Wy leven in de hoop op Uw beloftenissen! Wy kwijnen van verlangst naar 't Godslicht, dat wy missen! En in de vlam van die verbeelding, die ons plaagt en in het leven houdt, ons foltert en behaagt, van die verbeelding, die een voorsmaak is der dagen, waarop de weldaad van Uw schepping vrucht zal dragen, verslinden wy den tijd, die tusschen beide staat! Ontferm, ontferm, ontferm U onzer zwakheid! Laat het uur zich spoeden, dat onze oogen zich verzaden (indien het zijn kan) aan Uw schoonheid! Dat we ons baden in 't licht, dat uitgaat van Uw aangezicht, o God! O konning! In de schaâuw des schepters! Dat het lot der wereldbollen, die op Uw bevelen wandelen, der wereldzielen, die naar Uw bestiering handelen, in al zijn omvang, al zijn kronkelingen, al de Wijs- en Éénheid, die 't bezielen, als kristal doorzichtig, ons den God, uit wien het is, doen kennen! Op eindloos sneller nog dan Cherubynenpennen spoed aan, volzalig uur, en voer ons op tot God! Ontdoe ons van ons-zelf! Versmelt ons in genot! Laat ons bewustzijn-zelf in dat genot verzinken! Wy waken weder op by 't Hallelujahklinken! ------------------------------------------------------------------------ En thands, nu onze ziel, nog balling uit Gods hof, en vastgekerkerd in de duisternis van 't stof, haar oorsprong niet meer kent, in 't straf- en schandverduren verhard, of, voelt zy zich, vergeefs die ijzren muren poogt weg te breken, in wier engte haar de hand des noodlots houdt vervreemd van de Englen, haar verwant: o! laat een enkle straal, gedrongen door de reten van 't sombere gewelf, haar somtijds nog doen weten, wat oogen Gy haar schiept, om meer dan zonnen aan te blikken, als het uur der slaking eens zal slaan! En laat nog soms een bode, uw diamanten zalen verlatend voor een wijl, tot dees woestijnen dalen, en brengen ons bericht van 't dierbaar Vaderland, en leeren 't droef geslacht, dat Ge uit Uw bijzijn bant, het boetende geslacht van Adam, den gevallen, wie Hy is, die een koor van millioenentallen, door eeuw en eeuwen heen, bewierookt, lief heeft, looft: de Schepper van 't Heelal, der schepslen Heer en Hoofd! ------------------------------------------------------------------------ Die straal van licht breekt door! Die bode is afgezonden! -- Aanschouwt de hemelen! De hemelen verkonden de glorie van hun God, wiens troon geen hemel vat. Wie houdt het blaauw gewelf, met vonken overspat van oogverrukkend goud, te rug van in te horten? Of wie zijn werelden van plettren saâm te storten? Hy zendt zijn geesten uit, in vleugelen gehuld van ethervlam. Want heel de schepping is vervuld van dienstdoende Englen, die, ontelbaar en verscheiden, ontspringen uit Zijn schoot, om zegen te verspreiden. Der hemelkoten loop staat onder hun bestier! Zy golven d' ether door met goddelijken zwier, en stuwen zonnen en planeten met hun vinger door d' Oceaan der ruimte, en, hangende aan den slinger der Godheid, kruissen en doorkruissen onderling elkanders wegen en steeds weêr begonnen kring; en vormen met den zwaai der tallelooze bollen, die in d' azuren stroom om onze hoofden rollen, een heilge mengeling van dansen, op 't geluid, Jehova! van Uw stem. Maar andre Geesten uit den Hemel neêrgedaald, den ballingen van Eden ten broederlijken hulp, bevolken dit beneden, volvoerers van den wil van 't hemelsch Albestuur, en stichters in Zijn naam dier stoflijke Natuur, wier rijkdom ons omvloeit. Zy blinken in de droppen der zacht ontbonden wolk, die, rustende op de knoppen der bloemen, geur en kleur ontwikklen uit haar schoot! Zy schittren in den straal der zon, die 't levend brood in 's aardrijks boezem stooft. Zy drijven in de walmen der liefelijke daauw, die 't veld besproeit. Zy galmen in 't stormgebulder, dat den hemel zuiver vaagt en pest- en ziektedamp van voor ons henen jaagt. En in den donder, die des aardrijks ingewanden doet schudden, dat het vreest te ontvallen aan zijn banden hergeven ze, ongezien, een naklank an de stem des Ongezienen, die zich kenbaar maakt; van Hem, die Isrel tot zich riep, en zich den Uitverkoren in bliksemen deed zien, in donderen deed hooren! ------------------------------------------------------------------------ Gezegend zij Zijn naam in eeuwigheid! Geloofd Zijne Alvoorzienigheid! Roeme Isrel aan het hoofd der volkeren van de aard Hem Wreker, Rechter, Koning, en 't helverstommend lied der wachters van Zijn woning. God! een nog teedrer naam welt op van uit het hart tot U, o Vader! die de vreugd der ziel uit smart te voorschijn brengt; neen! uit wiens eenig wijze handen smart-zelve wellust is, en 't knellen van de banden waarmeê Ge ons hecht aan U, gevoel van vrijheid! Gy, o Vader! slaat ons gâ in werelds woesteny, met dieper teêrheid dan de slapelooze moeder, die over 't ziekbed hangt aan 't wichtjen. Albehoeder! Wat zaligheid ons treff', het is op Uw gebiên! Wat leed ons dreigen mag, het is door U voorzien, en reeds geweerd! Of, geeft Ge ons over aan de slagen van 't leed? Heil! Driemaal heil die 't tot Uw glorie dragen! ------------------------------------------------------------------------ De dag, die 't grootsch gebouw der werelden zag staan, zag tevens aller lot bestemd, geregeld, aan elkaêr geschakeld; 't lot der tallooze geslachten, die Adam en zijn gâ den dood ten offer brachten, het lot der troonen en der volken, en het lot van al wat adem haalt, of onbezield is. God heeft ieder haar geteld, op onzer hoofden schedel geworteld; en geen worm, geen stofjen, zoo onedel waar nioet Zijn wijsheid over uitgeädemd is! Zoo loof Hem, menschenkroost! En gy, geschiedenis der zichtbare natuur! Gy, letters der historie van 't menschdom! Spreekt en looft! En tuigt ons van Gods glorie! Herhaalt ons wie wy zijn, en wie die Schepper! Toont aan 't onerkentlijk volk, dat in Zijn goedheid woont, dat zielverrukkend, hart- en ingewandverteedrend, dat voor den duuveltrots onloochenbaar verneedrend, dat dichterlijk Geheel der Schepping! Legt ons uit dat Treurspel, met wiens loop de Tijd den zijnen sluit; dat Treurspel, met de jeugd der wereld aangevangen, toen één, één enkel paar, met de onschuld op de wangen, het grootsch tooneel betrad; door zonde en stervenssmart en veroneindiging van beiden sints verward; om eindlijk zich, o God! door en u U te ontknoopen, als Gy, Genadige! dees stervende aarde slopen, en, by 't herrijzen van haar doôn, herbouwen zult! ------------------------------------------------------------------------ Mijn ziel! Wees van het heil dier waarheid steeds vervuld! Gy leeft, gy denkt, gy wilt niet door u-zelve. Uw leven, uw denkkracht, en uw wil zijn u van God gegeven! En gy! wat zijt gy, dan het lijdelijk papier, waarop de Geest van God in letteren van vier zich uitdrukt? O mijn ziel! Doorpeins het ieder stonde; by 't streelen van de vreugd, gby 't snerpen van de wonde! In 't bloeien van de jeugd, en aan den rand van 't graf! Bestier niet, maar voer uit! En wensch niet, maar wacht af! Ja! geef aan d' invloed Gods geheel u-zelven over! Gelijk aan d' avondwin het ritselende lover; gelijk het wrakke schip, van mast en roer ontzet, aan de ongestuime zee en aan des nooddwangs wet; gelijk aan 't vuur der liefde een hemelzaalge minnar, en 't teedre meisjen aan den dierbren overwinnaar! Dan zult gy, met de kracht van die u schiep vervuld, in den verblindbren glans des diamants gehuld, een onomvatbren kring van schittrende idealen, en deugden zonder tal, van om u heen doen stralen! En gy, gy bovenal, ontzachlijk Tweetal, één in wezen, en op de aard éénstemmig aangebeên! Standvastigheid en moed! Verhevenste der deugden, die ooit een edel hert ontgloeiden en verheugden! Moogt ge ook van uit het mijn regeeren over 't Lot, my grooter wezen doen, dan lijden of genot, en voor het speeltuig, dat mijn vingeren bezielen, ter eer van God, mijn Heer, geheel een aard doen knielen! ------------------------------------------------------------------------ Moed en Standvastigheid! Wat zijt ge? Hoop op God, het zy ge met een wenk het weiflend oorlogslot beslist, als ge op den wiek der viervoets toegevlogen den wederstand ontwricht met d'opslag uwer oogen! Het zwaard deinst voor u weg: de kogels in hun vaart intwijken u; en gy, almachtig over de aard, streeft als de stormwind voort, en de Engel der viktorie is met u! Maar uw kracht is in geen zucht naar glorie; de Godheid is uw kracht, uw zege en uw behoud! Het zy ge, onwrikbaar als de ceder in het woud des Libanees, den eisch van 't vrij geweten voorstaat, vervolging, laster, haat, met hemelkalmte doorstaat, en op uw vijanden ter neêr ziet, als de rots op de opgezwollen zee en 't machtloos golfgeklots, dat om zijn voeten woelt! Der goddeloozen schichten verstompen op uw borst, ende omloop van de plchten gaat ongehinderd voort, te midden van 't geweld, te midden van het leed, dat u bestormt en kwelt! En gy, gy staat daar! 't Is de God der legerscharen, die in uw zelfkracht aâmt! Ja! Godverloochenaren! Bestrijders van den God, wiens weldaân gy niet kunt ontgaan! Indien het ooit uw boezem werd vergund, die zelfbewustheid van een overmacht te ontwaren, die veiligheid belooft in 't barnen der gevaren, en over 't lof triumf; zoo hebt gy op dien stond in 't hart den God erkend, belasterd door uw mond! ------------------------------------------------------------------------ Doch zalig, wien het hart, in heldenmoed verheven, zich door den adem Gods erkent te zijn gedreven! Die op zijn zegepraal zich-zelven niet verheft, maar Hem verheerlijkt, wiens gewijsde zeker treft! Volzalig, die op Hem, op Hem-alléén vertrouwen, en drijvende op Zijn zorg de zee des levens bouwen, ofschoon het noodweêr aard en hemel dreigt door één te schokken; zy, wier oog, door alle nevels heen, den arm ontwaren blijft, die 't