Een Lied Paul van Ostaijen Een vrouw die, een heideheuvel afdalend, kleine, paarse heidebloemen strooit over het hoofd van de welbeminde en lacht, zó zijt gij tot mij gekomen zomerlik reëel, sterke ziel van buiten, geworden tot mijn ziel; kracht, die weer buitenwaarts gaat. ------------------------------------------------------------------------ 7 julie 1916Zomerregenlied Paul van Ostaijen Regen, reiniging buiten mij, reiniging van de straten, alle dezelfde, minnaars die lang gewacht hebben naar dit overvloedig zoenen, maar nu hun lichaam golven, bevrijd van dit zomerzwaar verlangen, in de lange omhelzing van de knallende zoenen Wit gewassen wegen, straten na de omhelzing, in vreugde en berusting neergelegen, bomen der boulevards, herauten van de levende zege, klare klaroenen, roes van herlevend leven, rein van reiniging. Mensen die zich spoeden om de reine regen te ontvluchten en toch zelfs binnen de koffiehuizen, deel zijn van dit groots geheel der reiniging. Een handelsreiziger die ras een koffiehuis binnen gevlucht was, voelt nu pas de frisse damp, die stijgt uit zijn regenjas, hem doordringen. Als een poedel die uit het water rijst, voorzichtig het riet ter zijde schuift, rond zich een waaier van waterkorrels wuift, duikt de trem op. Het snikkende sienjaal viert feest, als onder zijn hijgen, zó betuigt het blije blaffen van het beest. Rustig zware adem, ligt het land, onder de omarming. een grijs kleed van een koningsdochter, zo is de slierende smoor, maar de gordijn van de verre regen verbergt niets. Damp van het land, lied van de aarde, levend als geboren gaat de klaarte uit de gulden gorgel van de leeuwerik. Land dat zich strelen laat door de lange, slappe vingers van de geliefde. Ritmus van de fijne regen, stappen van een pygmeeën-leger, dat draaft naar zege; stortregen, marsj van het heir der schone nederlagen, opflakkerend leven. Losbrekend patos, geweldig, overstelpend; moederzoenen voor het éne kind. Dorpen omstrengeld in het begeren van de wind, vergeten neergesmeten na het genot; losse, zachtgestreelde korenhaardos van de beminde. Eeuwig land, nooit genoeg bemind en nooit genoeg genomen, voel hoe de wind uw lijf rein maakt van verlangen. Vreedzaam-voldane volmaaktheid van de slagzoenen, regenomhelzing, rustig neergeleide berusting onder het jonge, bange branden van de zon. Regen: reiniging. Wit gewassen straten, klaterende tremsporen, witte wegen, lijnen van het spelend licht, onbevlekt herboren. Licht dat de koffiehuizen en de winkels binnenspoelt: verwachte Heiland. Over het land ging de regen, de godsgezant: Johannes die de zielen zuiver zingen zou. Zó regen: opperste reiniging in mij. Als klederen pas gekomen uit een nieuw-wasserij zie ik de mensen gaan over de straat; want geen doel heeft de regen dan dit: de wereld voor te bereiden, te reinigen voor de zonnekomst. Ik die weet, -- heilig weten van Gods genade, -- stap levend blij door regen, door de straten en langs de huizen, die zich baden laten als ik in het heilige bad der reiniging. Grootse wandeling: bewuste, uiterlike ritmus der stille handeling van het innerlike denken. Ritmus van mijn Ik, opgelost in het alomvattende ritmus van de elementen. Wandeling, rit door regen, regen, zelf rit door der getijden zegen. Lust van te gaan en de regensruppels sterven te voelen in het koele van mijn regenjas. Nieuwe werkelikheid: zachte regen die mij omvat; stortvlaag, die mij opneemt, verder draagt in zich; frisheid van mijn handen en van mijn gelaat; onwerkelike werkelikheid, zó onverwacht, maar zelf wachtend op wat zij voorbereidt. Loutering. Want zoals de waters van de regen wegspoelen, na de reiniging, hun taak volbracht, zo lopen de straten, slechts met het éne doel, op en naar een groot plein, dat onbewust van wat voorbij is, en blank reeds, onbewust ook van zijn huidige schoonheid, te midden zongeplas te rusten lig. Zware adem. Rust. Bevrediging. Ik sta midden van het plein, zó als het plein te midden van der straten kruising ademt, en ben dit alles nu. Rust. Denken dat zich een ogenblik vergenoegt te zijn de gedachteloosheid van 't enige genieten. Over zó'n strijd onthutst, ligt de zon enkel te kijken te midden van het verslagen leger der wolken. 1-15 september 1917Vincent van Gogh Paul van Ostaijen I. Profeet van Paturâges en zuiderzonminnaar, maar meer dan dit: diepbewogen dichter die de zware dingen van buiten licht schiep, herschiep als de kompleet blauwe lucht, -- herder die het onvruchtbare gebeuren van buiten, naar het grote centrum dreef, de oasis, de keure van frisheid... In ons zelve hebben wij de Jordaan; allen die nog Godsvreemd en belâan met de erfzonde zijn, -- de dubbele machteloosheid van het naar buiten kijken en de loutering, dit is de permanente zege in ons: patos en tragiek, dit het innerlike, daarom het heilige 'veni, vidi, vici', -- al die machteloze vreemdelingen van buiten, al de gebeurtenissen zullen wij godskinderen verfrissen door het heiligmakende water van onze Jordaan. Kunst is de alles overstelpende liefde en de alomvattende. Als de zoon van tobias die ter genezing van zijn vader uittoog naar een ver land, en daar de vis haalde met de kieuwen uit het water: de ogen van zijn vader het licht schonk. Kunst is de liefde in elke daad. Kwintessens. En het volledige liefde zijn. En dit is liefde als Vincent deed: de talenten die hij kreeg, tot de waanzin, tot het leed dat vreugde wordt, levend maken. Niet het zijn of niet te zijn is de levensopgaaf, maar het misterie van het zijn vult alles. Het eigen zijn. Dat over alles te leggen. Wordt eigen zijn van de omgeving. Alles te vervormen, te martelen, te doden tot schoonheid. Je zelf dood rekenen voor de wet, om de wet van je zelf te verbreden. Abstraksie van je zelf, want deze kosmiese liefde vult gans je zelf: Bron van den aardbal. Vincent. Zo is hij. Hij is niets en hij is alles. Als de priester: meester en dienaar. En de wijn die eenvoudig perelt in de kelk is plots onder de adem van liefde, bloed geworden. Levende drank. II Meer dan uw werk. Dit is het grote, het oneindige. Het venster op de ganse wereld. Ook alles wat in de verte schijnt strekt zich daarbinnen deinend uit. Een venster is alles. De ganse wereld ligt binnen éeeen venster. Men zal dan van uw werk houden, wanneer het beurtelings met de geslachten bloem, steen of eik zal geweest zijn. Heel jong, -- nauwliks had ik je herkend, -- heb ik gevraagd: 'Vader, die kiezel is zo schoon, hoor je zijn schoonheid onder de trage tred van mijn laarzen? Maar zie deze ronde schijf in de zon.' Door wouden gaan. Pijnboomnaalden vallen als vingers van de bomen. Vingers zijn verlangen van lange, lome lust. In de boomgaard hangen kersen, aan lange, stramme takken, vruchten die zich saampersen als kinderlippen. Niet tastbare gloed waarin zij bloeden als een zinnelike boetedoening. 'Maar alle schoonheid, mijn zoon, is in de brand van je ogen. Ogen zijn steeds blauw als de zeestrandrand. III Leed als de golven van de oceaan die baren witte blaân van bloesems. Leed als van blaren aan de bomen. Bomen die kruinen worden, kruinen: der bergen wit gehelmde horden. Het arme leed wanneer het wordt ontzaggelik in het dragen aller leed, wordt scheppend leven weer. Wie al de noodbaren in zich stort, tot een fontein van helder water wordt hij weer. Wie leed als landen torst draagt in zijn flank de vruchtbarheid van honderdduizend zielen. IV De stem van Vincent Laat ons de blaren van alle leed vergaren. De aarde, ook vermoeid, heeft nooit dode blaren gedragen. De aarde wondt om, in de driedagestond, te laten herrijzen onder de loodzware kus van de liefde. En is die kus weerom licht leed, leed, dat alles is, -- Ik ben Die is, -- o, laat deze zoen niet verloren gaan want elke zoen is gloên van goed. Nooit wassen dode vruchten aan de bomen. De pijnen snikken eeuwig en laten hun lange tranen als vingers vallen. Weet dit, mijn zoon: wanneer alle leed leven wordt, houdt op het leven leed te zijn. V Kristus, Verlosser. Het Kruis vergaarde al het leed. Toen wierp hij weg het huis van zijn leed. Drie dagen en de schildwacht schrok. De kunst is groot. Een kruis van leed... dan valt het huis maar alles blijft. En telkens woont 't woord onder ons dat ons beloont, -- nieuw. De weg van de Verlosser, de weg van het leed: een hoogvlakte van geluk. De appel Paul van Ostaijen Toen mijn ogen de ronde vrucht hadden bekeken en toen zij hadden begrepen de appel zó-als hij werkelik aanwezig was, toen zeide mij die vrucht: er is iets in de vaak verlaten boomgaard van wat voorbij is, dat nu eerst als goddelik schoon te begrijpen is, omdat geen herleven aan deze herinnering nog verbonden is. Maar sterker omlijnde zich het beeld, toen ik de appel in mijn handen voelde, want zij herinnerden zich ook éénzelfde frisse koelte, en verder: dit moet wel zijn heugenis van geluk. Doch eerst toen mijn tanden de ronde wonde in de appel hadden gevonden, heeft zich het beeld tot handeling bezield. O de geurende boomgaard en de rust van de beesten, de morgenmist die wijkt langs alle zijden en twee dreumesen, die even te huiveren staan. Maar dan de rit door de natte weide, naar de appelboom, waar van de rijke vracht, een vrucht viel, loom, ter aarde. Dan het strelen van de appel in de kelk van de twee kleine dreumeshanden en dan in de vrucht de tanden, en in de mond overvloed van het nazomerse geluk. Zenuwleed van de tanden, maar vergeten in een nieuw bezit van de vrucht; verbreding van de wonde. Diepbezielde boomgaard, alle liefde tot een bom saamgebalde passionante, alvorens de zwarte dood zijn schroeven zet op de keel van het leven: bleker wordt de uiterste blankheid van al wat is. Jubellied van rijpheid. Liefde van de Aarde om 't onbewust naar-liefde-grijpen van de kinderen; kinderen zullen u liefhebben wanneer zij zullen vergaard hebben de appels van vele jaren. Wanneer zij dan een nieuwe vrucht zullen strelen, zullen zij dit ogenblik met zoveel liefde bedelen, als zij vroeger zelf bedeeld werden door de appel, want de liefde is een grote mond die zoenen wil. En de hap in de appel zal hun mond maken als de mond van het kind, huiverend door de frisheid van de vrucht en sterk nu om de vroegere kou, in de niet vergeten najaarswind. Wiegeliedje voor de geliefde Paul van Ostaijen Dat trage zich toevouwen je oogleden, te dragen het loom fluweel van onze nacht. Onze dag is geweest als bange blanke vazen, die waren blij de bloemen van ons liefdespel te scharen rei aan rei. Nu zal je slapem, mijn teergeliefde kind, want morgen moet je de ogen openen: 'n zeer fris blad dat beeft in morgenwind. Nu zal je slapen, mijn zachte kind, in de kuil van je haren; straks is het dag, dan moeten wij weer tuilen lezen gaan Morgen zal er uit het Oosten 'n koning komen, met nieuwe bruidskleren voor ons beiden; hem zullen wij, arm in arm, als kinderen in het woud, verbeiden. Knijp nu je ogen dicht, mijn luie luipaard en strek je heupen naar je lust. Ach du... du. ------------------------------------------------------------------------ 29 april 1918Lied voor mezelf Paul van Ostaijen Mijn Heer, mijn schip is op de zee. Ik vraag U niet: laat kalm zijn de baren nu; wie klaagt, draagt hij niet met zich mee bestendig een poel die eens zich sluiten zal over zijn hoofd? Mijn schip zal niet liggen blijven aan de ree, te luisteren naar het spelemeien van der tijen eb' en vloed, niet onder morose zegenrege', noch onder zonnevree, mijn schip moet in de storm mee op zee. Ik heb betrouwen in mijn boot, doch de baren slaan zo hoog, reeds over de voorsteven, reeds over de achtersteven. Als weer de zee vol vrede en rust is, zal dan het wrak van mijn boot niet mededrijven naar de ree? Ik ben een koen kind dat niets weet van de kloof die ligt tussen dood en leven. Kan een boot, mijn Heer, vergaan die niets draagt dan het licht gewicht van mijne blauwe ziel? En zo mijn boot nochtans vergaat, mijn Heer, kan ik dan zondigen nog? Neen... neen... Al de stemmen zingen mij: Ga mee op zee, met de baren van Kristus, met de baren van de Loreley. 18 mei 1918