Aan Betsy Piet Paaltjens Het heugt mij als de dag van gistren. Op het mos In hartverovrend achtelooze houding lag Uw rijzige figuur, wijl de anderen het bosch Langzaam doordwaalden. 't was een vreeslijk heete dag. Gij hield mijn veldflesch aan uw rozenlipjes, droog Van 't lachen. Diep-gemoedlijk, als wen de avondklok Door 't dal luidt, klonk het in uw keel. En zacht bewoog Uw zoete strot zich op en neer bij elken slok. Intusschen leunde ik schilderachtig op den tronk Eens duizendjaargen eiks en vroeg mij heimlijk, wat Voor smaak wel 't lot had, dat het aan een veldflesch schonk, Wat droomend slechts mijn dichtermond genoten had. O, ware 't noodlot niet alleen behept met koud Verstand maar ook met warm gevoel, - uw poezle hand Had plots de flesch, zoordra ze leeg was, door het woud Gekeild, en op mijn lippen had uw mond gebrand. Nu echter dronkt ge alleen de flesch leeg, onbewust, Dat de inhoud nog al koppig was, - 't was witte port, - En sloot uw loddrige oogjes dicht en sliept gerust. - Nooit heb ik zóóveel tranen op één dag gestort. AAN RIKA Piet Paaltjens Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart Gezeten in een sneltrein, die de trein Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart. De kennismaking kon niet korter zijn. En toch, zij duurde lang genoeg om mij, Het eindloos levenspad met fletse lach Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag. Waarom hebt gij van dat blonde haar, Daar de englen aan te kennen zijn? En dan, Waarom blauwe ogen, wonderdiep en klaar? Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan! En waarom mij dan zo voorbijgesneld, En niet, als 't weerlicht, 't rijtuig opgerukt, En om mijn hals uw armen vastgekneld, En op mijn mond uw lippen vastgedrukt? Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp? Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn, Dan, onder hels geratel en gestamp, Met u verplet te worden door één trein? Piet Paaltjens 1835-1894 Aan Jacoba Piet Paaltjens En uw groote bruine blikken Schuilt een wondre toovermacht. Nu eens troosten zij mij zacht; Dan weer doen ze mij verschrikken. Praat ik rustig met u over Iets van algemeen gewicht, Vriendlijk straalt dan uw gezicht, Als de maan door lenteloover. Maar nauw waag ik het te klikken Van mijn hard poétenlot, Of meedoogelooze spot Vuurspuwt uit uw donkre blikken. Is het dan zoo iets bespotlijks, Steeds te plassen in een zee Van het onverklaarbaarst wee? Is dat niet iets gruwzaam-godlijks? Hoe? Reeds fonklen weer uw blikken? Enge, och, genade! Ik zweer: 'k Spreek nooit van mijn lijden weer! Stom hoop ik mij dood te snikken. Aan Hedwig Piet Paaltjens Wat nu een kerkhof in mij is, was, lang geleên, Een vrolijk marktplein, waar een dartle zwerm dooreen Krioelde van de dolste droomen, somtijds wel Wat al te dol, en toch vermaaklijk en hun spel. Het was me een leventje daarbinnen! Zien verging Een mensch en hooren. Doch op eenmaal, daar verging Een aaklig steunen 't blij rumoer, en dan - een gil Als van een zinkende equipage. En toen was 't stil. Ach, wat geen enkle van mijn droomen had verwacht: Een zoete vrouwenhand had ze allen omgebracht. Zoet, valsch, arm handje! 't Vonnis, dat u trof, was zwaar: Gij hebt u moeten geven aan een weduwnaar. Gij glimlacht, Hedwig, maar ik zeg u, glimlach niet! Nog strenger oordeel zie ik voor u dagen in 't verschiet. De hand, die eens mijn dromen worgde, was wel wreed, Maar wreeder was nog, wat uw dartle hand misdeed. Op de piano dansend dorst uw hand begaan, Wat zelfs hyena's slechts bij nacht bestaan: Met onbarmhartig-smeltendteêr klaviergeluid Trok ze al mijn doode dromen weer hun graven uit. Afschuwlijk! Wat reeds halfvergaan was in den schoot Van mijn gemoed, dat woelde uw wreevle hand weer bloot Het is daarbinnen niet meer uit te houden! 'k Stik, Als ik maar even afdaal in mijn eigen ik! En toch, met wellust zou 'k me domplen in mij zelf, Kon 'k u slechts met mij sleuren in dat grafgewelf. Als 'k u daar, Hedwig, in de stikstof smoren zag, Hoe zou mijn ziel dan dreunen van mijn laatste lach!