Joost van den Vondel Conrad Busken Huet Bij de onthulling van het Standbeeld 1867 I Men had moeite noch kosten gespaard ten einde kostumen en dekoratien zoo frisch en zoo historisch mogelijk te doen schijnen; en die toeleg was gelukt. Keer op keer waanden de toeschouwers zich verplaatst, nu in een middeneeuwsch kerkgebouw, dan in een middeneeuwsche slotzaal. O ja, Badeloch's toilet had meer afwisseling kunnen vertoonen; Aemstel's vrouw had niet noodig gehad hetzelfde staatsiegewaad, waarin zij de godsdienstoefening had bijgewoond, gedurenede al de volgende bedrijven en tooneelen aan te houden. Doch haar zwartsatijnen kleed was nietemin uitmuntend van snede en vertoonde geen enkel zinstoorend anachronisme. Dat deden ook de helm of het zwaard van heer Gysbrecht niet, of de mijter van vader Gozewyn, of de plunje van Vosmeer, den spie. En hun spel? Zij waren geen tooneelisten van beroep. Af en toe zou meer routine sommige ongelijkmatigheden der voordragt sneller hebben doen vergeten. Om op gunstige oogenblikken tableau te kunnen maken was het personeel niet talrijk genoeg. Doch wat zou men van een gezelschap liefhebbers billijkerwijze meer verlangen? van een kring heeren en dames waaronder zich uit den aard der zaak Talma's noch Rachèl's bevonden? Het voornaamste was dat al de hoofdpersonen hunne rollen met liefde vervulden; niet één onder hen Vondel's verzen stelselmatig mishandelde; zeker gevoel van vereering voor het genie, dat den Gysbrecht dichtte, onwillekeurig de geheele voorstelling beheerschte. Veel liep zamen om ons dien avond in eene opgeruimde stemming te brengen. Hij viel in onze kerstvakantie; geen dagelijksche zorgen hinderden ons; wij verkeerden in bemind gezelschap. Wijd had de gastheer de deuren van het ruimste zijner fraaije vertrekken opengezet, -- te wijd dan dat wij al de personen om ons heen als onze bijzondere vrienden mpchten beschouwen, en toch niet zo averechts vrijzinnig of wij konden ons verbeelden, onder louter goede bekenden te zitten. De zaal was goed verlicht, van pas verwarmd, smaakvol gedrapeerd. Van ver en in onze nabijheid schemerde het van bevallige toiletten, bloeijende aangezichten, lagchende lippen en bezielde oogen/ Tusschen de bedrijven -- wie zou het van eene gastvrouw als deze anders verwacht hebben? -- werden ververschingen aangeboden; en al is men het tegendeel van een gastronoom, men blijft voor zulke oplettendheden niet ongevoelig. Eene regtmatige grief tegen de deftige openbare schouwburgen in Nederland is, dat men soms uren lang er op een droogje zit; tenzij men de moed heeft zich in eene tabagie te wagen, doortrokken van de geuren van een bierhuis. Hier daarentegen, in deze voortreffelijke liefhebberijkomedie, was de schouwburgzaal tevens foyer, en behoefde men zijne dames niet in den steek te laten om eene hartsterking te bekomen. Toch hebben wij dien avond met geheel onze ziel en al onze krachten Vondel -- verwenscht. Wij aten wafels, wij dronken chocolade, de gastvrouw heette Saartje: het baatte niet. Zelfs in dat lief gezelschap gevoelden wij ons als opesloten in eene benaauwde veste; en toen de engel rafael te langen leste zijne profetie voltooid had, en het gordijn gevallen was, scheen geen mindere magt dan het hemelsch geregt zich over ons ontfermd te hebben. Een krachtig: 'Goed voor eens, maar dan ook nooit weder!' gaf lucht aan onze nogtans niet onnederlandse, onze in den regel onbeklemde borst. II Deze voorstelling is overdreven, maar is zij ook valsch? Om bij het met opzet gekozen voorbeeld van den Gysbrecht te blijven, -- het eenige van Vondel's werken, dat onder ons een zweem van leven behouden heeft -- neem het voorschrift waarnaar Gysbrecht van Aemstel gereed gemaakt is, en gij zult erkennen dat op die wijze geen aangrijpende tragedie ontstaan kon; dat uw zin voor het schoone, getrotseerd en getart door dergelijke tentoonstelling van pedanterie, zich op de eene of andere wijze wreken moest. Eerzaam Haarlem! Wie had gedacht dat de zonden uwer jeugd eenmaal op zoo gevoelige wijze u herinnerd zouden worden, en nog na driehonderd jaren een rei van Amsterdamsche Maagden u nahouden zou, met Sparen weleer naar 's Amstels kroon gestoken te hebben! Met dit gegeven ontwierp Vondel Gysbreght: kleingeestige stof, al had de naijver der twee zustersteden eene dynastieke veete tot aanhangsel. Zelfs het genie is niet in staat, uit het hanegevecht van kijvende buren, de tragische toestanden te ontwikkelen waarvan een verdelgingsoorlog tusschen ras en ras zwanger zou kunnen gaan. Het bedenkelijkst was intusschen, want Gysbrecht heette een gelegenheidsstuk, dat in 1638 geen schepsel te Amsterdam zich warm kon maken over de haarlemsche stoutmoedigheden van den jare 1304. De verhouding tusschen beide steden was onderwijl tot onherkenbaar wordens veranderd. Om den medestichters van de Republiek der Vereenigde- Nederlanden begrijpelijk te maken hoe Dirk van Haarlem en Willem van Egmont zoo gebeten konden zijn op Gysbrecht van Amstel, zou de oudgrafelijke tijd in levendigen lijve op het tooneel hebben moeten verschijnen. Doch het was niet aan hefboomen van dien aards dat Vondel meende zijne kracht te moeten ontleenen. Die kracht, hij zocht haar in hetgeen wij de voornaamste zijner zwakheden noemen. Hij-alleen die nooit een historiespel van Shakespeare met eene bladzijde uit de kronijk van Holinshed vergeleek, kan het Vondel ten kwade duiden dat hij ten behoeve van zijn treurspel eenigszins in den blinde een greep in de vaderlandsche geschiedenis deed. Vondel behoefde niet te weten wat destijds zelfs de Vosiussen niet wisten, zelfs Hugo de Groot niet vermoedde, en hetgeen honderd jaren later, naar Huydecoper's aanwijzingen, Wagenaar op zijn gemak in het licht kon stellen. Ook laken wij het niet dat hij, ten einde zijn Gysbrecht een glimp van grootheid te geven en Badeloch's ingenomenheid met zulk een echtgenoot minder onwaarschijnlijk te maken, Graaf Floris opofferde en Witte van Haamstede aan den afschuw der weldenkenden prijsgaf. De poëzie voert heerschappij, ook over de historie; en al achten wij er Vondel minder om, minder dan Shakespeare, dat hij zelfs na driehonderd jaren Jakob niet liefhebben kon zonder Ezau te haten --wij zouden juichen in die kortzigtigheid indien zij hartstogt geworden ware en zich voor onze oogen had opgerigt als een wezen van vleesch en bloed. Doch, waar de school begint, daar eindigt het leven; en Vondel was te zeer met andere gedachten bezield dan dat hij zich rekenschap zou gegeven hebben van eischen als de aangeduide. Hem prikkelde, gelijk hij in zijne opdragt van Gysbrecht aan Grotius het noemde, hem prikkelde de genegenheid, naar het voorbeeld des goddelijken Mantuaan's, voor een keer te Amsterdam den schoonen brand van Troje te stichten. Was Virgilius in het gemeen de eenige fenix in wiens schaduw het hem lustte zij het ook laag bij de aarde te zweven, welnu, zijn nederlandsch treurspel zou de tegenhanger eener vermaarde episode uit een latijnsch heldendicht, en Gysbrecht eene gedialogiseerde navolging van het 2e boek der AEneïs zijn. Gelijk Argos in Haarlem, zou Troje in Amsterdam herboren worden; het kenmer rijsschip zou op het trojaansche paard gelijken, Machteld van Velzen op de grieksche Helena, Gozewijn op Priamus, Badeloch op Creüze, de kleine Venerik op den kleinen Ascanius. Nog meer: de amsterdamsche vroedschap zou de koningin van Karthago verbeelden, luisterend naar het verhaal van Gysbrecht-AEneas. III En ziedaar waarom Gysbrecht van Aemstel een treurspel is bij welks vertoonen niemand treurt, en de geheele wereld naar huis verlangt. Pedanterie! Misschien vergden wij, door al het dorre hout in deze tragedie met slechts één woord bijeen te binden, van dat woord meer diensten dan het in staat is te bewijzen; en wanneer wij bedenken dat ons oordeel over Gysbrecht wenscht aangemerkt te worden als het kort begrip van een dat verder reikt en Vondel's geheelen arbeid omvat, dan bekruipt ons den vrees dat deze opvatting van den dichter zal doorgaan voor eene karikatuur van den mensch. Doch het is nu geen tijd van aarzelen. Vondel was in zijn gemoed en in zijn leven het tegendeel van een pedant; de Gysbrecht is slechts een honderdste deel zijner werken; de AEneïs was niet zijn éénig model; Virgilius niet zijn éénige afgod. Wie loochent deze feiten? Wij allerminst, die geen vonnis opmaken, maar nadenken trachten te wekken en naar de oplossing van een raadsel zoeken. De Virgilius-dienst is bij Dante eene zelfstandige bezieling geworden; bij Vondel niet. In niet één zijner scheppingen heeft Vondel het jkeurslijf van het bastaardklassicisme te eenenmale afgelegd. Elk oogenblik is het, of hij voor goed op eigen wieken zal gaan drijven; enm, even als de geboeide arenden in onze diergaarden, zit hij na een vleugelslag drie vier weder aan de oude plaats geketend. Met dit onderscheid evenwel dat zijne gevangenschap hem dierbaar is. De oude letteren zijn voor hem een boom der kennisse des goeds en kwaads geweest, en dit verklaart den verrassenden afstand tusschen zijne vroegere en zijne latere poëzie. Nooit echter is het hem helder geworden, of heeft hij vermoed, dat hij, door van dien boom te eten, zichzelf een oordeel at. Vandaar dat zijne wegen en die der Nederlanders reeds bij zijn leven meer en meer uiteen zijn gaan loopen. Men kan slechts gissen, niet bepalen, welke magtige invloed door hem zou uitgeoefend zijn, indien hij te eenemaal een autoschtonisch genie geweest was; hoeveel hij in dat geval zou hebben bijgedragen tot de beschaving zijner landgenooten; tot welke hoogte hij hen en zichzelf zou opgevoerd hebben. En zij, -- indien zij hem hadden weten te nemen gelijk hij was; zich ingespannen hadden om hem te doorgronden; te onderzoeken of zijne onnatuur-zelve niet wellligt haar oorsprong nam uit heimwee naar eener hooger en reiner sfeer dan de hunne, -- wie zal het loon noemen dat in ruil voor die inspanning hun inden schoot gevallen ware? Het lot heeft het anders gewild en geen gelukkig toeval is verandering komen brengen in de onverbiddelijke werking eener regtvaardige Nemesis. De kloof tusschen den dichter en zijn volk is hoe langer hoe wijder geworden; Cats heeft den prijs gewonnen die Vondel beloofd was; zijne onvruchtbaarheid voor het nageslacht wordt alleen geëvenaard door die van Hooft en Huygens. IV Het behoort gezegd te worden: Vondel heeft nooit geleefd, Vondel leeft althans op dit oogenblik niet, in het hart der nederlandsche natie. Even als met Bilderdijk heeft men ook met hem in den laatsten tijd, proeven van restauratie genomen. Men heeft hem herdrukt comme il n'est pas possible de l'être; heeft hem begeerlijk gemaakt in de oogen van misdeelde onderwijzers; heeft te zijner eer al de hulpmidedelene van het galvanismus uitgeput. Vruchtelooze pogingen! Ongelezen en onopengesneden sluimert Bilderdijk in de boekekasten van twee- of drieduizend inteekenaren; onopengesneden en ongelezen dommelt Vondel nevens hem. Van de geestdrift waarmede eerstdaags zijn beeld onthuld zal waorden, is niemand dupe. De geschiedenis-zelve van dat beeld is een monument der menschelijke onvolkomenheid in het algemeen en van onze koelheid voor Vondel's nagedachtenis in het bijzonder. De Nederlanders zijn niet hardvochtiger, niet onvertederbaarder, dan de meeste andere volken der aarde. Bij de Novemberfeesten in 1863 is men getuige geweest van een enthusiasme als der Napolitanen, wanneer het beeld van den H. Januarius zijne bloedige tranen schreit. Toen het beslist was dat Holland-op-zijn-Smalst zou worden doorgegraven, heeft Amsterdam gevlagd en is van den Haarlemmerdijk de vreugdevlam der ontstoken teertonnen ten hemel gestegen. Zoomin echter in de hoofdstad des Rijks als op eenige andere plaats in Nederland heeft ook slechts gedurende één sekonde het hart de volks van blijdschap geklopt, toen de mare zich verspreidde dat Vondel gekroond zou worden. Welsprekende kalmte, à l'unisson met het gesloten blijven der boekerijen! Tusschentijds is de wet op het middelbaar-onderwijs gekomen, en hebben een aantal gemeenteraden, ten einde aan de nieuwe voorschriften te voldoen, het aanzijn geschonken aan een evenredig aantal leeraren in de nederlandsche taal en letteren. Vondel is daarbij tot op zekere hoogte niet kwalijk gevaren. De verraste docenten, te eerlijk en te eerzuchtig om kollege te geven over een schrijver in wiens werken zij het mes nog moesten zetten, zijn met eene uitgaaf van Roelants in hun koffertje naar de plaats hunner nieuwe bestemming gereisd en hebben, tusschen een bezoek bij den burgemeester en een bezoek bij de wethouders, vlijtig den PRins der nederlandsche dichters gelezen. Toen het nieuwe lokaal ingewijd was en de lessen een aanvang zouden nemen, waren zij gereed. Gelukkige hoogere-burgerscholen, hoe benijdt een nog hooger onderwijs u dat voorregt, door eene badensch-wurtembergsche wet u opgelegd! Aan onze universiteiten staat Vondel op de Series Lectionum alleen voor memorie uitgetrokken, en met den hoogsten lof kan men aldaar tot doctor in allerlei letteren bevorderd worden, zonder in het minst te weten, of te willen weten, hoe Joost van zijne snaren leefde. VAn onze hoogescholen gebannen, op onze burgerscholen een nieuweling, in onze huisgezinnen een gesloten boek, in onze boelverkooperswereld een incourant artikel, door de grooten aangegaapt, door het volk vergeten, zou Vondel inderdaad regt hebben te vragen om welke redelijke reden men hem onder ons een standbeeld gaat oprigten; en, tenzij tweehonderd jaren slapens in de Nieuwe Kerk te eenemaal bij hem den lust in het hanteren van roskam en rommelpot hebben uitgedoofd, moet de eerste beweging van zijn gemoed, wanneer de gebruikelijke fanfares hem het strijken zijner linnen kiel zullen aankondigen, de vergefelijke begeerte zijn, op de vois van 't looze Reintje nog eens te zingen dat het klinkt. V En moet dit nu zoo blijven? is de natuurlijke vraag van ieder die gevoelt en erkent dat deze denkbeelden een grond van waarheid hebben. Of het zoo blijven mag, antwoorden wij, is eene dier kwestiën van nationale moraliteit waaromtrent de uitspraak verschillen zal naarmate men nationaal gestemd is; doch dat het ongeveer zoo blijven zal, ziedaar wat naauwlijks bij ons aan twijfel onderhevig is. Altegader hebben wij ons aan gemaaktheid bezondigd; hebben eensklaps voor Vondel eene bewondering geveinsd, die wij niet regtvaardigen konden; hebben onszelf en anderen het hoofd op hol gebragt. De straf daarvoor kunnen wij niet ontgaan; en indien wij morgen of overmorgen, bij het feest der onthulling, in elkanders oogen en die van den vreemdeling eene dragelijke vertooning maken, zal het veel zijn. Zich goed te houden is in zich zelf geen schande; het is, indien men wil, de pligt van den fatsoenlijken man. Dat het de ware stemming zou zijn voor het oprigten van monumenten en het vieren van feesten, dit zullen wij onze medemenschen nog moeielijker wijs kunnen maken dan ons. Doch, indien het niet te voorzien is dat Vondel immer ophouden zal een impopulair auteur te zijn; indien hij dit integendeel meer en meer worden zal, naarmate de stroom des tijds ons verder van hem verwijdert, -- daaruit volgt niet dat hij ons onverschillig zou mogen worden. De anekdote van den franschen docent in de oude talen, wien men vroeg: à quoi sert le grec?, en die aanstonds gereed was met het snedig antwoord: à l'enseigner, -- heeft dieper zin dan men bij den eersten oogopslag gelooft. Zoo ligt ook in de schijnbaar paradozale stelling dat Vondel allereerst dient om les in hem te geven, eene kostelijke waarheid. Groot en weldadig is de paedagogische kracht die van Vondel uitgaat. Geen onderwerp, geen stof heeft hij behandeld, zonder over eenig deel een nieuw licht te doen opgaan; en altijd is dit licht van dien aard, dat men het niet kan opmerken zonder er tevens door gebaat te worden. Een jong mensch van den tegenwoordigen tijd, toegerust met de kennis van hetgeen Vondel wist, -- wist van de wereld, van de geschiedenis, van de wetenschappen, -- zou een buitengewoon verschijnsel heeten; terwijl niemand aarzelen zou hem een genie te noemen, indien hij daarenboven toonde eenig gevoel te bezitten voor dien dichterlijken blik, waarmede Vondel de menschen en de dingen plag aan te zien. En welk voortreffelijk hollandsch zou die jongeling spreken en schrijven! Misschien bezondigde hij zich in dden eersten tijd aan een archaïsme of wat; en, sloeg hij aan het rijmen, dan zou het ongetwijfeld eenige jaren duren eer hij den vondeliaanschen zuurdesem geheel uitgezuiverd en zijne oorspronkelijkheid voor goed op dien wegslependen meester veroverd had. Doch o, van hoeveel teleurstellingen zou hij ons troosten! De kostschool waar hij zijne opleiding ontvangen had, zou zich een onvergankelijken naam hebben gemaakt: 'Dit is het huis van Adriaan', zou men van haar zeggen, met zinspeling op een kinderprenteboekje uit de dagen van weleer. In nog verhevener zin dan voor onze hoogere-burgerscholen zijn Vondel's werken als uitgezocht voor het universiteitsonderwijs der toekomst. Wij gaan de eeuw der objektieve methoden te gemoet; en niemand heeft meer regt dan Vondel, zonder hatstogt of partijschap van alle kanten opgenomen, in alle rigtingen doorkruist, uit zuivere weetgierigheid bezien en beschreven, in één woord, tot een voorwerp van historische studie gemaakt te worden. Zijn gemoedsleven toont een bij uitnemendheid belangrijk zielkundig verloop; zijn dichterlijk genie is een dier ongemeene verschijnselen, waarop men jaren lang met de meeste aandacht turen kan, zonder het ooit geheel te doorgronden, maar ook zonder het waarnemen moede te worden; zijne maatschappelijke positie is een van leven tintelend hoofdstuk in de 17e eeuw. Over zijn versbouw zou dezelfde persoon een geleerd boek kunnen schrijven, en tevens op de onderhoudendste wijze kollege kunnen geven. Zijne taal, eindelijk, zou verdienen door de Literarische Fakulteit naar den juwelier gezonden en met de meeste zorg gezet te worden. De midden-eeuwen hebben in Nederland geen auteru opgeleverd die, uit dit oogpunt, zich met Vondel meten kan. Hij is in en loop van ons volksbestaan de eerste geweest, die om zoo te zeggen met vollen aptijt te gast ging op het nederlandsch idioom. Hij heeft er het mes in gezet, dat het sap van alle zijden uit het roodgebraden rundvleesch stroomde; den malschen klakoen heeft hij getroffen tusschen de vleugels en de borst; in breede strooken is onder zijne hand de schil gegleden der peer en der perzik; de droppelen van hun geurig nat hebben hem langs den baard gestroomd. Al hielden wij, wat het geval niet is, een eigen sleutel na op het geheim van Vondel's wentelingen in het godsdienstige, wij zouden over dat onderwerp hier niet willen uitweiden. Doch eene der redenen waarom hij, in de tweede en grootste helft van zijn leven, eene zoo sterke behoefte aan de Genade gevoeld heeft, zal wel geweest zijn dat hij zich van zeer nabij aan de Natuur verwant wist. Geen wonder dat hij zich van die banden des bloeds bewust was. Zij bestonden, en hebben diepe afdrukselen nagelaten in zijne taal. VI Vondel, naar men bemerkt, heeft eenige overeenkomst met de monumenten van antieke kunst, gelijk men ze opgraaft in Klein- Azië en ze tentoonstelt in den Louvre te Parijs. Om van zijne poëzie te genieten, moet men haar met een ligt instrument voorzigtig afkrabben; en alleen hij die geduld genoeg heeft deze operatie naar behooren te verrigten, krijgt de schoonheid der oorspronkelijke lijnen te zien. In denzelfden Gijsbrecht, dien niemand zonder geeuwen kan zien vertoonen, hoewel hij nog geenszins het meest soporifieke van Vondel's treurspelen is, hoe menige trek, hoe menige versregel, hoe menige strofe, waar het edlest gevoel en de fijnste gedachte harmonisch ineen vloeijen en zich oplossen in een vollen muziekalen toon! En van zijn manlijken leeftijd tot zijn jongsten snik, langer dan eene halven eeuw, heeft Vondel dien toon weten aan te houden. Wat maakt het uit, dat voor dem grooten hoop deze schoonheden niet langer bestaan? Ook het odi profanum heeft zijne regten. De kring van Vondel's vereerders is nooit groot geweest en zal dit nimmer worden; doch te geener tijd zullen zij te eenemaal ontbreken, -- en die weinigen zullen de besten zijn, -- voor wie zijn omgang een verheven genot is. Om onder ons en in den tegenwoordigen tijd, indien hij uit de dooden opstond, zich volkomen op zijn gemak te voelen, zou Vondel eene onmogelijke voorwaarde vervuld willen zien. De burgemeesters zijner dagen, de federatieve staatsinrigting, de aristokratische Republiek, het stadhouderschap der prinsen van Oranje, -- misschien zou hij in het gemis van dit alles desnoods berusten, en zich in ons koningschap en onze grondwet eene voldoende wschadeloosstelling aangeboden wanen voor dat samengesteld verlies. Doch, gelijk één ding van den nieuweren tijd hem ongetwijfeld naar den zin zou zijn, -- onze godsdienstvrijheid, -- zou ook één ding hem vast onoverwinlijk tegenstaan: hij zou niet kunnen verdragen dat Amsterdam alleen in naam de hoofdstad des Rijks is. Hij zou dit anders willen; en de onvruchtbaarheid van dien wensch zou hem ongelukkig maken, hem doen terugverlangen naar het graf. Zijn Amsterdam, zou hij meenen, moest in de 19e eeuw niet eene naieve provinciestad, maar vergelijkenderwijs eene wereldstad zijn. Daar, en daar alleen, moest het Hoofd van den Staat residentie houden, het algemeen bestuurzich samentrekken, het parlement beraadslagen, het leger de hand reiken aan de vloot, het moederland aan de kolonien. Te midden van den stoffelijken overvloed moest tye Amsterdam de nationale kweekschool voor alle wetenschappen en alle kunsten gevestigd zijn. Geheel Nederland moest willen opgaan naar zijne metropolis; elke gaaf, uit alle oorden des lands, moest dáár hare wijding ontvangen. Arme Vondel! De berg zal niet tot hem komen; en wanneer, in het Rij- en Wandelpark, men hem voor goed zal hebben vastgenageld aan zijn voetstuk, dan zal hij minder dan ooit in staat zijn zich naar den berg te begeven. Zitten zal hij, tot aan het jongste oordeel: zoo heeft de beeldhouwer het gewild, en zoo behoorde het ook. Zoolang de veengrond buiten de Leidsche Poort zijne zetting niet wegheeft, zal geen vogelvlugge amazone hem voorbij kunnen draven, zelfs geen hittewagentje zich kunnen voortbewegen om zijn grasperk, zonder hemzelf en zijn zetel bedenkelijk te doen dreunen. Doch in de dagen onzer kindskinderen, wanneer de amazonen van dit oogenblik overgrootmoeders zullen geworden zijn, zal die onaangename gewaarwording hem niet meer kwellen. Zijn ten hemel geslagen blik, met die vraag aan de morgenster, zal dan met onveranderlijke vastheid gerigt blijven op hetzelfde punt, uitziend naar eene nimmer aanbrekende toekomst en bestuurd door de herinnering van een belangwekkend verleden. Misschien is die weemoedige heugenis (eene gemeenzame bekende ook van ons) de eenige, maar dan ook onbetwistbaar dichterlijke zijde van het dagend feest. Vondel vertegenwoordigt onder ons eene dier nobele vergissingen waarop natien eeuwen lang teren kunnen, en die welligt meer ontzag inboezemen dan meige andere berekening, door de uitkomst minder meedogenloos gelogenstraft. De nederlandsche staatsinstellingen, wier duurzaamheid in zijne oogen voor een geloofsartikel gold, zijn gebleken de kiem des verderfs in zich te dragen en niet genoeg leven te bezitten om zich in tijds te kunnen vernieuwen. Zijn zingen van den tuinleeuw klinkt ons in de ooren als voorbereide Citadelpoëzie. Van al de leeuwendaalsche dingen, waaraan door hem de onsterflijkheid gewaarborgd is, heeft niet é;én den toets des tijds kunnen doorstaa. De letterkunde, wier voorlooper hij zich gevoelde, is weggebleven, en haar Messias moet nog komen. Ook binnen die grenzen evenwel voegt hem een standbeeld en dat standbeeld hem. Hij heeft aan ons geloofd, en het is slechts half zijne schuld dat wij hem teleurgesteld hebben; zijne hoop is op ons gevestigd geweest, en voor die tegunstige gedachten zijn wij hem eene vergoeding schuldig; hij heeft ons liefgehad, en de liefde mag niet van één kant blijven komen. Dit zijn geldige redenen. De geldigste, al zou men haar dubbelzinnig noemen, is dat hij Vondel heette en geen nederlandsche dichter vooralsnog in zijne schaduw kan staan. Jonker Johan Von Gutenberg De Haarlemsche Costerlegende, wetenschappelijk onderzocht door Dr. A. van der Linde. Tweede, omgewerkte uitgaaf 's Gravenhage, Martinus Nijhoff. I Een groot aantal personen, die nooit van eenig onderdeel van Nederlands geschiedenis in de midden-eeuwen een voorwerp van eigen studie gemaakt hebben; nooit een handschrift uit de eerste helft der 15de eeuw met een oud drukwerk vergeleken; zoo min weten wat een incunabel is als waarin het onderscheid tusschen xylografie en typografie bestaat; geen latijn genoeg verstaan om de Batavia van Junius, en te naauwernood hollandsch genoeg om met vrucht den Lauwerkrans van Scriverius te kunnen lezen te kunnen, -- zijn eensklaps tot de overtuiging gekomen, dat het standbeeld op de Groote Markt te Haarlem omvergehaald, en de Costeriana in het Stadsmuseum aldaar vernietigd moeten worden. Dit is een ijver zonder verstand; en zoo het publiek wist, hoe de ingewijden over zulke zwenkingen der openbare meening denken, hoe oneerbiedig in de eenzaamheid hun bovenlip zich krult onder het uitspreken der woorden servum pecus, -- het zou zich minder zelden voor overdrijving wachten. Hebben onze ouders, toen zij in 1823 medejubelden op het vierde eeuwfeest der uitvinding, zich aangesteld als eene kudde; volgden wij zelve hun voorbeeld, toen wij in 1856 het standbeeld hielpen onthullen, -- dit kan voor onze kinderen geen reden zijn, zich onder een anderen vorm op nieuw als eene kudde te gedragen. Bovendien is de vergoding bij vorige gelegenheden niet zoo blind of zoo algemeen geweest, dat de verguizing, ten einde niet te kort te komen, daarmede thans gelijken tred behoeft te houden. Als weleer ter plaatse aanwezig opmerker kan ik verzekeren, dat het standbeeld op de Groote Markt te Haarlem, in Julij 1856, om zoo te zeggen door niemand als eene ernstige zaak beschouwd is. Noch bij den hoogeren, noch bij den middenstand, noch onder handwerkslieden, -- de laatsten sterk vertegenwoordigd door deputatien van drukkersgezellen uit de stad en van elders, -- openbaarsw `ich de geringste geestdrift. Eindelooze regenstralen, als pijpestelen nederstroomend op eene digte massa zwarte rokken en hooge hoeden, waaronder de kale en rossige verweg de meerderheid vormden; een schriel ontbijt, in de ongastvrije groote zaal van den Doelen aan de gezellen uit andere steden aangeboden, -- dat gebrek aan ververschingen binnen, die plassen buiten, zijn de getrouwe zinnebeelden der koelheid geweest, waarmede de oprigting en onthulling van het standbeeld gevierd is. De straatjongens en de burgers wedijverden in sarkasmen ten koste van den ijzeren Louw; de heeren rookten Costersigaren, de dames snoepten Costerbanket, en elk hield zich overtuigd, dat in den grond der zaak het geheele feest alleen bestemd was, een genoegelijken laatsten levensdag te bezorgen aan den ouden heer De Vries. Over de feestviering van 1823 kan ik niet medespreken; maar dit kan ik getuigen, dat die van 1856 niet geweest is eene openbaring van nationale eenheid, maar van de goedhartigheid eener provinciestad, welke zich er over verheugde dat een harer oudste en geachtste ingezetenen voortaan rustig sterven kan, zonder te scheiden te hebben van zijn bekend stokpaard. Het is een voornaam gebrek van het boek van den heer Van der Linde, dat daarin op die en dergelijke ontzondigende feiten geen acht geslagen is, maar voortdurend wordt uitgegaan van de willekeurige onderstelling, dat Lourens Coster, omdat die naam in de ooren van elk Nederlander gemeenzaam klinkt, daarom ook leeft in het hart van het nederlandsche volk. De bakersvertelling van Junius omtrent den kuijerenden grootvader, die op eene wandeling in den Haarlemmer Hout uit beukenschors een alfabet voor zijne kleinkinderen sneed, heeft, voor zoover ik mij herinneren kan, nooit elders dan in de kinderkamer gehoor gevonden; en werd zij eene enkele maal in gezelschappen van volwassenen voorgedragen, dan moest, -- tenzij juist een overtuigd Costeriaan binnentrad en opvoeding stemmigheid gebood, -- onder het gelach van alle aanwezigen de verhaler steeds halverwege afbreken. Toen de heer De Vries in 1856 kommandeur van den Nederlanschen Leeuw geworden was, hoopten de verstandige lieden dat het tijdperkvan het costergesnoef voor goed gesloten zou zijn. Het beeld stond er; de ridderorden waren uitgereikt; van den ouden Louw was getrokken wat er te trekken viel. Doch nu komt Dr. Van der Linde het tijdperk openen van het anti-costergesnoef, en ijvert voor Gutenberg met denzelfden hartstogt en dezelfde kleingeestigheid, als de Costerianen weleer voor Coster deden. De kwestie der uitvinding is eene kaatspartij van verwijten geworden; en terwijl het vroeger heette, dat Gutenberg en de Duitschers in meer dan ééeen zin letterdieven geweest waren, vernemen wij thans, dat de Costerianen zelven, te beginnen met Junius en Scriverius, te vervolgen met Meerman en Koning, te eindigen met De Vries en Noordziek, tot de klasse der domkoppen, der kwakzalvers, der boerenbedriegers, en der letterkundige schavuiten behooren. Dit gekijf berooft Dr. Van der Linde's geschrift van het grootste en beste deel zijner litterarische waarde, maakt den onbevooroordeelden lezer kregel, vervult hem met afkeer voor de aanmatiging en de bekrompenheid van den auteur, herinnert te kwader uur aan al de leelijkste gebreken der litteratuur Junius- Noordziek, en doet ten slotte in arren moede een boek wegwerpen, waaruit, zoo de schrijver op minder stuitende wijze in de fouten zijner tegenstanders vervallen was, veel te leeren ware geweest, niet slechts wat de stof, maar ook wat de methode betreft. II Werkelijk is de wetenchappelijke waarde der Haarlemsche Costerlegende niet gering; en wie bij ontstentenis van een goed geheel zich weet te vergenoegen met keurige détails, zal beurtelings de vastheid van hand bewonderen, waarmede scheiding gemaakt is tusschen den schepen-herbergier Lourens en den kaarsemaker Coster; zal de sprekende trekken prijzen, waarmede de beelden van Gutenberg, Koornhert, Junius, Quiryn Dirkszomm, Meerman, en vele anderen, hier omgetrokken zijn. Zelfs komt het mij voor, dar Dr. Van der Linde's betoog, als men het van de scurrilia ontdoet die het ontsieren, en alleen let op de soort en den overvloed der bijgebragte bewijsplaatsen, veilig onder de zegenvierende kan worden gerangschikt worden, en logica of geschiedenis hier slechts bij uitzondering niet tot haar regt komen. Op een paar dier zwakke punten wensch ik de aandacht te vestigen, ten einde daarna met des te mer lof van het overige te kunnen spreken. Als het waar was, moest de Haarlemsche Costerlegende eene zuiver historische studie zijn, waarin het leven van Gutenberg aan den eenen, dat der Haarlemmers aan den anderen kant, op zoo aanschouwelijke wijze verhaald werd, dat elk beeld in den geest des lezers getrouw de voorstelling afspiegelde, welke in dine van den schrijver bestaan heeft. Doch de heer Van der Linde is, om het zoo noemen, te laat jong geworden om vooralsnog ons zulk een boek te kunnen geven. Blijkbaar heeft hij gedurende eene reeks van jaren, alligt de beste helft zijns levens, in het godsdienstige, het wijsgerige, het historische, overleveringen of denkbeelden aangekleefd, welke hij op dit oogenblik als verouderd en onwaardig, niet slechts verwerpt maar verfoeit. Vandaar zijne zucht, onderwerpen aan te grijpen, bij wier behandeling vanzelf aan het licht moet komen, dat hij naar zijn eigen inzigt de menschen en de dingen in vroeger tijd te eenemaal verkeerd beoordeeld heeft. Hij is geen afgekoeld dweeper, geen scepticus geworden idealist, geen esprit revenu, zooals de Franschen zeggen, maar een warm gebleven omgekeerde, een ongeloovige opgevuld met bekeeringsijver, een apostel in de huid van een renegaat, en daardoor meestentijds een fanfaron de radicalisme. Het Costerboek is met de gebreken dier uit de natuurlijke historie van den mensch welbekende soort van geesten, in ruime mate behebd. Overal in dit geschrift gluurt, door de gaten in den mantel der historie, de hater zijner eigen voormalige wanbegrippen; en daar het odisse quos laeseris sedert de dagen van het oude Rome niet opgehouden heeft eene menschelijke eigenschap te zijn, bemerkt men reeds uit de voorrede, dat het werk vooral hierom met zoo veel verve, zoo veel hartstogt, inzonderheid zoo overijld geschreven is, omdat de auteur, sedert het nieuwe licht over hem was opgegaan, rust noch duur had, alvorens hij iets onaangenaams voor Haarlem en de Haarlemmers in de wereld had gezonden. Ware de schrijver minder haastig geweest met het uitgeven van een onderzoek, welks elementen nog naauwlijks in zijn eigen geest naar eisch bezonken konden zijn, hij zou zijn boek niet slechts van allerlei zonden tegen den goeden smaak gezuiverd, maar zich ook minder overdreven voorstellingen gemaakt hebben omtrent de waarde zijner resultaten als geheel. >>Gelijk mijn kritiek het zoenoffer der nederlandsche wetenschap is, gebragt aan de schandelijke onteering van Gutenberg en de vertreding van de waarheid, zoo hebt ook Gij een heiligen pligt te betrachten vóór Uw dood,'' roept hij op bladz. 258 met dwazen pathos Dr. Noordziek toe, die het publiek eene beetere dienst bewijzen zal door rustig voort te arbeiden aan zijn beredeneerd register op de Handelingen der Staten-Generaal, dan door den handschoen op te rapen, hem op zulk eene theatrale wijze door den heer Van der Linde toegeworpen. Wil deze de onbetwistbare, maar niet bovenaardsche beteekenis van zijn geschrift leeren kennen, hij herleze zijne eigen woorden op bladz. 285: >>Het is niet meer gissing, maar wetenschappelijk resultaat, wat de bevoegde critici in het buitenland altijd van onze voorgewende uitvinding te Haarlem gedacht hebben, wat Fournier bij voorbeeld reeds heeft geschreven in zijn Observations (Paris 1760): Les prémices de l'art sont dues, suivant M. Schoepflin, à Coster et ont été faits à Harlem. J'ai fait voir que cette opinion est dépourvue de fondement, de preuves, même de vraisemblance, et que Coster n'est qu'un être idéal dans l'histoire de l'imprimerie; aucune production typographique ne dépose en sa faveur; il n'est connu que par des préjugés nationaux, et par des récits accompagnés de contradictions et de fables ridicules.'' Die meening, eene eeuw geleden door een Franschman uitgesproken, en waarin te allen tijde gedeeld is door die Hollanders, welke de zucht tot zelfvergoding als een onverbeterlijk nationaal gebrek hebben leeren kennen en verschoonen, -- die oude meening is door Dr. Van der Linde verdedigd en aangedrongen op nieuwe gronden, waaronder deugdelijke, verrassende, afdoende. Dit is voorwaar geen geringe verdienste; en het getuigt van zeldzame geestkracht, in een reeds eindeloos gerekt debat over eene afgezaagde en onbelangrijke kwestie, weder leven te kunnen storten. De heer Van der Linde heeft op vernuftige wijze getoond, hoe ver men met eene goede methode van historische kritiek het brengen kan, in het rekonstruëren ook van nietige oonderdeelen der geschiedenis van het verledene; hoe de ondankbaarste stof zich door den adem der wetenschap laat doordringen en bezielen. Doch al het overige is advokaterij, haspelen van geleerden onderling, oorzaak tot meesmuilen voor het toeschouwend publiek, welks gezond verstand er zich steeds zwijgend tegen verzetten zal, dat ter wille eener zoo schamele vischvangst zooveel water troebel wordt gemaakt. Een der voornaamste van des schrijvers argumenten, -- door hem getrokken uit de Keulsche Kronijk van 1499, -- is tegelijk het zwakste van alle. In welke hoogdravende bewoordingen en op welken stelligen toon de heer Van der Linde verzekere, dat Ulrich Zell de uitvinding van Gutenberg aan de vóór hem in Holland genomen proeven heeft willen overstellen als typografie aan xylografie, geen exegeet van goeden huize zal hem daarin ooit gelijk geven. Ulrich Zell, die te goed de kaart van het land kende om van Holland te spreken als hij Brabant of Vlaanderen bedoelde, was ook te zeer een man van het vak, om de houtsnijkunst als eene >>veel subtieler en meesterlijker'' kunst gewaagt, welke door Gutenberg te Maintz gevonden is, en hij in ééeen adem daarbij voegt, dat reeds vroeger >>in Holland'' op eene minder subtiele en minder meesterlijke wijze gedrukt was, dan spreekt hij niet van twee verschillende kunsten, maar van twee vormen derzelfde kunst; van twee gelijkslachtige proefnemingen, de eene gebrekkig, de andere oneindig volmaakter, de eene onvruchtbaar gebleven, de andere populair en tot een zegen geworden. In hetgeen hij van de uitvinding zegt, verhaalt Ulrich Zell in zijn eenvoud de geschiedenis aller uitvindingen zonder onderscheid, en voor de natuurlijke beteekenis zijner woorden is door den schrijver der Costerlegende iets onnatuurlijks in de plaats gesteld. Voor de Haarlemmers is mijne interpretatie weinig troostrijker dan de andere; en hoogstend kunnen zij, bij het ontbreken van elke reklame der andere hollandsche stede uit de eerste helft der 15de eeuw, hunne mondelingsche stadsoverlevering aan den door Zell genoemden naam van Holland vastknoopen, op voorwaarde nader den historischen band aan te wijzen, die hunne haarlemsche sage aan de in Holland vastknoopen, op voorwaarde nader den historischen band aan te wijzen, die hunne haarlemsche sage aan de in Holland gedrukte onvolmaakte schoolboekjes verbindt, welke Gutenberg tot >>vurbylding'' zullen gediend hebben. Doch het doel der wetenschap kan niet zijn, Haarlem te believen; en zoo de Haarlemmers geholpen willen worden, moetn zij zich zelven helpen. Alleen io den zin van Zell's door den keulschen kronijkschrijver aangehaalde woorden komt het aan. Tot hiertoe is geen enkel bewijs geleverde, dat hetzij achter de herberg van den schepen Lourens Janszoon te Haarlem, hetzij achter de werkplaats van den kaarsemaker Coster aldaar, zich eene drukkerij bevonden heeft. De onderstelling, dat ééeen van hen, of beiden, het bedrijf van drukker zullen hebben uitgeoefend in het geheim, ten einde aan de goêgemeente ongemerkt voor veel geld boeken in plaats van handschriften te kunnen slijten, -- het stilzijgend aannemen van dergelijk vroom bedrog getuigt van weinig inzigt in het karakter eens uitvinders, en doet de geestdrift, welke lofliederen zingt en standbeelden oprigt, onherroepelijk bekoelen. Om kort te gaan, er is nog nooit ééeen deugdelijk historisch bewijs ten gunste van Haarlems regt op de eer der uitvinding geleverd. Het eenige wat men zeggen kan is, dat de haarlemsche volksvertelling, in 1568 voor het eerst door Junius op papier gebragt, niet slechts niet strijdt met het in 1499 geboekt getuigenis van Zell omtrent het leveren van typografische proeven in Holland v&oacutór Maintz, maar het ontstaan dier vertelling uit het door Zell opgevangen gerucht in genoegzame mate verklaard kan worden, om aan het historisch gevoel een begin van voldoening te schenken. III Dat de heer Van der Linde dit ten aanzien van Gutenberg gedaan, en op treffende wijze gedaan heeft, schijnt mij toe, het zwaartepunt van zijn betoog te zijn. Wat hij vernietigends tegen de Costerianen aanvoert, zou den geest onbevredigd laten, zou hoogstens de geheime tegenstanders der haarlemsche legende een dubbelzinnig genot kunnen verschaffen, zoo de schrijver er niet in geslaagd was, op grond van echte bescheiden, den held der maintzer tot een in zoo hooge mate aannemelijk en waarschijnlijk uitvinder te maken. Ik prijs de logica niet, welke hem vooraf de regten van Gutenberg deed vaststellen, om eerst daarna aan hehet bestrijden der Costerianen te tijgen. Door het aannemen van dien betoogtrant heeft hij op zijn boek den kleingeestigen polemischen stempel gedrukt, waarvan hierboven sprake ws, en zichzelven veroordeeld te konkluderen, in plaats van tot een waardig en historisch feit, tot het eenigszins kwâjongensachtig advies, een stedelijk muzeum op te ruimen. Doch dit belet niet, dat door hem in zijne rekonstruktie van Gutenberg's leven een voortreffelijk stuk werk geleverd is, en alle beminnaren der historie hem daarvoor dank verschuldigd zijn. Ook onafhankelijk van haar weldadig karakter, is de typografie zulk eene vernuftige uitvinding geweest, blijk gevend van zulk een opgeklaard verstand, zulk eene praktische vaardigheid, zulk een fijn gevoel van de behoefte des tijds, dat hij zeker gaat, die a priori elke overlevering verwerpt, welke aan de spits dier ontdekking een stumpert plaatst. Den aanvang van zulke gebeurtenissen op rekening van het toeval te stellen; als hare tusschenpersonen zich lieden van geringe ontwikkeling of zelfs begaafde dilettanten te denken, is miskenning van het hoogere in de geschiedenis. Hetzij men deze laatste opvat als de geleidelijke volvoering van een goddelijk programma, hetzij men bij voorkeur het menschelijk geslacht, naarmate zich nieuwe behoeften openbaren, daarin uit eigen aandrift laat voorzien, -- steeds blijft het waar, dat alle groote dingen hier beneden het werk van groote geesten zijn. Om van geen mogelijke karakterfeilen te gewaggen, -- eigenzinnigheid, hoogmoed, ongeduld, een losbandig leven, -- de uitvinder der boekdrukkunst kan verstoken zijn geweest van muzikaal gevoel zowel als van financieel beleid, kan geen slag hebben gehad met menschen om te gaan, kan door zijne eenzelvigheid, met zeker besef van verstandelijke meerderheid gepaard, zich in allerlei wespennesten gestoken, en dien ten gevolge niet slechts de voordeelen, maar ook tijdelijk den roem van zijn arbeid verbeurd hebben. Dit alles is mogelijk, denkbaar, en zelfs, als men in aanmerking neemt welke ongezellige en onpraktische schepselen er plegen te groeijen uit lieden, die levenslang over dezelfde zaak zitten te peinzen, waarschijnlijk. Onwaarschijnlijk daarentegen is het, dat de man, die de boekdrukkunst uitvond, niet zou geweest zijn een werktuigkundige in de gestalte van een geletterde, een fysicus met de eigenschappen van een filosoof, iemand op de hoogte en meer dan dan op de hoogte van de middelbare beschaving zijns tijds, niet te zeer poorter om slechts oog te hebben voor de stad zijner inwoning, niet te zeer edelman om de kunsten en wetenschappen dwaasselijk beneden zich te achten, maar bovenal en ieen de eerste plaats toegerust met het bijzonder talent, hetwelk de eenen tot veldheeren, de anderen tot dichters, nog anderen tot uitvinders maakt. De groote verdienste van den schrijver der Haarlemsche Costerlegende is, in den persoon van Jonker Johan von Gutenberg, jongeren en onbemiddelden zoon van deeen maintzer patricier Gensfleisch, geboren omstreeks het jaar 1400, deeen man te hebben aangewezen, die aan al de bovengenoemde vereischten voldoet. En niet aangewezen op de gis, maar uit onwraakbare officiële dokumenten, grootendeels reeds van elders bekend, doch voor het nederlandsch publiek in uitgebreider kring altegader aantrekkelijk door den gloed der nieuwheid. Fust en Schöffer schieten bij de voorstelling menige veder in, waarmede zij tot hiertoe prijkten; en de maintzer driegroep wordt er niet veel achtbaarder door dan de haarlemsche eenling. Doch des te meer licht valt op Gutenberg's beeld, die hier voor het eerst in 1434 als maintzer uitgewekene te Straatsburg optreedt, zich reeds in 1439 aldaar in een proces met een geldschieter gewikkeld ziet, steeds voortgaat de patricische industrieel te zijn, waarvoor men hem van het begin af leert kennen, onafgebroken vervuld is met de gedachte aan eene kostbare uitvinding, in wier exploitatie door verschillende kapitalisten geld gestoken wordt, tot hij eindelijk te Maintz, omstreeks 1450, in den rijken burger Johan Fust den man vindt, die hem aan het noodige bedrijfskapitaal, en tevens aan eene hypotheek op zijne werktuigen en materialen helpt. Eindelijk? ja, maar om weldra op nieuw het gelag te betalen en zich in eene tweede reeks moeijelijkheden gewikkeld te zien, langer dan de vorige en eerst door den dood afgebroken. De associatie wierp, gelijk het heette, geen of te weinig winsten af; Fust eischte het voorgeschotene terug, onder eede verklarend dat hij die gelden bij anderen opgenomen en er rente voor betaald had; Gutenberg kon de in pand gegeven werktuigen niet lossen; pers en materialen werden het eigendom van Fust, die, thans vrij in zijne bewegingen, zich associeerde met Peter Schöffer, Gutenberg's leerling en als technicus zijn meester. Schöffer vrijde naar Fust's dochter, werd van deelgenoot tevens schoonzoon, en bij dat burgerlijk en huiselijk geluk mogt de berooide en ongehuwde edelman toezien. Een vriend en stadgenoot, de maintzer syndicus Dr. Humery, verschafte dezen de middelen eene nieuwe drukkerij op te rigten; later, toen de aartsbisschop en keurvorst van Maintz, Adolf II van Nassau, Gutenberg tot zijn kamerheer benoemd en hem in die betrekking toegelgd had, werd de nieuwe drukkerij overgebragt van Maintz naar de vorstelijke residentiestad Eltvill aan den Rijn; en daar, naar het schijnt, is in Februarij 1468 onberoemd en met schulden bezwaard de man gestorven, van wien het met de stukken bewezen kan worden, dat terwijl het oudste werk, waarvan op historische gronden vaststaat dat het te Haarlem gedrukt werd, het jaarmerk 1483 voert, hij in 1455 te Maintz, als de vennoot van Fust, den druk van een latijnschen bijbel voltooid, en in 1460, op de met Humery's hulp aangeschafte pers, een latijnsch woordenboek gedrukt heeft. En niet gedrukt op gebrekkige wijze, zoodat men ook zijn werk slechts als eene wegbereiding, eene hierna beter, zou hebben aan te merken, maar zoo zorgvuldig, zoo fraai, en met zulk eene meesterschap, dat de hoogste trap der typografische volkomenheid op eenmaal door hem beriekt, en zijn dubbele coup d'essai een tweevoudige coup de maître geweest is. Junij 1871. Pieter Cornelisz. Hooft Gedichten van Pieter Cornelisz. Hooft. Eerste volledige uitgave, gedeeltelijk naar des dichters eigen handschrift, met aanteekeningen van P. Leendertz Wz. -- Haarlem, de Erven F. Bohn 1861. I [Brief van Hooft aan Suzanna Bartelotti] Ging het ons als den knaap in Van Alphens gedichtje, en vonden wij op de straat een papiertje van dien inhoud, tien tegen een dat het, instede van aan een vergenoegde man, ons denken deed aan Delavigne's École des Vieillards; denken aan een dier najaars- om niet te zeggen winterhartstogten in het leven eens ouden vrijers of bedaagden weduwnaars, waar de wereld de schouders over ophaalt, jongelieden om meessmuilen, en die door de gematigdsten en barmhartigsten tot de orde der anachronismen gerekend worden. Een man van leeftijd en die zichzelven als zodanig aanduidt, zou men zeggen; iemand die het noodig acht opzettelijk melding te maken van zijne boeken- en wereldkennis; die zich heer en voogd over zijne zinnen noemt, en ook werkelijk in de termen schijnt te vallen deze benaming op zichzelven te kunnen toepassen: zulk een man behoorde zich te wachten voor eene vervoering waarvan hijzelf getuigt dat zij de schaamte bij hem zwichten doet. Aan wijzen en verstandigen als hij, past de ziekte der geleerden; passen die grooter en kleiner kwalen wier onoogelijke lijst voor alle eeuwen door Bilderdijk berijmd werd. In geen geval voegt hem eene verliefdheid tot doodelijk krank wordens toe; allerminst indien het voorwerp dier genegenheid een vriendelijk meisje is, wel zich onderscheidend door vroege rijpheid van oordeel, maar tevens eene jeugdigen onder de jongsten. Doch heffen wij dit misverstand op. Niet aan zijne beminde schreef Hooft in den zomer van '27 dit ootmoedig briefje, maar aan hare dochter. Mevrouw de Weduwe Bartelotti, van zichzelve Heleonora Hellemans, woonachtig te Zevenbergen, was in den loop van genoemden zomer voor eenigen tijd met hare dochter Suzanna naar Amsterdam gekomen, te gast bij bloedverwanten of bekenden. Daar leerde Hooft haar kennen. Zij was eene schitterend schoone vrouw van even dertig jaren; hij destijds een vijfenveertiger. Van afkomst was zij eene aanzienlijke en welgestelde Antwerpsche; hij, in weerwil van zijn Muidensch drossaartschap, een Amsterdammer door en door. Groot was alras de genegenheid van dezen zoon der noordelijke koopstad vppr deze telg der zuidelijke; te grooter, omdat sedert drie jaren zijn huiselijke haard een woestenij geleek. In 1610 gehuwd met Christina van Erp, had hij na eene uiterst gelukkige verbindtenis van omtrent veertien jaren, binnen zeventien maanden tijds niet slechts in den bloei van haren levenstijd deze voortreffelijke vrouw, maar ook de twee eenige hem van vier nog overgebleven kinderen verloren; een kleinen jongen van drie, en een allesbelovenden knaap van twaalf. Doode aan doode was uit zijn huis naar het kerkhof gedragen: eerst de kinderen, toen de moeder. Eenzaam en verlaten was alleen de vader achtergebleven. Dit gebeurde in den zomer van '24, en op den geteisterden man daalde neder hetgeen hijzelf in een zijner gedichten een ''nare nacht van benaauwde drie jaren'' noemt. Welken indruk, aan het einde van dit tijdsverloop, op hem de verschijning der Brabantsche weduwe maakte, vernamen wij voor een deel uit den brief aan haar dochter Suzanna; een meisje dat te dien tijde naauwelijks vijftien jaren oud kon zijn. Reikhalzend zag hij eenerzijds uit naar de herstelling van zijn verloren geluk; en niet weinig werd aan den anderen kant de hartstogt des berooiden geprikkeld door den tegenstand dien hij bij het voorwerp zijner liefde ontmoette. Mevrouw Bartelotti of, gelijk Hooft haar betittelt, Mejoffvrouw Heleonora Hellemans, was wel is waar geenszins ongevoelig voor de haar bewezen hulde; doch er was een gedienstige geest in het spel, eene kennis of vriendin, die haar van Hooft, om zijne bekende vrijzinnnigheid in het kerkelijke, afkeerig trachtte te maken. Deze onverwachtte tegenkanting, veroorzaakt door inblazingen voor wier oorsprong hij niet de minste hoogachting koesterde -- de dame in kwestie, volgens hem, werd in dit stuk enkel door afgunst gedreven -- dreog het hare bij om hem naar ligchaam en ziel te ontstemmen. "Ik heb mijne genegenheid tot uwe moeder zoo weinig geweten te matigen,' schreef hij aan Suzanna, "datze mij in doodsgevaar gevoerd heeft; in voege buiten hope is dat ik haar immermeer levend zien zal, tenzij ze mij, en dat wel haast, doe zien eene levende verzekering van hare genade." Zijne ziekte bestond in "een zorgelijk accident met koortsen vermengd, gecauseerd, naar 't oordeel der medicijns, uit melancholye." Deze droefgeestigheid inspi reerde hem een uitnemend gedichtje, terugslag op een ander, eenige dagen of weken vroeger vervaardigd, en waarin Heleonore gezegd werd te vergeefs eene naamgenoot van den lichtenden zonnegod te zijn. Doch lezen wij eerst dien opmerkelijken brief aan haar, denzelfden waarbij hij het biljet aan Suzanna voegde en die haar eerst in handen kwam toen zij Amsterdam reeds weder verlaten en de terugreis naar Zevenbergen aanvaard had; denzelfden ook die om de eene of andere reden door Huydecoper werd onderdrukt en welks openbaarmaking wij verschuldigd zijn aan de ijverige nasporingen van Prof. Van Vloten. De brief werd geschreven in de onderstelling dat Leonore zich nog te Amsterdam en aan het huis van hare vrienden bevond: [Brief aan Leonore] Mevr. Bartelotti nu, -- die wetenschap is het publiek verschuldigd aan de nasporingen van den heer Leenderts, door wiens goede zorgen de eerste volledige uitgave van Hoofts gedichten het licht zal zien, -- mevr. Bartelotti is dezelfde Leonore geweest, aan wie Hooft in den geest die zangen rigtte, waaruit bij de eerste lezing veeleer de romaneske liefde eens twintigjarigen jongelings, dan de rijpe genegenheid spreekt van een man in de volle kracht der jaren en bovendien door velerlei slagen geteisterd en beproefd: [Leonoor, mijn lieve licht...] Dus stortte in de eenzaamheid, met tot hiertoe ongehoorde meesterschap over eene nog ongevormde taal, deze dichter zijnen hartstogt uit. En even levendig als op dat oogenblik zijne hoop, was weinig dagen l;ater zijne spijt; even diepgevoeld zijne teleurstelling. ''Lieve, lichte Leonoor,'' klonkl het toen, en ook al luidde de titel van dit dichtje anders als hij doet (Op een afzeggen), wij zouden na den medegedeelden brief, en de daarin voorkomende verwijten aan Leonore wegens haar weifelen, niet in het onzekere behoeven te verkeeren omtrent de periode van 's dichters leven, waartoe dit versje moet gebragt worden: [Op een afzeggen] Lang voor het einde der 17e eeuw had men ten onzent deze hoffelijkheid verleerd. Een onredelijk klassicisme bovendien, ongevoerd onder den schitterenden dekmantel van Huig de Groots geleerdheid, smoorde het nationaal element onzer litteratuur en deed de vaderlandsche oorspronkelijkheid ondergaan in eene uitheemsche en thans in onze oogen bedenkelijke elegantie. Toen kwam, met de herroeping van het Edikt van Nantes, de fransche immigratie; zoo van dramatiek en kritiek als van zeden. Doch Hooft en de zijnen, hijzelf het allermeest en in de eerste plaats, zij waren spruiten van ideaal-nederlandschen bloede; eene morele en intellektuële aristokratie. Door het organisme van dezen Drost, op meer ddan middelbaren leeftijd nog, liep en stroomde eene ader waarvan men zeggen zou dat zij in onzen landaard sedert en voorgoed verdroogd is. Hoort hem aan Leonore betuigen, ten dage dat hij haar het hof maakte en haar van zijne hoogachting verzekerde: ''Deze letteren zullen UE. dienen tot onderpand, mitsgaders om gedurende den droeven tijd dezes afwezens te doen mijne hartelijkste, mijne allerootmoedigste groete, dienst en eerbiedenis; met eenen vurigen voetval voor God en UE., die ik beide bid dat Zijne majesteit haar met het allerzaligste, en de Uwe mij met hare gunst en genade gelieve te vereeren.'' Een jaar later, toen Leonore zijne vrouw geworden was, en hem een dochtertje had geschonken (want al mijne lezeressen weten dat Mevr. Bartelotti, geboren Hellemans, den 30sten November van het jaar 1627, drie maanden na de Zevenbergsche terugreis en de Parthische vlugt, Hoofts zuchten verhoorde en met hem in het huwelijk trad), vaardigde hij naar de kraamkamer op het Muiderslot, uit welk vertrek de baker naar alle gedachten hem geweerd had, een dier briefjes af wier wedergade men vruchteloos in onze letterkunde zoeken zal: [Brief] Voetnoot Weder twee jaar later, in den zomer van 1630, dezelfde gevoelens in dezelfde hoffelijke en nogtans in den euvelen zin des woords niet minder sentimentele vormen. In een dossje met rozebladen zendt hij aan zijne vrouw de eerste rijpe kersen van het saizoen; doch niet onverzeld. Bij het openen van den kleinen korf vond Leonore bovenop de kersen dit versje: [In de bladen van een roosje...] II Ter plaatse waar de heer Van Lennep, in het 3de deel van zijnen Vondel, Maria Tesselschade's regten op de vervaardiging van het antwoord aan de Amsterdamsche Akademie handhaaft, brengt hij den door Hooft over dit uitmuntend dichtstu aan Tesselschade gerigten brief in herinnering en, in dien brief, de plaats waar Hooft zich uitlaat over Leonore's geringen smaak voor poëzie in het gemeen en voor de verzen van haar man in het bijzonder. ''Uwe uitspraak,'' schrijft Hooft aan Tesselschade, ''heeft niet alleen mij welgevallen, maar mijn liefste Helionora zoo wel gesmaakt datze door die lekkernije, tot hare eerste liefde ter poëzie bekeerd zijnde, ernstelijk mij verzocht heeft, ik zoude dat gedicht toch uitschrijven: 't welk 't eerst is dat zij mij zulks in al haar leven gevergd heeft.'' Dit werd geschreven in April 1630, na drie en een half jaar huwlijks. Of het gedichtje ''aan mijne vrouw,'' haar toegezonden ter begeleiding van een ander manuscript of boekwerk: [Aan mijne vrouw] of ook dit gedichtje behoort tot de periode die aan Leonore's eerste liefde voor de poëzie voorafging, kan ons onverschillig zijn. Zelf, en zonder gemaakte nederigheid, hechtte Hooft geringe waarde aan zijne dichterlijke voortbrengselen; geringer naarmate hij in jaren toenam en zich meer uitsluitend bezig hield met historische onderzoekingen. ''Ik ben geen schrijver,'' beweerde hij op bijna dertigjarigen leeftijg nog, in een brieg van 1610 aan Prof. Daniel Heins; ''ik ben geen schrijver, al heb ik somtijds iets om de geneugte gedicht, dat tot mijne bekommering onder de gemeente geraakt is. Ik ken mijne onvolmaaktheid zoo wel, dat ik haar noch bij vromen gunst, noch bij spotters veiligheid kan verzekeren.'' Dit zal ook voor een deel de reden zijn geweest dat hij eerst vijf en twintig jaren later aan Jabob van der Burgh vergunning schonk zijne dichterlijke werken bijeen te verzamelen. In zijn uitmuntende opdragtsbrief an Huygens, geeft Van der Burgh dit zalf te kennen: '''t Is boven het gemeen overal thuis te wezen en zijnen leser nergens te ontvallen. Bij mij leit het zoo, dat het de Heere Hooft daartoe gebracht heeft. Doch ik stel de markt niet; maar terwijl ik weet dat ik de eer heb hierin niet ver van UEd. gevoelen te verschillen, dat steltze mij. Het meerendeel van deze werken waren bij ZijnEd. de vergetelheid al opgeofferd, ten ware ik ze met smeeken hadde uit den brand gehouden en met zijne bewilliging gemeen gemaakt. Het zijn zijne echte kinderen, en die hij daarvoor houdt; maar terwijl hij bezig is met [in zijne Nederlandsche Historien] de verwarde beginselen van onze vrijheid te omzwachtelen, om de waardij en behoudenis van dezelve de toekomende eeuwen klaar en smakelijk te maken, heeft hij mij 't opzicht daarover betrouwd.'' Hooft's aandeel in den verzamelaarsarbeid van Van der Burgh is onbekend; doch niet onmogelijk is de tot hiertoe bestaande wanorde in de chronologische rangschikking der lyrische gedeelten, tot vermijding van al te groote personaliteit, en ten einde een publiek van onbescheiden tijdgenooten naar verdienste om den tuin te leiden, door hemzelven in der tijd aangeraden en bevorderd. Het medegedeelde omtrent Leonore kan bij den lezer degedachte hebben opgewekt dat deze schoone vrouw, wat gaven en karakter betreft, niet te eenenmaal bij den Drossaart voegde. Wat hiervan zij, Hooft en zijne vrienden dachten daar anders over. Twintig jaren lang is Leonore de beminnelijkste en door allen geëerde gastvrouw van het Muiderslot geweest. Dat de poëzie van haren echtgenoot haar niet bijzonder aantrok, kan gedeeltelijk hieraan hebben gelegen dat hij zelf met zijne dichterlijke gewrochten weinig ophad, en ook hieraan gedeeltelijk dat zijne stroeve manier de geschiktste niet was om eene vrouw als Leonore te behagen. De omstandigheid voorts dat het allereeste gedicht waarvan zij ooit een afschrift vroeg, juist dat voortreffelijke van Tesselschade was, doet van haar natuurlijken, schoon dan ook ongevormden smaak eer eene gunstige meening koesteren dan het tegenovergestelde. Doch het is tijd dat wij van Leonore afscheid nemen en, achterwaarts opklimmend, den draad weder opvatten van den bescheiden roman dien wij in deze baldzijden wagen te schetsen. Christina van Erp, toen zij met Hooft in het huwelijk trad, was nog niet te volle negentien jaar oud; ''eene vrouw'', zegt Brandt, ''van overwegende deugd en vernuft; zoo schoon, zoo bevallig, goedaardig, zedig en vriendelijk, als zulk een man migt wenschen.'' Het komt mij voor dat niet uitwendige schoonheid de gave was waardoor Christina, in onderscheiding van Leonore, Hooft allermeest aantrok. Het was, bij adel van karakter, haar talent inzonderheid als musicienne. Nevens de jonge vrouw, had onze dichter in haar bij voorkeur de zangeres en luistpeelster lief; de kunstenaar, ook ofschoon hij dit verbloemen, zijne medekunstenares. ''Al troont,'' dus zong hij ter eere van deze ''voogdesse zijner ziel'', in het eerste jaar zijns huwelijks met haar (en weder zijn wij aan den heer Leenderts de wetenschap verpligt, dat dit gedichtje werkelijk dagteekent van 1610 en oorspronkelijk voor Christina bestemd was): [Al troont geleerde hand...] Doch veel meer dan de ietwat afgepaste hulde in deze regtstreeksche toespraak vervat, zijn andere van Hoofts gedichtjes aan Christina om vinding en inkleeding merkwaardig. Blikte, zegt hij, Ero's moeder uit den hemel op aarde neder, door de gansche schepping zou eene trilling van liefde varen; de wolken zouden vergeten gram te zijn, de verbolgen zee haren hoogmoed strijken, de visschen vrolijk spartelen, het onrustig gevogelte de bosschen weergalmen doen van hun vrolijk gezang: chacun zou verlangend uitzien naar zijne chacune, eene zoete smart het gemoed van ''aard- en waterlieden'' doortintelen, kruiden en bloemen ten velde uit het hoofd verheffen hemelwaarts. Doch niets van dit alles ware in staat onzen Tannhaüser ontrouw te maken aan zijne bruid. Háre zijde zou hij blijven kiezen, en de hare-alleen; ook al strooide, te midden der algemeene geestvervoering, Afrodite-zelve hem met handen vol het geurigs sieraad van alle tuinen op het hoofd: Doch Venus, of Zij vrolijk lof, Goude' en scharlaken bloemen, Dan op dat pas Te zamen las, En reuken waard om roemen, En nam opzet Van iemand met Dat hoopje te verfrooijen, Door eere van 't Met eigen hand Hem op de kruin te strooijen Indien zij daar Mij lokte naar, En open gunste toonde, Mijn lief, en gij, Aan de andre zij', Mij tot een kusje troonde; Tot u ik liep (Ook of zij riep, En dreigdce schier te vloeken) Mijn troost, mijn goed, Mijn ziel, mijn bloed, Mijn hoop, mijn heil te zoeken. Elders, gezeten in het beroemd geworden torentje des Muiderkasteels (welk torentje, zijn gewoon studeervertrek, bestond uit een zeskantigen koepel van steen in den boogaard achter het slot, opgetrokken in den vorm van een slottoren), spreekt Christina's minnaar en bruidegom de kleine Vechtsche stroomheiligen toe en draagt hun eene eervolle zending op aan zijne schoone en begaafde: Gij heiligheedjesm die in bloemen en in kruiden U legert, en bezwemt de stroomen van de Vecht; Die, zacht van zin en slecht, Haar vloeden drijft, in zee, voor 't hooge huis te Muiden!... Meermalen, hetzij de liefde, hetzij de poëzie hem die had ingegeven, waren deze stroomheiligen en hunne gezellinen de stroomnajaden, zegt hij, hem goedgunstig geweest. Vaak had hun vruchtbaarmakend vermogen zijne geschenken versierd met loof van tuin of veld. Ook thans, gesteld dat zij nog altijd zijn toegerust met hetzelfde vermogen als weleer, doet hij een beroep op hunne welwillendheid. Een krans moeten zij strengelen ter eere van zijne bruid en dien met zich medevoeren naar Amsterdam, hare woonplaats. Tot zoo ver, kan men zeggen, is aan deze inkleeding niets bijzonders. HEt is, in min of meer Horatiaansche vormen, de hulde aller eeuwen van den jongen man aan het meisje zijner keus. Doch ook ditmaal verloochent, aan het slot, onze ridder zich-zelven niet. ''Bloeit nóg,'' roept hij toe aan de allerminst voor he en zijne liefde entgötterte natuur: Bloeit nóg uw zoete gunst, en weet gij te versieren Uitheemsche verw en reuk van bloemen en van kruid, Zoo leest ze keurig uit: Om mij niet, maar 't sieraad van Amstelland te vieren. Niet dat gij, komend haar eerbiedelijk te ontmoeten, Zult om het heilig hair van zonnelijken glans, Gaan vlijen krans op krans: Maar past ze tot mijn hoofd, en legt ze voor haar voeten. Dit alles is ontleend aan Hoofts zoogenaamde Zangen, in de tot hiertoe bestaande uitgaven aldus geheeten in onderscheiding van de Verscheidene Gedichten, de Builofts-, Lijk- en Grafgedichten, de Mengeldichten en Bijschriften, ewn inzonderheid de Sonnetten. Deze splitsing is willekeurig; enkel gegrond in den uitwendigen vorm der onderscheiden stukken, niet in hun wezen, en allerminst in hun verband met 's dichters gevoelsleven. Meest van al, welligt, hebben hieronder de sonnetten geleden; althans de zestien of achttien eerste. Levenloos staan deze thans achter elkander, zonder opschrift, zonder jaartal, zonder eenige de geringste weg- of teregtwijzing ten behoeve van den lezer, Doch ook hier leidt de naauwkeurige kolaltie van Hoofts handschrift, door den heer Leenderts ondernomen, tot bepaalde en afdoende resultaten. Onder de bedoelde en opschriftloozze klinkdichtenn, om van andere niet te spreken, bevinden er zich minstens zes die oorspronkelijk aan Christina gerigt werden. Schreef ik eene ziel- en zedekundige verhandeling over den hartstogt der liefde, de vraag kon ter sprake komen of het den mensch als zedelijk en en godsdienstig wezen nuttig is zich te vermeiden in eene drift waartegen ze;lfs Pascal niet bestand was. Doch nu ik enkel verslag heb te doen van de genegenheden eens voor jaar en dag gestorvenen, en meer bijzonder van de dichterlijke vormen waarin hij zijne gevoelens meest in de eenzaamheid uitstortte, komt aan het volgend Sonnet in onze beschouwing regtens eene plaats toe: [Mijn lief, mijn lief, mijn lief...] In onschuld en reinheid met deze jongelings-mijmering wedijverend, doch minder algemeen, oorspronkelijker, karakteristieker, dienstiger tot verklaring van het feit dat Hooft door al zijne tijdgenooten, vrouwen zoowel als mannen, geleerden en mededichters, om het zedelijk gehalte zijns karakters, is aangemerkt geworden als de natuurlijke en wettige aanvoerder van dat gedeelte der nederlandsche beschaving aan welks spits hij feitelijk stond; dienstiger tot verklaring daarvan is dit andere Sonnet, het eerste der zes aan Christina gewijd: [Wanneer de Vorst des lichts ...] Brieven, door Hooft aan Christina gerigt, zijn inde uitgegeven verzameling niet voorhanden. Slechts kent men, uit Prof. Van Vlotens Tesselschade, een kort briefje aan haar van Anna Roemers, waarbij deze een exemplaar van haar vaders in 1614 uitgekomen Zinnepoppen aan de jonge Mevr. Hooft ten geschenke zendt. Doch als bijdrage tot de kennis van Christina's karakter heeft dat billet geene waarde. Christina, de Drostin van Muiden, eert dit graf. Noch vrouw meer gunst verdiende, en min zich er diende af: ook uit dit grafschrift niet, door Hooft tot hare gedachtenis vervaardigd en bestemd voor de zerk waaronder de vroegeggestorvene rustte, leert men verstaan wat zij voor hem geweest is. En welligt zouden wij ons van den omvang der leegte, door haren dood in 's Drossaarts hart en woning gelaten, eene geheel verkeerde voorstelling vormen, ware het niet dat hijzelf haar, in een brief aan Maria Tesselschade, geschreven eene maand na Christina's dood (men verschoone op nieuw om des geheels wil deze bijeenstelling van het bekende en minder bekende), eene in waarheid onvergangkelijke zuil had opgerigt: [Brief aan Maria Tesselschade] Brandt zegt:''Eenige van des Heeren Hoofts brieven rieken naar den olie van arbeid;'' en dit doet ook een deel zijner verzen. Doch de laatstelijk aangehaalde proeve bewijst hoe door de gewoonte het aangeboren talent van ''mergrijk te schrijven'', en van zijne taal te kneden tot ''mannenvoeder'', dermate bij hem tot eene tweede natuur geworden was dat deze gave ook dan hem niet verliet wanneer hij, in een vertrouwelijken brief aan eene vriendin, lucht gaf aan smarten die hem griefden. Zijne dichterlijke Klachte der princesse van Oranje verraadt meer welligt dan eenig ander gezang van hem zijne juiste en vereerende kennis van het liefhebbend vrouwengemoed; en, in nieuwerwetsche taal gesproken, hij heeft in dat gedicht de volheid zijner hulde aan schoonheid en liefde geobjektiveerd. Doch even aantrekkelijk voor het minst, alhoewel zuiver persoonlijk prijkt daarnevens zijne rouwklagt in proza over Christina's verlies. III Christina van Erp was wel des Drossaarts -- hij leerde haar opmerken in hetzelfde jaar dat Prins Maurits hem tot die betrekking aanstelde -- maar niet de eerste liefde van Hooft als jongeling en dichter. Om de zonderlinge uitdrukking van Mr. Jakobus Scheltema te bezigen, tusschen Mei 1601 (het tijdstip waarop Hooft van zijne Italiaansche akademiereis in het vaderland terugkeerde) en Januarij 1605 (het jaar waarin het straks te noemen meisje stierf) heeft bij hem ''meer dan genegenheid.'' bestaan voor Brechtje Spiegel Janszoon; denkelijk een nichtje van den beroemden Hendrik Spiegel Laurenszoon, van wiens eerste vrouw, Brechtje ten berg, ik vermoed dat Hoofts beminde een naamgenootje en petekind zal zijn geweest. Uit Aernout Drosts nagelaten stukje Meerhuyzen kan men zien op hoe vertrouwelijken voet de familie Hooft met Hendrik Laurensz verkeerde; als ook hoe aardig, naar het oordeel van Dieuwertje van Marken, aan den pas uit Italie teruggekomen Pieter de sierlijke ''mutasten'' stonden. De redenen waarom Hooft aanvankelijk er niet in slaagde Brechtje's genegenheid te winnen, zijn onbekend. Misschien pronkte hij een weinig met zijn fraaie snorren en uitheemsche manieren; en mogelijk achtte zij het van haren pligt hem dit bevorens af te leeren. Althans aan een beginsel van wederliefde ontbrak het harerzijds niet. Min of meer openlijk met elkander verloofd, zou het ongetwijfeld te eeniger tijd tusschen hen tot een huwelijk gekomen zijn. Doch de dood maakte eensklaps aan hunne droomen een einde en nam Brechtje van haars minnaars zijde weg. [Grafschrift voor Brechtje] vruchteloos heeft naderhand de dichter in den vorm van dit grafschrift iets terug te geven van hetgeen hem Brechtje Spiegel in zijne jongelingsjaren geweest was. Brechtjes beeld is hiermede niet geteekend, en haar bruidegom had ongeveer hetzelfde kunnen zeggen van eene overleden zuster of schoonzuster. Uit den aanhef van een onduidelijk gedichtje van Januarij 1606, het eerste dat hij na Brechtje's dood vervaardigde: 't Gemoed herwenscht verloren vrolijkheden. En wentelt in den schijn van het voorleden, Wanneer 't de stapsteên ziet die 't heeft getreden; is men geneigd op te maken dat onze nog geen vijfentwintigjarige destijds behoefte gevoelde zich aan het verledene en aan zijne treurige herinneringen te ontscheuren; gelijk dan ook uit zijn huwelijk met Christina, vijf jaren later, genoegzaam blijkt dat het geleden verlies hem niet onbekwaam had gemaakt nieuwe levensvreugd te genieten. De omgang met Brechtje is in Hoofts leven een kort en gewelddadig afgesneden tijdperk geweest; en al onze wetenschap dienaangaande rust op twee versjes aan haar, het eene van 1604, het andere van 8 Januari 1605 en vervaardigd zeven dagen voor haren dood. Doch dit weinige is voor ons oogmerk genoeg. In 1604, blijkens den eerstbedoelden zang, was Brechtje nog altoos wederspannig; althans ongeneigd om zich te laten belezen. Onze minnaar en minstreel moest zich dus vergenoegen haar in gedachte lief te hebben en op het bevalligst uit te dossen: [Schoon Nimfelijn,...] Er kwam een tijd dat Brechtje voor deze blindheid de oogen opende. Doch al wisselde zij van smaak, en ofschoon zij voortaaan naast en boven hare zusjes aan Hooft eene plaats in haar hart schonk, het oogmerk dat hij najoeg was hiermede niet verwezenlijkt. Voor de min of meer geheime verloving waarvan ik boven sprak, schijnen redenen te hebben bestaan die, hoewel het meisje-zelf nu geenen tegenstand meer bood, nogtans geldig bleven. Verschillen van kerkelijke belijdenis, ongelijkheid van vermogen, huiselijke bezwaren, iets (wat dan ook) stond aan hunne openlijke verbindtenis in den weg. Ja zelfs nog voor de dood eene eeuwige scheiding maakte tusschen de twee gelieven, moest er eene tijdelijke plaats hebben. Deze althans is de stemming waarin het gedichtje van 8 Januarij geschreven werd; geschreven toen de dichter nog niet weten kon welke slag hem dreigde, en weinig dacht zijne droefheid zulk eene nog veel smartelijker wijding te wachten stond: [Zal nemmermeer gebeuren...] IV Brechtje, Christina, Leonore: sedert wij Hoofts nagelaten brieven kenne, en den sleutel bezitten tot de dagteekening zijner zangen, zijn deze drie namen voor altoos zaamgevlochten met zijne nagedachtenis. Drie gratiën waren zij, die beurtelings en elk op hare wijze bloemen strooiden op het levenspad van den alleszins voortreffelijken Drost. En hetgeen zij hem aan liefde schonken heeft hij zonder aan de nakomelingschap te denken, en des te kiescher daardoor, aan hulde en eerbied haar teruggegeven. Aldus, honderdvijftig jaren later, betaalde Onno Zwier van Haren aan Adeleide de tol. De fransche litteratuur van de tweede helft der zeventiende eeuw leeft nog heden ten dage, en niet enkel als herinnering, in de herinnnering voort. Pascal en Boileau, Corneille en Racine, Molière vooral, zijn nog altijd in zekeren zin onze tijdgenooten. Onze vaderlandsche dichtschool van den aanvang dier eeuw daarentegen valt eenigszins in dezelde termen als thans de Gaskoensche wijzeman, dien Hooft oordeelvast en waanlos noemde en die Coornherts Wellevenskunst inspireerde: zij is, met Montaigne en welligt nadrukkelijker dan deze, uit den tijd. Hoofts poëzie, om alleen van de zijne te spreken, is in haar geheel en zonder nadere toelichting voor onze dagen eene ongenietbare lektuur: vol merg en pit, vol schoonheden van het eerste water, een waardig voorwerp van ernstige studie ja, doch voor den hedendaagschen lezer geene bron van onmiddellijk genot. Klassiek geweest, is de Muiderschool ook niet, gelijk Molière en de zijnen, klassiek gebleven. Het heeft ons in vervolg van tijd te eenemaal overvleugeld, dat Frankrijk, waarvan in 1636 Jakob van der Burgh in zijne eenvoudigheid beweerde, en mogt beweren, dat het alhoewel destijds bogend op Marot en Ronsard, Bartas en Malherbe, anderszins op dichterlijk gebied ''niet onvoorzien was van gemeene vernuften.'' Doch Hoofts onsterfelijkheid, in weerwil der impopulariteit waarmede de werken van hem en van zijne vrienden thans geslagen zijn, is niettemin gewaarborgd. Hij geloofde, hiermede is alles gezegd, aan de vaderlandsche letteren en aan hare toekomst. ''Daarom dewijl met den opgang en vrijheid onzes vaderlands, verscheiden kunsten en wetenschappen verrezen zijnde, de heilige Poëzie ook in onze tale eerwaardelijk is begonnen te verschijnen: zoo verzoeken, bidden en bezweren wij door Hare heiligheid alle degenen die zij goedgekend heeft om eenigen adem haars geestes in te blazen, dat zij de hemelsche vonke niet in de assche begraven of versterven laten: maar die met allen ijver en erkentenis zorgvuldiglijk opkweeken in hunne borst, totdat het licht, te hunnen monde uitblinkende, de gansche wereld doorstrale met de glorie van hen en van de plaats hunner geboorte. Opdat, gelijk eertijds door zeven steden gestreden is om Homerus tot haren burger te hebben, alzoo ook in toekomenden tijde alle geslachten mogen wenschen om dit te hebben tot hun Vaderland.'' Ook van de zijde van het nu levend geslacht verdienen deze slotwoorden van Hooft in 1610 of '11 gehouden rede over de Waardigheid der Poëzie, behartiging. Januarij 1862. Conrad Busken Huet A. C. W. Staring A.C.W. Staring, Gedichten, ter 3de uitgave nogmaals door wijlen den dichter herzien en met eene inleiding uitgegeven door N. Beets. Haarlem, A.C. Kruseman, 1862. Thans is daar ongetwijfeld verandering in gekomen, en ten goede; docht tachtig jaren geleden waren in de Groote Kerk te Gouda de voor de leerlingen van de latijnsche en fransche scholen bestemde banken op zoo grooten afstand van den predikstoel gelegen, dat het niet mogelijk was daar ter plaatse een enkel woord te verstaan van hetgeen door den gewijden redenaar verkondigd werd. Ik zal niet zeggen dat de jonge Staring, die van zijn zesde tot zijn zestiende jaar te Gouda school lag en destijds iederen zondag met de gemeente mede opging naar het bedehuis, niet somtijds, vooral bij het naderen van dat zestiende, de genoemde omstandigheid, de genoemde omstandigheid tot voorwendsel gebezigd heeft om onder de preek den blik te laten weiden over de zedigste meisjes in het schip; doch stellig onverdeelder was de aandacht, door hem gewijd aan de fraai geschilderde vensterglazen in het koor en rondom. Dat tienjarig turen, week aan week, op Gouda's wonderwerken, in ongetwijfeld van invloed geweest op zijne vorming; en zoo de herinnering aan die gedwongen tempelbezoeken in de dagen zijner jeugd hem nog in later jaren tot een onregelmatig kerkganger gemaakt heeft, aan dizelfde schijnbaar nuttelooze bedevaarten dankte hij voor een deel zijnen kunstzin, de oudvaderlandsche wending van zijnen geest, de degelijkheid van zijn talent en niet het minst zijne sympathie voor het romantisme. Er steekt in die negen en twintig geschilderde glazen van Sint Jan, in zijne Beschrijving van Gouda zoo naauwkeurig opgesomd door den Heere Ignatius Walvis, allerhande leering; en Staring was van jongs afaan te leergierig, te ernstig, te nadenkend, om daar zijn voordeel niet mede te doen. Tusschen de vervaardiging van het eerste dier glazen, in 1555 door Georg van Egmont, zestigsten bisschop van Utrecht, aan de uit hare asch vererezen kerk vereerd, en die van het laatste, een geschenk der Staten van Noord-Holland in 1603 of daaromtrent, ligt het belangrijkst tijdvak onzer vaderlandsche geschiedenis. Ziedaar een allegorie, voorstellend de vrijheid der conscientie. Zij is van het jaar '96 en verplaatst u in het vijftiende jaar van den vrijheidsoorlog. Op een triomfwagen, voortgetrokken door de liefde, de eendragt, de geregtigheid, de getrouwheid, en standvastigheid -- vijf vrouwenbeelden -- is de gewetensvrijheid gezeten. In hare maagdelijke hand draagt zij een menschenhart; aan hare zijde eene andere maagd, een ontbloot zwaard voerend, het zinnebeeld der bescherming tegen geweldenarij. Deze laatste, gekleed in een bloedrood gewaad, ligt onder den wagen en vertoont de gedaante van een man. ''Hij steekt het hoofd wat op, doch zijn gebroken zwaard vertoont zijne onmagt.'' Wat er, bij het aanschouwen van deze voorstelling uit de laatste jaren der 16de eeuw, in de laatste jaren der 18de mag zijn omgegaan in den geest van onzen protestantschen schoolknaap? Ongetwijfeld vond zij weerklank in zijn voor de vrijheid geboren gemoed. Zoon en neef van zee-officieren in wier daden nog iets scheen door te schemeren van die stoutheid en dien heldenmoed, waaraan de Republiek eerst hare grondlegging en daarna hare bevestiging dankte, zal zijn hart instinktmatig zamengekropen zijn bij de gedachte aan zieledwang; zal het sneller geklopt hebben bij de herinnering aan het weleer afgeschudde juk. Doch een kerkelijk ijveraar kon die allegorie der geweetensvrijheid van hem niet maken. De geest der 18de eeuw bragt dit niet mede, zijn eigen aanleg evenmin, en ook de geschilderde glazen van Sint Jan moedigden hem er niet toe aan. Twee der oudsten en schoonsten daaronder, een van 57 en een van 59, waren geschenken van spaanschen afkomst: het eene, Salomo's offer en de instelling van het Avondmaal, eene gift van Koning Filips; het andere, Elia's offer en de Voetwassching, van de Hertogin van Parma, 's Konings zuster. Al eerde men de vaderlandsche Hervorming, die in '73 deze twee kunstwerken spaarde, kon men het Katholicisme haten dat de vervaardiging er van opgedragen had aan Dirk Crabeth en aan zijnen broeder Wouter? Die zelfde Wouter schilderde in '66, volgens opdragt van Hertog Erik van Brunswijk, Heer van Woerden (en Rubens oordeelde eenmaal dat dit werk Wouters zegepraal was), de wraak des hemels aan den tempelschenner Heliodorus. Doch al school in de keus van dit onderwerp zekere hoeveelheid roomschgezinde ontevredenheid over de in dat jaar voorgevallen beeldenstormerij, moest broeder Dirk niet reeds in '67 een tegenhanger vervaardigen, de Jeruzalemsche tempelreiniging, en zeide de overlevering niet dat Prins Willen van Oranje, bij het doen van deze bestelling, ten oogmerk had gehad eene stille terechtwijzing toe te dienen aan Hertog Erik? Edele polemiek voorwaar, zich openbarend in het uitlokken van kunstwerken, en wel geschikt om in een van nature opmerkzamen hunmoristischen jongen geest de kiemen te strooijen van eene wereldbeschouwing, waarin aan de menschelijke meeningen em aam haar onderling verschil niet meer waarde toegekend wordt dan zij verdienen. Die Tempelreiniging van Prins Willem, zij was een epigram; en Staring heeft van zijne jeugd afaan een bijzonderen aanleg voor het puntdicht gehad. Getuige het bijschrift bij de allegorie van de vrijheid der conscientie, maakte men hier te lande in 1596 nog somtijds verzen, die van weinig litterarischen ontwikkeling getuigden, doch hooger dan de litteratuur stond, en sinds lang, de schilderkunst. Dirk en Wouter Crabeth, Lambert van Noord, Dirk van Zijl, waren meesters in dit vak. Niet slechts kenden zij een geheim, dat met hen gestorven is om niet weder te verrijzen, doch aan hunne ongeevenaarde kleurenpracht paarden zij aan een talent van teekening dat aan hunne cartons de waarde gaf van onvergankelijke modellen. Staring kon niet opgroeijen bij de aanschouwing van den arbeid dezer meesters zonder onwillekeurig en ten geode besmet te worden met beginselen van romantisme. Van hetgeen hij in alter tijd voor de middeneeuwen gevoeld heeft, daarvan getuigen zijne verhalen in proza en poëzie, zijne germanistische studiën en liefhebberijen, en zelfs zijne ingenomenheid met het hem in eigendom toebehoorend manuscript van Maerlants Rijmbijbel. Doch nooit, verbeeld ik mij, zxou het overigens regt natuurlijk en vcerklaarbaar protestantsch vooroordeel, dat de geschiedenis der nederlandsche beschaving doet aanvangen bij de Unie van Utrecht, hem zoo vreemd gebleven zijn of zou hij zich zoo gemakkelijk bewogen hebben in zijne geldersche geschiedenissen van den hertogelijken tijd, of zich zoo vermeid hebben in de wereld der ridderlijke en der godsdienstige legende, indien hij niet in zijne kinder- en aankomende jongelingsjaren betooverd ware geworden door de Goudsche glazen. Die glazen zijn het prisma geweest, waardoor hij de midden-eeuwen heeft leeren beschouwen, niet onder de afzigtelijke gedaante van den Zwarten Dood, maar in den dichterlijken kleurengloed der gebroeders Crabeth. En zoozeer schijnt die herinnering uit zijne jeugd te zijn zamengegroeid met zijne geheele persoonlijkheid, dat ik zijne dichterlijke nalatenschap niet beter weet te vergelijken dan bij een der meesterwerken van dien Wouter of dien Dirk; een geheel, even volmaakt van teekening als schitterend van koloriet, zamengesteld uit een aantal in zichzelf schijnbaar onaanzienlijke deelen. Brokjes vensterglas in lood gevat, maar bestemd om nog door de verre nakomelingschap geprezen te worden als een uit één stuk gegoten monument van kunst en arbeid. Doch hoewel een vereerder der midden-eeuwen, Staring is haar speelbal niet geweest; ook niet, al zouden sommigen van zijne romancen en zijne balladen dit doen gelooven. In Wichard van Pont, in Lenora, in de zwarte Vrouw, in Adolf en Emma, in Folkert van Arkel, in Ada en Rijnoud, is hij welligt niet meer dan genre-dichter. Mijns inziens verspilt hij daar aan ondankbare onderwerpen eene te overvloedige mate van talent. Zijne vaderlandsche romancen, meer bepaald aan de oude geschiedenissen van zijn geliefkoosd Gelderland ontleend, Arnhem verrast, Het schip van Bommel, Hertog van Arnoud, dragen, bij vergelijking gesproken, veel meer den eigenlijken stempel van zijnen geest. Doch ook hier is de romanticus nog niet te eenemaal aan zijn onderwerp ontwassen, en daarbij staat de gelderschman er somwijlen in den weg aan den dichter. Niet alzoo wat betreft dien merkwaardigen cyclus van Jaromir, het uitvoerigste van al Starings dichterlijke gewrochten. In deze vier hoofdstukken, waarin tegelijkertijd de dichterlijke verteller sommigen van zijne schoonste lauweren wint, is de romantiek dienares en werktuig geworden; kneedbare stof in de boetserende hand van den kunstenaar. De dichter wordt hier niet langer bereden door zijn onderwerp, maar is zelf ruiter. Met niet meer dan drie gegevens -- twee waterplassen in de nabijheid van Lochem, waaraan de overlevering den naam van Duivelskolken geeft; het afdruksel van een hondenvoet in de roode vloertegels van de boekerij achter de hoofdkerk te Zutphen; de onjufferlijke naam van Duivelsaars, met dit weinige stelt hij een bewonderenswaardig tafereel uit het midden- eeuwsche leven zamen. Eene boheemsche anekdote, Jaromir te Praag, dient tot inleiding. Zij heet ontleend aan een engelsch tijdschrift, en dit moge zoo zijn; in vruchtbaarder bodem kon de gedachte van den britsche verhaler niet vallen. Jaromir, de aanstaande priester, heeft zich in zijnen studententijd te Praag eene onbetamelijke grap veroorloofd ten koste van Tenterkwaad, in de volkstaal bijgenaamd Heintje Pik. Ledig van beurs en maag wist hij zich in eene herberg een overvloedigen maaltijd en eene warme slaapplaats te verschaffen. Doch tot welke prijs? Het vinden van twee paardenpooten en een koestaart had, terwijl hij hongerig en wanhopig door de velden dwaalde, hem op den inval gebragt om eene enkele maal voor Duivel te spelen. De list gelukte. Den anderen morgen, toen het zou aangekomen zijn op betalen, wist Jaromir zijne paardenhoeven zoo juist van pas aan het voeteneind van het ledikant te doen uitsteken en daarbij met zijnen koestaart zoo behendig te kwispelen, dat de waard en diens bedienden, door hem in de slaapkamer gelokt, niet anders meenden of zij hadden in levendigen lijve den Booze gehuisvest. Men sloeg een kruis, boog zich eerbiedig voor zijne Helsche Majesteit, wilde hooren van nota noch afdoening, en was blijde hem in vrede te zien vertrekken. Doch het vervolg zou leeren dat borgen, in het woordenboek der onderaardsche magten, geenszins opgegeven staat als gelijkluidend met kwijtschelden. Schijnbaar en naar het uitwendige ging het Jaromir voor den wind. De uitgevaste Praagsche akademieburger werd een weldoorvoed Franciskaner monnik en tevens een vermaard exorcist. Hij, wien de armoede weleer gedwongen had zich van zijne voeten te bedienen, spaarde thans zijne beenen en reed te paard. Zijn missiewerk riep hem van de eene stad naar de andere; en aldus geviel het dat hij op zekeren dag, dwars over het Munstersche heidevlak henne, de geldersche landpalen overschreed en Lochem bereikte. Doch hier wachtte hem de vijand van ons aller zielen en van de zijne: [Jaromir te Lochem] ''In vroeger dagen,'' dus verhaalt de geldersche volkssage, ''kwam een Pastoor van eene andere Parochie te Lochem; juist werd er geluid; zijn fijn gehoor merkte onraad: de klokken waren niet met behoorlijken Doop gewijd! en, door ijver gedreven, strafte hij hare onbevoegde luidruchtigheid met het anathema. Dadelijk werden zij door den Booze weggevoerd, die ze nu doopte op zijne wijs: elke klok in een afzonderlijken waterkolk werpend. Van daar de naam van Duivelsklokken.'' Niet anders handelde Tenterkwaad met Jaromir. Bij 't binnenrijden der stad door klokgelui verrast, komt het dezen ter oore dat men verzuimd heeft het heilig metaal (zijn eerste indruk was geweest dat Lochem jubelde ter eere van hemzelven) naar kerkgebruik te wijden. In toorn ontstoken stijgt hij van zijn ros, begeeft zich onder de menigte, houdt haar staande, wordt door gekwetste eigenliefde welsprekend, vaart uit tegen de vermetelheid der goddeloosheid, en geeft de twee ongedoopte klokken over in de magt des Satans -- die intusschen niets liever verlangde dan dit, en aanstonds het tweetal den toren uit en door het luchtruim met zich medevoerde tot buiten de stad, waar twee waterpoelen ''ten badplaats aan de snaatrende eend, ten spiegel aan de bonte wolken'' strekten. Daar werden ze gedoopt, en sneller dan hij gedacht had ging aldus het vloekwoord van den boetgezant in vervulling. Echter zou het binnen niet vele sekonden blijken dat hij weinig reden had om zich op het goed gevolg van zijne magtspreuk te verhoovaardigen. De klokken ja, de klokken had hij geheeten naar den Duivel te varen; en zij voeren. Maar, want zelfs aan den klerikalen zeloot is het niet gegeven op alles bedacht te zijn: Maar van de klepels had de schenker niet gesproken, En Heintje wil voortaan geen kerkeneigendom, Dan met bewijslijk recht verkrijgen! Hij rukt de klepels, onder 't pijlsnel opwaart stijgen, De klokken uit, en smakt ze naar beneën! -- Op welk een hoofd? -- helaas op een.... Geschoren kruin! -- de tong des strafprofeets moet zwijgen! Dood -- of is 't minder erg -- dan schier Zoo goed als dood ligt Pater Jaromir. Dat de pater nog leefde had hij te danken aan de goedgunstge tusschenkomst van Sint Michel, door hem aangeroepen juist op het oogenblik dat de slag hem treffen en hem het hoofd verbrijzelen zou. Hij kwam weder bij, herstelde zich langzaam, en ging zich van zijne te Lochem bekomen wonden vieren in de rustige boekerij der Zutphensche hoofdkerk. Met ijver viel hij daar aan het studeren in de geketende folianten, vond er voedsel voor zijnen geest, en verruimde zich tevens het hart door de aan Sint Michel bezworen gelofte dat hij uit dankbaarheid voor de van dien heilige genoten bescherming om den anderen dingsdag vasten zou. De eerste dier dingsdagen kwam en vond Jaromir verdiept in de Confessiones van Augustinus. Daarin verdiept vond hem omstreeks avondetenstijd ook de custos der bibliotheek. De man zette het spijskorfje als naar gewoonte naast Jaromir neder (hetgeen hij tot hartsterking behoefde werd hem dagelijks hier gebragt) en ging. Dat bovenop het mandje een naar den eisch gesneden hoen zijne mondtergende blankheid ten toon spreidde, dit was noch de schuld der kloosterzuster die het hoen gebraden, noch die van den custos die het binnengebracht had. Hij noch zij droegen kennis van Jaromirs gelofte. De schuldige was niemand anders dan Tenterkwaad, des Paters oude vijand en belager. Jaromir had er een voorgevoel van. Hij zag het hoen, wendde de oogen af, en wijdde eene verdubbelde aandacht aan zijnen Augustinus. Dit baatte, en de zin van het gelezene werd hem allengs duidelijker. Doch daar viel iets op den grond: het waren twee sleutels, een van de kerk en een van de boekerij. Zonder acht te geven op hetgeen hij deed bukte de lezer ten einde het gevallene op te rapen; doch zijne tastende hand dwaalde af en ontmoette, instede van de sleutels het hoen: En nu de hand niet toe te doen; 't Gegrepen boutje, plots, gelijk een schorpioen Te laten vallen; of druiloorig aan te gapen, Als waar' het uit een knol gesneên! Het niet te proeven! van die reepjes ook geen een -- Geen twee -- tot ongemerkt het halve hoen verdween! Hadt gij 't gekund? Indien gij ja zegt, ik zeg neen! Ik had, helaas, met Jaromir gegeten; Maar 't had mij ook, met hem tot in mijn hart gespeten. De Booze, in de gedaante van een hond, was in persoon getuige van Jaromirs val, en een lustig getuige daarenboven. In de boekerij gekomen, niemand weet hoe, was hij het geweest die de sleutels had doen afglijden van den lezenaar, gelijk ook hijzelf het was die de andere helft van de hoen met den overigen inhoud van het korfje gul naar binnen slokte; en eer nog zijn slagtoffer den tijd had gehad om zich te bezinnen op het uitbanningsformulier, vloog hij, met de onmisbare sleutels in zijn bek, den muur door en verdween. Jaromir sleet in de boekerij een alleronaangenaamsten nacht, die evenwel niet zonder gunstige uitwerking bleef op zijn gemoedstemming: De rozekrans wordt straks zijn toeverlaat. Het honderdste amen sluit het honderdst paternoster, Als zijn bevrijder komt -- de koster Door naberouw gekweld vliedt Jaromir het tooneel van zijne ontrouw. Tot zelfkastijding, en ten einde den beleedigden heilige weder te verzoenen, onderneemt hij een verren pelgrimstogt naar de grot van Sint Michiel, te Monte di S. Angelo in het Napelsche. Zoo veel ootmoed zou niet onbeloond blijven. Niet slechts daalde er vrede in zijn gemoed en kregen zijne ingevallen kaken haar verloren vleesch en den blos der gezondheid terug, maar hem toefde in dat zelfde Lochem, waar eenmaal zijn schedel ''eenen buts'' ontving, een onvergankelijkelauwerkrans. Gedurende zijne afwezigheid namelijk had de booze, zich aldaar niet onbetuigd gelaten, en met name had de ongelukkige kapellaan van Lochems bejaarden pastoor veel te lijden gehad van Tenterkwaads aanvechtingen. Gekweld door een hopeloozen en ongeneeslijken hartstogt voor Leonore, het lieftallig Begijntje en zijn buurmeisje, was de liefde dien jeugidgen geestelijke ten slotte in het hoofd geslagen; en deze ramp was niet gering. Doch een grooter en ergerlijker kwaad waren de vormen waaronder, door Satans invloed, de waanzin van den kapellaan zich openbaarde. 's Morgens vroeg, geknield voor het dakvenstertje dat uitzag in den moestuin waar het Begijntje aan den arbeid was, hief hij, instede van het Maria-gegroet, een godlasterlijk Ave Leonore aan; en alsof het niet genoeg ware om den Hemel aldus binnenskamers te bespotten, kwam openbare ergernis de heimelijke vergrooten. Met de oogen onbewogelijk gevestigd op zijn brevier zwierf de kapellaan de buurten rond en zong met luide stem, luider zoo vaak een jongenstroep hem op de hielen zat en hem nabaauwde, het wereldsch minnelied van ''Leonoret, schoon rozekijn.'' Dit duurde, duurde, duurde, Tot den dag Dat Jaromir hem hoorde en zag Door een onbedriegelijk instinkt gewaarschuwd, tracht de bezetene den priesterlijken pelgrim te ontwijken. Doch het uur der wedervergelding had geslagen en het zou blijken dat Jaromir niet vruchteloos ter bedevaart geweest was. Gedreven door denboozen geest die hem overheerschte, vlugt de zingende kapellaan op Jaromirs blik in het hakhout bezijden den weg; doch Jaromir snelt hem achterna en gebiedt hem terug te keeren op zijne schreden: [Jaromir Gewroken] Jaromir te Praag, Jaromir te Lochem, Jaromir te Zutphen, Jaromir Gewroken: dit kleine epos in vier zangen meen ik te mogen aanmerken als een welsprekend specimen van al hetgeen verder door Staring in dezen trant gedicht en geschreven is. Tevens merkt het zijne plaats in de geschiedenis onzer letterkunde. Zij ligt achter onzen rug, de periode der romantiek, en het tegenwoordig geslacht moet op zichzelf eene kleine overwinning behalen om er toe terug te keeren in den geest. Hoe is het mogelijk dat onze vaders zoo ingenomen hebben kunnen zijn met zulk een bastaard- genre? dus vragen wij; en ik zou die bevreemding niet onreedelijk heeten, indien niet ons eigen realisme gevaar liep om van den kant onzer zonen eenmaal aanleiding te geven tot eene soortgelijke consternatie. Doch omtrent Staring zal de nakomelingschap getuigen, en dit maakt hem tot den uitnemendste onzer romantici, dat hij het voorwerp zijner liefde lagchend omarmd heeft. Twijfelt iemand of Staring zich te midden van de schertsende vereering zijner midden-eeuwsche goden wel volkomen bewust is geweest van hetgeen hij deed, hij lezen dezen aanhef van het tweede gedeelte der vertelling Marco: [Marco, II] Er is een tijd geweest dat ons publiek opmerkzaam gemaakt moest worden op de in zulk soort van verzen, bij hunne overigens onmiskenbare stroefheid, verborgen schoonheden. Het was voor vijf-en-twintig jaren, of daaromtrent, toen de algemeene smaak verwend geworden was door een stroom van zoetvloeijende doch gedachtelooze poëzie. Eene vaste hand, geleid door een geoefend oog, gaf zich destijds de moeite om voor de lezers van den pas gestichten Gids duidelijk te maken dat men een voortreffelijk dichter wezen kan, ook al glijden de verzen niet even gemakkelijk daar henen als regenstralen langs een leijen dak; en dit betoog werd gevoerd met zooveel welsprekendheid en zoo groote overredingskracht, dat nog heden ten dage, wie eene kritische bloemlezing van schoonheden uit Starings gedichten verlangt te lezen, niet beter te doen heeft dan de twee eerste jaargangen van dat maandwerk te raadplegen. Doch de tijden zijn sedert veranderd. Het thans opkomend geslacht hunkert naar een hollandsch vers met eene gedachte er in. Van daar zijne ingenomenheid met Staring. Deze dichter, zegt het, was tevens een kunstenaar en een denker. Doch hoe meer wij Staring liefhebben en bewonderen, des te opregter bejammeren wij het ook dat zoo menige plaats ij zijne gedichten, en met name in zijne verhalen, door duisterheid en gewrongenheid ontsierd wordt. Met zijn geestig epigram: [Duister] met dit epigram was Staring volkomen geregtvaardigd tegenover een publiek dat hem oversloeg. Zijne volstrekt niet slaperige vereerders daarentegen hebben reden te meenen dat het isolement, waartoe de tijdgenooten van dezen dichter hem uit onverstand veroordeeld hebben, ongunstig gewerkt heeft op zijne ontwikkeling. Starings voorbeeld is bovendien het eenige niet waaruit blijkt ddat zledzame vernuften, begaafd of bezocht met eene hun alleen eigen tournure d'esprit, instede van door de ongunst des publieks van hunnen aanleg tot impopulariteit genezen te worden, zich integendeel uit fierheid somtijds opzettelijk overgeven aan de rigting-zelve, die scheiding maakt tusschen de groote menigte en hen. Voor het overige behoort deze aanklagt wegens stroefheid en duisterheid, waar het Starings verzen geldt, beperkt te worden binnen scherpgeteekende grenzen. Zeer juis en in keurige bewoordingen worden die grenzen aangeduid door den heer Beets, ter plaatse waar hij in zijne Inleiding zegt: [Fragment uit Beets' Inleiding] Voeg daar dit getuigenis bij, dat hen die Staring alleen van hooren zeggen kennen bevreemden moet, maar nogtans uit den mond van een mededichter niet ongeloofelijk klinken zal: ''Men heeft in Nederland nooit iets geschreven dat in zoetvloeiendheid Starings Herdenking, zijn Zefir en Chloris, zijn Oogstlied, zijne Adeline verbeid overtreft.'' Voor mijzelven zou ik deze laatste rubriek nog aanmerkelijk wenschen uit te breiden. Ik zou haar willen stofferen met al hetgeen in Starings nalatenschap gebragt kan worden tot de rode der klassieke poëzie. Deze romanticus toch was tevens een vereerder der antieken, en dezlefde mondelingsche overlevering die van zijne vroegge aandacht voor het schoon der Goudsche glazen verhaalt, gewaagt ook met name van een exemplaar van Horatius, talloos vele malen doorgelezen, en bij uitzondering (want in den regel was hij uiterst keurig op zijne boeken) tot ontoonbaar wordens toe gehavend. Uitschrijven is hier het geschiktste middel om mijne bedoeling duidelijk te maken en den lezer met mijne klassifikatie te verzoenen: [Herdenking] [Adeline Verbeid] [Oogstlied] [Zefir en de Bloemgodin] [Aan de Maan] [Schoone Smart] [Belisa in Zwijm] [De Grot en de Pelgrim] [Waterloop] [Gelderland] [De Min] [De Bruidegom aan Aurora] [Aan Favonius] [Meizang] Onder deze stukjes is er niet een waarvan men zeggen kan dat het eene navolging is van een of ander antiek model. Zelfs wordt in sommige eene wereldbeschouwing ondersteld waarvan de grieksch-romeinsche oudheid niet afwist. Die Adam en Eva, aan het slot van den laatst aangehaalden Meizang, behooren te huis in eene geheel andere sfeer als waarin men zich oudtijds te Athene of te Rome bewoog. Aan Favonius behelst eene zinspeling op gebeurtenissen uit de nieuwere geschiedenis. Gelderland kon op deze wijze alleen bezongen worden door een dichter van germaanschen bloede. Adeline, reeds deze naam is voldoende om ons aanstonds te verplaatsen te midden van onze modern-poëtische maatschappij. En toch geloof ik niet dat Staring, indien hij minder vlijtig gestudeerd had in zijnen Horatius, een enkel van deze meesterstukjes zou hebben kunnen vervaardigen. Een stukgelezen exemplaar van dezen of genen klassieken auteru maakt wel is waar niemand tot een filoloog van professie. Om op dit gebied de riddersporen te verdienen wordt meer vereischt. Ook gaf staring zich niet uit voor een hellenist of latinist, en de vaderlandsche Ouden -- Hooft, Vondel, Huygens, Cats -- stonden minstens even hoog bij hem aangeschreven als de anderen.[Voetnoot] Ook is Horatius meerendeels slechts eene afgeleide bron, en de beste meesters leeren ons dat zelfs de studie der latijnsche letterkunde, indien die der grieksche daar niet mede gepaard gaat, nog altoos niet meer dan een gebrekkig middel tot iemands klassieke vorming is. Doch aan den anderen kant mag men beweren dat Starings instinkt, door hem schier al zijne liefde te doen vestigen op een enkelen dichter der oudheid, misschien te gelijker tijd den universeelsten van allen, hem geleid heeft op den regten weg. De nederlandsche dichter van den nieuweren tijd moet op zijne eigene wijze een beoefenaar der oudheid zijn. Anders is de roeping van den archaeoloog, anders die van den zanger. Twee dingen kan deze laatste, zal men den geest der oudheid in zijne werken terugvinden, niet ontberen; een reuk- of gezigtsorgaan om het antieke schoon mede op te merken, en om zoo te spreken een venster, zij het ook niet meer dan een, dat op deze elyseesche velden uitziet. In zijnen Horatius bezat Staring zulk een venster; en dat hij daarbij het vereischte oog niet miste, daarvan getuigen in de zoo even uitgeschreven gedichtjes al de voortreffelijke eigenschappen waardoor zij zich onderscheiden. Doch deze twee gaven behooren zamen te gaan, en hij aan wien de eene daarvan diet met de andere geschonken werd, ontbeert ze beiden. Plaats Staring naast Tollens, die tot zijn innig leedwezen de goden van den Olympus niet meer dan van aanzien kende, en het aanmerkelijk verschil tusschen eenvoudigheid en eenvoudigheid wordt u eensklaps openbaar. Tollens is voorwaar in zijne beste verzen geen snoever of grootspreker, en men kan naar waarheid van hem zeggen dat hij als een andere Mozes het beloofde land der ware verhevenheid van verre aanschouwd heeft. Doch heeft hij er ooit den voet in gezet? Bilderdijk en Da Costa deden dit. Zij hebben toonen aangegeven en kreten geslaakt, die Staring niet zou kunnen hebben voortbrengen zonder tot affektatie te vervallen. Het grootsche van beider poezie wordt bij hem gemist. Beiden overtroffen hem daarbij in gemeenzame bekendheid met de oude letteren. Doch hoe vele kostbare gewassen er ook prijken mogen in hunne hof, een bloembed als het daareven aangelegde, zoo fijn van teekening en zoo zacht van geur, ontbreekt er. Hunner was wel het uitzigt, en in ruime mate, doch zij misten het zintuig. Daareven, en met voorbedachten rade, noemde ik Huygens. Elke beschrijving toch van Starings talent, waarbij niet ook eene aanzienlijke plaats afgestaan werd aan den invloed van dezen Constantin, zou de onvolledigheid-zelve zijn. Bij zijnen dood werden in zijn exemplaar der Korenbloemen meer dan honderd strookjes papier gevonden, verwijzend naar even zoo vele welligt honderd malen overgelezen plaatsen uit het hoofdwerk van den Heer van Zuylichem; en misschien is geen middel geschikter om hemzelf en eene bepaalde zijde van zijne poëzie te karakteriseren, dan kortelijk met eenige voorbeelden aan te stippen waarin volgens hem de voortreffelijkheid van die van Huygens bestond. ALdus, uit het oogpunt van de kunst van versificatie, bewondert hij in dezen de caesuur van sommigen zijner alexandrijnen. Gelijk van deze zes uit de Zeestraat: Wij hoeven 't in geen hoop ouw' boeken na te lezen, Hoe schichtig de rivier des Tijdts is; wat een pijl, Geschoten uit Gods hand; en wat een kleine wijl Elk tegenwoordig is; ja liever, wat een stippel, Die niet te noemen is voor dat hij ons onthippel: Zoodat ons niet en staat te zeggen als ''dat was'' En ''dat zal zijn (zoo 't lukt).'' ''Dat is'' komt nooit te pas. Of van dit viertal uit den Oogentroost: Een vrijer staat en kijkt of 't spookte: o Beeld van was! O, zegt hij, warm ivoor, murw zilver, vochte kralen! -- en die daar nevens staan, en naar de waarheid talen, En vinden noch koraal, noch zilver, noch ivoor, Maar vleesch als 't hunne, met bruin ganzenvel daar voor. Begeert men snedige invallen; sierlijk vernuft? Men sla hem op, zegt Staring, daar hij zegt van den diamant, gevat in het stift dat Anna Visscher gebruikt had om vlugge trekken in eenen roemer te griffen: 't Was een bevrozen drop van Hippokrenes nat. Wil men leeren, vraagt hij, om van het eene onderwerp, zonder sprong, zonder schijn van dwang, tot het andere over te stappen? men ga by Huygens ter schole. Men bewondere hem in zijn Kostelijk Mal, als hij met anderhalven regel, door de geestige wending, Mevrouw uit hare kleedkamer ter strafpreek naar het bedehuis voert: De pop is opgetooid. Wie zal haar nu geleien? Vier hengsten naar de kerk. of ook wel in de Zeestraat, wanneer hij tusschen twee heterogene episoden zijne lezers laat opstaan van tafel en hen aldus aan zijn hoofdonderwerp herinnert: De koetsen komen uit en wel gevoerde paarden, Die maar de spraak gebreekt om, naar verdienst en waarden, De nieuwe klinkertjes te loven dag voor dag, Gedenkende de plaag, die hun ten halze lag, Toen ze, onder het gejuich van luije jonge luiden, In 't Scheveninger zand hun long te berste kruiden; Die nu, 't zij nat of droog, 't zij avond zij of nacht, Naar huis toe dansen gaan, zoo vrolijk als de vracht Als satiriek karakterteekenaar, beweert Staring, toont Huygens zich een meester zoowel in den Alchymist als in den Dwazen Hoveling; doch wie hem tot eene bedroefde moeder, bij het verlies van hare uitmuntende eenige dochter, hoort zeggen: Dit is geen ongevoel; ik spreek vol mededoogen; Zoo nu uw oogen staan, zoo stonden eens mijne oogen. Toen leed ik dat gij lijdt. Was 't niet een eenig kind, Dat mij te lijden gaf, een vader die wel mint Heeft niets als eenige!.... of wie hem in zijne uitbreiding van het Tiende Gebod deze taal Jehova in den mond hoort leggen: Zwicht, vleeschelijk vernuft: mijn wille zij uw reden! Wie wil er tegenstaan? wie is er om te onvreden? Wie roept er mijn gebod voor 't menschelijk geregt? Ik: de regtvaardige; Ik, Israël, Ik zeg 't! die behoefte niet te vragen of het dezen spotter welligt aan diep gevoel, of dezen miniatuurschilder aan zeggingskracht ontbroken hebbe. Verlangt men evenwel te weten waar en wanneer Huygens geheel te huis en geheel zichzelve is? Het is wanneer hij verhalen mag van zijne Gedenkwaardige Kijkreis, toen hij in een open rijtuig door de straten van Rotterdam naar den Doelen reed, in gezelschap van zes heeren en dames: Elk riep om 't zeerst: Kijk hier, Mevrouw; Mevrouw, kijk daar; Kijk, watte straten, watte winkels, all' vol waar! Dat's eerst een Rotterdam! zie havens en zie kaaijen, En wat er woelens is! wij zullen straks eens draaijen, En zien er nog vijf, zes, all' van denzelfden slag... Kijk hier, Mevrouw; kijk daar, Mevrouw; nu hier, nu ginder; Nu weêr wat achterwaarts; wat meer op zij; wat minder... Dit's een Rotterdammer Markt; en 't Paapje dat daar staat, Erasmus Zaliger. Zie zijn vernuft gelaat; Hij staat en mijmert, en vergeet zijn blad te keeren. Mevrouw, kijk nu eens uit: daar woont een van de Heeren Van onze Vroedschap; daar een Burgemeester; daar Zijn Dochter; daar zijn Nicht; daar zijn WijfsBestevaêr; Daar A; daar B; daar C. -- 't A, B was schier ten ende, Eer iemand hopen mogt dat m'in den Doel belendde. Vraagt men ten slotte aan Staring, welke de plaats in Huygens werken is, waar deze dichter zichzelven het naauwkeurigst gekenschetst heeft, -- of leefde er ooit een dichter van de echte soort, die niet onwillekeurig of met onbewustheid zulk eene zelfbeschrijving leverde? -- hij verwijst ons naar de volgende regels uit het 4den Boek van het Dagwerk, waar Constantin tot zijne Sterre zegt: Mooglijk of de nijd zal lijden Dat zich, ver van deze tijden Men beleeft die gunsten niet) Iemand half genoeg geliet, (Half gedwongen vond te zeggen: 'Waar mag nu de Dichter leggen, Die zoo noo 't vertreden pad Van 't gemeene Rijm het rad, Die zoo walgde van de woorden, Die men maar in 't oor en hoorden Van het flaauw en laauw geluid Van een al te gladden fluit?' Sterre, ontschuldig mijn vermeten: 'k Ben onzoenelijk gebeten Tegen 't lamme laffe lijm Van den dagelijkschen Rijm! Deze bekentenis van Huygens is tevens een sleutel op Staring: inzonderheid op den verteller en den puntdichter in hem. Aan Huygens heeft hij haar afgezien, de kunst om met een gering aantal korte en fijne trekken, tot volkomen bevrediging van den lezer, eene vertelling, hetzij aan te vangen, hetzij te besluiten. Niets evenaart in dit opzigt de slotregels der Verjongingscuur: Annet zong best! Annet wies op; En eer de Ring haar weêr ontsnapte, Ging nu het vrijen in galop; De vischhoek lokte -- 't vischje hapte! Zij schonk blind weg een Zot haar trouw, En stierf aan haar berouw. Niets ook den aanhef der Twee Bultenaars: Twee wakkre Bultenaars: graaf Ot, die 't pak van voren, Graaf Freedrik, die 't van achteren droeg; Begeerden Klara's hand en vrijden dronk genoeg Maar Jonkvrouw Klara had geen ooren. Deze vertellingen van Staring, waaronder behalve de twee genoemden en Jaromir ook nog uitmuntten Marco, de Verloofden, Ivo, [Winterzang] Doch ik mag mijne lezers niet langer doen watertanden naar eene versnapering, waarop voor hen zoo weinig uitzigt bestaat. Welligt ook zouden Starings verhalen ongeschikt bevonden worden voor elk tooneel; en misschien is hunne aangewezen plaats in die gehoorzalen onzer hoogescholen, waar toekomstige kerk- en andere redenaars geoefend worden in het afleeren van den deklamatietoon. Tot hetgeen in hem aan Huygens en in het gemeen aan de vaderlandsche litteratuur der 17de eeuw herinnert, behooren voorts onder zijne epigrammen ook nog die spreuken, waarin rijkdom van levenswijsheid zich paart aan eenvoudigheid en kern van uitdrukking: [Puntdichten] Rijk is de verzamleling van Starings puntdichten. Er schuilt daarin, met den heer Beets gesproken, naast menig diep en geestig woord, ook nog de kiem van eene ars poëtica. En nog rijker gestoffeerd zou die bundel zijn, indien sommige kleinere gedichten, nu hier en ginds in de vier deeltjes verspreid -- de Zitbank, Hans en Louw, de Biecht -- even goed als de meer uitvoerige en ongemeen fraai uitgebouwde Verschillende Uitleg, allen te zamen gerangschikt werden onder dit eene hoofd. Doch eene kostelijker verzameling vormen in mijne oogen die gedichten van verschillende inhoud en toon -- de uitgeschreven Winterzang is er een van -- waaruit men, zonder dat de dichter het bedenkt, den mensch en den landheer leert kennen. Er hebben, zoo ver weet, nooit vele punten van aanraking bestaan tusschen Staring en David Jacob van Lennep. Bij eene onderlinge vergelijking van beider dichtwerken zou zich menig kontrast voordoen, en beurtelings zou de schaal van de eene zijde naar de andere overslaan. Woordenrijk zonder breedsprakigheid, is Van Lenneps Poëzie altijd en overal doorzigtig, overal en altijd de gladheid zelve. Staring, somtijds hoekig en duister, is nooit onbeduidend. Een lierzang zoo stout als de Herder op het slagveld van Cannae, een leerdicht zoo uitvoerig als de Werken en Dagen zou hij niet hebben kunnen vervaardigen zonmder aan zichzelven en aan zijnen adem geweld aan te doen. Zoo zou ok Van Lennep op zijne beurt de zeldzame verscheidenheid niet hebben kunnen ten toon spreiden, waardoor Staring zich van hem onderscheidt en hem overtreft. Van Lenneps Duinzang is tooverachtig van welluidendheid, en Da Costa zou den Voorzang der Vijfentwintig Jaren niet geschreven hebben, had deze rhythmus hem niet door het hoofd gespeeld. Doch verhevener, bij grooter soberheid van uitdrukking, zijn Starings Dennen. Van Lenneps Wenschen is een der fraaiste gedichtjes die ooit in onze moedertaal geschreven werden; doch Adeline Verbeid wedijvert er mede en Herdenking spant de kroon. Waartoe meer? Onze litteratuur heeft te groote verpligting beiden aan het Manpad en aan den Wildenborch, dan dat het te pas zou geven den eenen te verheffen ten koste van den anderen. Hoe uiteenloopend overigens het karakter en de vorming van beide dichters moge geweest zijn, met gelijk welgevallen zien wij in onze verbeelding den Kennemerlandschen jager en duinontginner, met de weitasch op zijde en Fingal achter zich aan, omdwalen door het oord waaraan zich zoo vele herinneringen uit den oud-grafelijken en uit nog ouderen tijd verbinden, en den Gelderschen landpatricier met eigen hand het bestek afbakenen van de vaart die zijn goed doorsnijden en den voorvaderlijken heidegrond herscheppen zal in eene vruchtbare beemd. Zeer eigenaardig, tot kenschetsing van de moeijelijkheden die hij daarbij te bekampen, en van de vooroordeelen die hij te overwinnen had, is onder Starings gedichten de Bede aan Mavors met het daarop volgend Spoor aan den Naneef. Over het gemeen heeft zijne muze aan den buitenman in hem de grootste verpligtingen gehad. Ten bate van zijne ware bestemming heeft het landleven hem afgehouden van de politiek. een weinig wierook op het Oranje-altaar van omstreeks het jaar '30, eene handvol aan de Belgen naar het hoofd geworpen puntdichten, een geestig anathema (de Ooijevaars) aan het adres der fransche Republikeinen, een ernstig lied aan het Parijs der Honderd Dagen, daartoe bepaalt zich zijne staatkundige poëzie. Daarentegen vond in hem de maatschappelijke zijde van het moderne leven een warmen bewonderaar. Met bijna profetischen blik voorzag hij de groote sociale omwenteling, weldra te weeg te brengen door Het Stoomtuig, en weinig heeft het gescheeld of hij benijdde aan het jongere geslacht de wonderen, waarvan het eerlang getuige zou zijn. Zijn landbouwershart, hetzelfde dat hem deed juichen in de uitvindingen en verbeteringen van den nieuwen tijd, maakte hem tevens ontvankelijk voor de indrukken der hem omringende natuur. Het graan heeft hij zien groeijen, de popels hooren ruischen, de beek hooren murmelen, de voogels hooren fluiten. Zijn Lentezang is afgeluisterd aan het Geldersch voorjaar, evenals het Vogelschieten nageteekend is naar de Geldersche zeden. Overal vindt men bij hem den dichterlijken waarnemer der vaderlandsche Flora terug, en tot de liefelijkste herinneringen zijner Ada van Holland, wanneer zij in hare Texelsche ballingschap zich het verledene te binnen brengt, behoort ook hoe niet ver van 's Gravenhage ''in het luw der witte duinen 't roosje met den winter spot.'' Buiten was daarbij zijn thuis, en de bescheiden overvloed. (Het Kleine Veiligst) te midden waarvan hij met zijn groot gezin op den Wildenborch leefde, was de bron van menig voortreffelijk gedicht. Daar ontkiemde in zijn gemoed dat godsdienstig geloof welks innigheid in zijne Kerkgezangen staat uitgedrukt, van welks edelmoedige ruimte de Israelitische Looverhut getuigenis aflegt, en welks heimwee hem in het najaar turen deed naar de Kraanvogels. Voor de kinderen vertelde hij daar van Sint Nikolaas en Het bezoek van Fohi; aan de volwassenen las hij er de Verjaardag voor. Daar klopte zijn hart, daar tintelde zijn vernuft. Daar ontwikkelde zich in alle rigtingen, veertig jaren lang een der ongemeenste karakters die de 18de eeuw in ons vaderland aan de 19de vermaakte. De veelzijdigheid van zijn weten en talent maakt het niet gemakkelijk eene beeldtenis van hem te ontwerpen; doch liefst stel ik mij hem voor odner de gestalte van dien wakkeren landman uit den ouden tijd, ergens aldus zingend door hem ingevoerd: Ik ben uit Geldersch bloed; Geen vleitoon klinkt mij zoet Mijn volksspraak, luttel rond, Geeft nog den klank terug, uit onzer vaadren mond. Ik ben uit Geldersch bloed Opregt is mijn gemoed Aan eenvoud heb ik lust; Met pracht en weeld komt zorg; genoegzaamheid baart rust Herinnert deze laatste strofe aan Starings eigen levenswijze en inborst, bij de eerste denkt men onwillekeurig aan sommige hoedanigheden van zijne poëzie. Junij 1863 De Génestet's uitvaart Conrad Busken Huet Op den sterfdag Sterft een koning, reeds zijn de voeten zijns opvolger voor de deur; en de zon gaat niet onder, of de openstaande plaats is weder ingevuld. Anders in de koningrijken die niet van deze wereld zijn. In het vorstedom der kunst ontbreekt de orde der kroonprinsen. Erfopvolging is hier -- reden tot grooter droefheid -- eene hersenschim. Met den kunstenaar daalt ook zijn talent, zijn eerstgeborene, ten grave; de vader met den zoon, de stamhouder met den stam. Wij deklameren niet en zeggen: troosteloos weent in deze dagen de vaderlandsche Muze bij het graf van De Génestet. Bij ons spreken over dezen jonggestorvene moet alle onnatuur geweerd. Want hijzelf was de natuurlijkheid in persoon. Hooger wijding -- en de zijne was onmiskenbaar -- heeft zich nooit bij hem in woordepraal geopenbaard. Hij was dichter geen rhetorijker. Hoewel zijn rapier niemand kwetste, was het niettemin geen ritselende schermdegen. Het was een edel staal, zilverachtig van klank. Van den vroegen morgen zijns levens, nog een knaap en bijna een kind, tot aan de vroegen avond waarin dat jonge en rijke leven ontijdig en raadselachtig onderging, steeds is in hem de troubadour den ridder op zijde gebleven. Doch hoewel bijna vrouwelijke tederheid het gemoed van den jongen man en dichter vervulde, verwijfdheid was hem vreemd en, met haar, lafheid, ongezonde pathos, valsch gevoel. Week was hij, niet weekelijk. Tot liefhebben geschapen, onbekwaam te haten, haatte hij niettemin zoo goed hij kon alle pedanterie, alle zotheid en gemaakte deftigheid. Het is niet mogelijk oorspronkelijker te zijn dan hij was, en in zijne verzen is; toch was originaliteit geenszins zijn afgod. Ook zijne liefste vrienden, wanneer hij hen zag toegeven aan het zonderlinge en gezochte in de litteratuur, moetsten van hem horen hoe dwaas hij met Goethe den verwaanden toeleg vond: 'ein Narr zu seyn auf eigne Hand.' In alle genren, en hetzij hij den vrolijken toon of den weemoedigen aansloeg, was natuur en waarheid zijne onveranderlijke leus. Zijne kunstmoraal -- hij vatte haar zamen in twee zinvolle rijmpjes. Een van Beets: Geen orgeltoon, Maar uw persoon! en een van Tollens: Wie van zoete liedjes houdt, Ik verkies ze liever zout! Niet ieder, intusschen, ook ieder dichter niet, is tot natuurlijkheid gerechtigd. Er zijn er geweest van wie men wenschen zou dat zij hunne natuur voor zich gehouden, of haar slechts bij uitzondering en onder gunstige omstandigheden hadden medegedeeld. Doch De Génestet mogt natuurlijk zijn en zich geven, omdat hij én dichter, én als mensch lievenswaardig was. Beiden was hij -- kan men het anders zijn? -- van geboorte. Zelden zal een zoo jonge man zoo vele vrienden, van zoo onderscheiden leeftijd en vorming, aan zich verbinden en hen de zijnen mogen noemen. Voor wie slechts eenigszins met hem in dezelfde levensbeschouwing deelden, en velen deden dit en jonden het doen omdat zijne levensbeschouwing de ruimte-zelf was, bezat zijn persoon een zacht vermogen van onwederstaanbare aantrekking. Boezemvriend en vertrouweling der jongeren, zijne tijdgenooten, was hij de lieveling en het bedorven kind der ouderen van dagen, hun Benjamin. Dit was hij, wanneer hij in onze groote steden, in leeftijd nog een aankomeling, als spreker optrad voor talrijke gehooren en zijne dichterlijke verhalen voordroeg. Dit was en bleef hij, ook toen hij een man geworden was, in den kleinen kring dergenen die hem kenden van meer nabij. Zijne groote innemende oogen, zijn voorhoofd open en hooggewelfd, het glanzig krulhaar om de matte slapen, waren de getrouwe spiegel van zijne goedheid, zijne schranderheid, zijn doorzigt, zijn ondeugend vernuft. Niet hartstogtelijk, doch in in hooge mate levenslustig, boezemde hij anderen, waaronder ouderen en ontevredenen, door in zijn persoon hen met de wereld en met zichzelf te verzoenen, liefde voor het leven in, liefde voor den medemensch, trek naar het goede, lust en moed. De sterken en wereldwijzen zagen in dezen weerlooze, jonger en wijzer dan een beschamend en opwekkend voorbeeld. Evenwel is deze aangeboren beminlijkheid tevens bij hem de vrucht van harden strijd geweest; of laat mij liever zeggen: hoe vroeg hij stierf, zij is door velerlei en zware beproevingen gelouterd en verhoogd. Den laatsten avond van zijn leven, zegt men, toen hij als naar gewoonte eenige oogenblikken had doorgebragt in den kring der zijnen, en zich daarna te rusten legde om niet weder te ontwaken -- want hij heeft lijdensbed noch doodsangst, gekend, -- klaagde hij over groote vermoeidheid. Nog nooit, gedurende zijne ongesteldheid, was hij zoo vermoeid geweest als die avond; hij kon niet meer, zeide hij. En in deze zijne jongste woorden, schoon onbewust van zijn toen reeds nadreend einde, heeft hijzelf uitgedrukt wat menigmaal, in weerwil der groote voorregten die hij genoot en waarvoor zijn hart van dankbaarheid klopte, zijn deel en zijne stemming was. Vermoeid mogt hij zich gevoelen, en over vermoeidheid klagen, die, tenger van ligchaamsbouw en zwak van gezondheid, met een aandoenlijk zenuwgestel en niet minder aandoenlijk gemoed, slagen te verduren en verliezen te lijden heeft gehad waaronder de krachtigsten plegen te bezwijken. Heeft hij bovendien in de laatste weken een voorgevoel met zich omgedragen dat in elk geval de scheiding aanstaande was? een naijverig lot de ontbladerde rozen aan den voet van zijn kruis niet gedogen zou te herbloeijen? -- Dit is gewis, dit geeft adem en adel aan zijne poëzie, dat levenslust en blijmoedigheid bij hem, door bittere ervaringen, aan de sfeer van het natuurleven ontgroeid en eene geheiligde werkelijkheid geworden was. Ook de dichterlijke gaaf was hem aangeboren. Van der jeugd af was zijne technische vaardigheid ongemeen, en tot het einde schreef hij met meer gemak verzen dan proza. Rijm en rhythme waren bij hem de natuurlijke begeleiding van het thema der gedachte. Zijne lier was hem in meer dan één zin een speeltuig; geen foltertuig ooit voor zijn geest. Doch al heeft hij geen enkele maal in zijne dichterlijke loopbaan naar een woord gezocht, of zich het hoofd gebroken met maten en gewigten, dit spelend zingen stond bij toeneming onder de tucht van een geoefenden en veeleischenden smaak. Met ieder jaar nadrukkelijker werd hem de poëzie een arbeid, eene daad van inspanning. Dat het leven kort is -- zijn dood heeft er ons van nieuws en met ruwe stem aan herinnerd. Doch tevens zijn wij te dezer gelegenheid de andere helft der spreuk, eene zijner lievelingsspreuken, indachtig: de kunst is lang. Niemand die aan De Génestet's verzen niet gevoelt dat zij de vrucht van studie zoowel als van ingeving, en ook zjine kleinste stukjes, beiden in uitdrukking en in opvatting, kunstgewrochten zijn. Zijn talent, wanneer men zijne verzen uit onderscheiden perioden met elkander vergelijkt, heeft door gestadigen arbeid eene zeer opmerkelijke en, in de laatste twee of drie jaren, voor zijn karakter hoogst eervolle wijziging ondergaan. Overhellend tot het eenzijdig muziekale genre, dichtte hij aanvankelijk schier enkel voor het gehoor. Doch naarmate hij in leeftijd toenam, werd hij ook meer in waarheid dichter, minder vormdichter uitsluitend. Hij bleef intusschen, en werd meer en meer, populair. De jongelingschap kende zijne levenspsalmen van buiten; jonge meisjes schreven ze uit in hare albums. Doch toen de leekedichter ten laatste voor goed in hem ontwaakte, -- de voortreffelijkste vorm waaronder zijn talent zich heeft geopenbaard, -- en hij moest kiezen tusschen zijne populariteit, voor een deel, en hetgeen hij zijne roeping achtte, toen had hij den moed liever sommigen te mishagen, dan ontrouw te worden aan zijn dichterlijk geweten. En aldus valt, bij zijne laatste gedichten, de volle wedergeboorte van den kunstenaar zamen met de definitieve vorming van den mensch en zijn karakter. Uit het oogpunt van het gehalte heeft hij niets geleverd, wat hem zoozeer op den naam van dichter aanspraak geeft, als deze kleine versjes,; niets dat zulk eene mate van inwendige ontwikkeling onderstelt, zoo grooten zielestrijd, zoo veel eigenlijk leven. Anders niet onwelwillende wijzen en verstandigen, toen zij de Leekedichtjes lazen, en zij De Génestet, van wien ieder wist dat hij geen theoloog was, op de schouders der moderne theologie zagen staan en hem een oordeel over haar hoorden uitspreken, hebben met meer verwondering dan hoogachting gevraagd: Hoe weet deze de Schriften, daar hij ze niet geleerd heeft? -- Liever dan in deze bevreemding te deelen, laat ons dankbaar zijn dat hetgeen voor de menigte der schriftgeleerden vaak verborgen blijft, ook in onze dagen somtijds aan eene bepaalde klasse van onkundigen wordt geopenbaard. Of zullen wij, omdat er eene oude theopneustie geweest is, aan geen nieuwe meer gelooven? Dichters, wanneer zij iets beteekenen, beteekenen veel. Hun fluistert de genius der menschheid het wachtwoord der toekomst in; zij spannen den boog in hunne eenvoudigheid, en treffen den tijdgeest tusschen de voegen van het harnas; zij spreken de gedachte uit van vele harten. De schrijver dezer regelen heeft geen brieven van onsterfekijkheid weg te schenken; ook niet aan den veelgeliefden vriend. Doch hij meent te mogen zeggen dat De Génestet, wien voor altoos en onder de besten eene plaats in de geschiedenis onzer letteren verzekerd is, vele jaren lang de lievelingsdichter van het beschaafde Nederland zal blijven. Na hem, in andere dagen, zullen andere dichters komen. Wie echter, als hij, het leven van een aanzienlijk deel zijner land- en tijdgenooten zoo onnavolgbaar idealiseerde, van het stil en huiselijk binnenleven tot het verborgen en vaak onrustig zieleleven toe; zoo menig stroeven mond zich tot een glimlach deed plooijen; de stormen van zoo menig jagend hart bezwoer; de booze gedachte van zoo velen terugdreef naar haar oorsprong of in eene heilige omschiep -- dien weldoender kunnen de kinderen zijns volks, de kinderen zijner eeuw, niet vergeten.