ISAÄC DA COSTA (1798-1860) 1 6 4 8 E N 1 8 4 8 UITGESPROKEN IN DE OPENBARE VERGADERING, DER TWEEDE KLASSE VAN HET KONINKLIJK NEDERLANDSCH INSTITUUT VOOR WETENSCHAPPEN, LETTEREN EN SCHOONE KUNSTEN, OP DEN 25STEN APRIL 1848. Op dat men wete van den opgang der zon en van den ondergang, dat er buiten My geen God is. Ik ben de Heer en niemand meer. Ik formeer het licht en schep de duisternis. Ik maak den vrede en schep het kwaad. Ik de Heer doe alle deze dingen. - Jesaja XLV : 6, 7. Zestienhonderd acht en veertig! Door geworsteld was de kamp, - ent ten eind de schriktafreelen van een dertigjaar'gen ramp, en vergaan de laatste vonken van den tachtigjaar'gen brand! Vrede! Vrede! galmde Europe, - vrede, Duitsch- en Nedeland! Uit de graauwe kruiddampwolken steeg een koestrende zon! Nieuwe tijden zijn voldragen, en een nieuwe loop begon. Achtienhonderd acht en veertig en de band der Staten sprong, en de dam werd doorgebroken, die de Omwentlingszee bedwong! Oorlog! oorlog! davert de aarde, oorlog! oorlog! schier verjaard, lang door weeën aangekondigd, thands in vollen dosch herbaard! In d' orkaan van Februarij werd gebluscht de Julijzon! en daar rezen nieuwe tijden en een nieuw Euroop begon. Te midden van 't rumoer van omgeworpen troonen, paleizen neêrgehaald, en aangegrimde kroonen, 't gedeun der volkeren, in gramschap opgestaan, den knal van glansen, uur aan uur te niet gegaan, en 't openbersten van den vuurberg, die de kimmen der toekomst dekt met rook, of als van bloed doet glimmen, - heeft Duitschland, heeft Euroop. heeft Nederland nog voor herinneringen uit een vroeger dag gehoor? Zoo zij 't voor dezen galm: de vrede van Westfalen! Geschiedkunst op dien naam wijst hemelwaart. Haar zalen slaan open, waar vergaârd een talloos voorgeslacht de wanden overdekt met daden, lang volbracht, van eedle koningen, van aartsgeweldenaren, van helden, wijzen of regenten, martelaren, of wrekers, natiën en stammen. Isnaburg en Munster keeren hier op de eb des tijds te rug; onsterflijke aardplek, waar twee vuurrivieren stolden, die in elkaâr gevloeid reeds zoo veel jaren holden, wijd over berg en dal de gronden zengend! Ziet de sporen van hun loop in 't eindeloos verschiet van wegen, dicht bezaaid met blanke beendren, - steden, verpletterd of ontvolkt by duizend ijslijkheden; hier Naarden, Haarlem en Ostende, of waar verwoed de Spanjaard afstuit op een uitgevasten stoet, - ginds, gruwzaam boven al wat ooit kronyken meldden, den moord van Maagdenburg! maar links en rechts uw velden. o Nordlingen! uw' kamp, o Leipzig! en den slag dien, Maurits! Nieuwpoorts zon u winnen hielp en zag. Ha! op dat bloedig zand, die platgeschoten muren, wat scheemring, weemlend van platgeschoten figuren, krijgshoofden, aan elkaâr in stoutheid en genie gewaagd, maar ongelijk in grootheid! daar, Tilly en Weimar, - Wallenstein, nog wijzende op de wonde ontfangen op geen bed van eer, maar op zijn spond in nachtelijk geheim! en, óver hem, de Held van 't Noorden, in den arm der zegepraal geveld! Hier tegen Spinola en Alva en Fernese, het Graaflijk twintigtal, in hunnes Heeren vreeze tot aan den jongsten snik uw krijgsdevies getrouw, vliesridder Engelbrecht! „Ce sera moi, Nassau!" Maar in geheel die rij, wier schaduwen hier zweven, wie achtbaar meer dan Gy, wie nevens u verheven, doorluchtig Prinsenhoofd! wien na driehonderd jaar dit Neêrland nog vereert, als d' eêlsten martelaar der vrijheid, die 't u dankt? Beleid - en krachtvol Krijger en éénig Staatsheld! diep maar ongekunsteld Zwijger en zielvol spreker! in wiens nooit bekrompen borst één zelden adem schept de Volksvriend en de Vorst! - Wat vijanden, zoo koen, die hem de kroon betwisten van Staatsbezieler en bevrijder? Maar de Christen eert eindloos meerder nog inhem; in hem dat hart, zoo sterk in eigen leed, zoo week voor andrer smart; dat hart, ten worstelkamp met Karels zoon bewogen het eerst door deernis met verdrukten, mededoogen met bloedgetuigen van Gods Woord! Straks greep dat Woord hem-zelven in de ziel. Ach voor die zaak doorboord, was ook zijn laatste zucht een bede van ontferming voor 't volk, in allen nood, van hoogere bescherming dan aardsche mogendheên verzekerd door zijn mond. Gedenk, God van genade, aan dat geloofsverbond! Gedenk het nog, kan 't zijn, hoe ook van onze zijde geschonden en verbeurd! Gedenk het t' allen tijde, 't zij Dwangzucht persende van boven ons bedreig', of opdage, even snood, van ondren! Neig, o! neig het hart van Vorst en volk, om raad by U te vragen voor d' eisch, de schuddingen, de krankheên onzer dagen! De wijsheid, die Uw gunst aan d' Eersten Willem gaf, strale op het moedig hoofd een Tweede zeegnend af! 't Zijn viermaal vijftig jaar. - Oranje had zijn leven aan 't diep geworteld werk groothartig prijs gegeven; zijn bloed, zijn goed, zijn zaad! Twee nieuwe Wrekers treên veroovrend in zijn plaats! Een kroon van vijftig steên lankt Utrechts Unie van hun zwaard. Hun zegepralen voltooid, of stuit veeleer, de vrede van Westfalen. De Maagd van Neêrland hief haar hoofd op, en zag rond! Wat zag zy? enkel puin op uitgeblaakten grond door Spanjes steeds op nieuw als opgeschoten horden? Of wel - den lavastroom reeds vruchtbaar veld geworden? Neen! onder 't barnen zelf van 't tachtigjarig wee een Staat volwassen, en reeds Mogendheid! de zee ontzagvol deinend voor den donder van die vloten, die 't ijs des Noordpools haast hadden doorgestoten, maar straks langs zeekrer weg der Oceanen kloof doorsnelden, om Filips zijn Portugeeschen roof te ontscheuren, ook in de Oost geen Spanje te gehengen, de Javaas Paradijs een nieuwe wet te brengen. De Maagd van Neêrland hief het hoofd op; ja! zy zag, lang nog vóór d' eersten straal van Munsters vrededag, de wereldhandel met zijn honderden haar steden, voor 't stormen onvervaard des oorlogs, ingetreden; Antwerpen, Lissabon, Venetië, aan het IJ verplaatst, dat sints omgord met zijn vierdubble rij (het Raadhuis volgde eerlang) van prinselijke grachten, de wonderen dier eeuw nog zegt den nageslachten - den zegen van een grond, die d' armen voedzaam brood, de arbeid overvloed, den balling 't welkom bood! De Maagd van Neêrland looft. Gods wateren besproeien haar zevenvoudig erf, en al haar velden bloeien in schaduw van de rots der vreeze van Zijn naam! De krachten des Vernufts gaan met dien bloei te zaam: de kunst, die 't water keert of d' uitweg aan zal wijzen; de kunst, die 't klei bezielt, die 't marmer op doet rijzen; - Het doek van Rembrandt, forsch en somber; 't bruischend lied van Keulens Zangzwaan met zijn vlammend koloriet, zijn vollen orgeltoon. Maar ook de Wetenschappen beraamden hier alreeds haar stoute reuzenstappen, om nieuwe werelden te ontdekken of te ontleên in d' ether boven, in den waterdrop beneên. Een trits van Scholen, bron en brandpunt van beschaving, (ook zy, by krijgsalarm geplant!) stort licht en laving aan al wat kennis zoekt op 't aardrijk wijd en zijd, die kennis bovenal, die van de zonde vrijdt. De Kerk van Christus slaat dees tijden dankend gade, en geeft haar Koning de eer, - Zijn Vrijmacht, Zijn genade! Neen! roept ze, Uw gangen zijn als de onze niet, o Heer! uw wegen boven de onze èn hoog èn heerlijk, meer |dan boven dit ons stof en d' aardklomp, waar we op weemlen de glans en majesteit van Uwer heemlen heemlen! Wat menschlijk overleg zou hebben toegedacht aan vredesjaren, lang en koestrend en zacht, dat voert uw wijsheit uit door tusschenkomst van schokken, die uit de sombre wolk den malschen regen lokken! Hoe nu? de krijg voortaan niet vreeslijk meer den mensch? Geen kalme vrede meer zijn uitzicht en zijn wensch? - 't Zij ver! Maar 's menschen geest, verslingerd aan deze aarde heeft vaak ook deze gaaf en wat haar weldaad baarde, gemisbruikt en miskend, de rust verkeerd in lust, ten doodelijken slaap zich-zelven ingesust, of wel den stroom des bloeds, die vrij en frisch moet bruischen, bevriezen laten of vermoddren in zijn buizen. Neen, meer! des menschen ziel in eigen wil verstrikt, in 't zondenet verward, moet somtijds opgeschrikt van Boven, om den God der heerlijkheid te vreezen, te zoeken! Is dan 't hart nog vatbaar voor genezen, dan zijn die schuddingen behoudend, zelfs de krijg, het zij der volken of de geesten, op dat zwijg' begoochling, - opengaan gewetens, - afgoôn vallen, Gods Woord zijn werking doe door 't kruis, - den duizendtallen der opgeschrevenen ten leven, tot een stof van aller eeuwen loop doordaverende lof! Dan eerst, als van haar ban deze aarde zal bevrijd zijn, de menscheid aan den Heer, die haar herschiep, gewijd zijn, geen zee meer wezen zal, waaruit de zonde welt, Geweld en Onrecht in hun eeuwgen boei gekneld, - dan eerst zal 't vrede zijn, waaraan geen wormen knagen, dan eerst, naar den raad van 't hemelsch welbehagen, geen strijd meer nodig. - maar Gods heil te zien, de lust, en in alle eeuwigheid Zijn werk te doen, de rust. Zestienhonderd acht en veertig! en doorworsteld was de kamp, - en ten eind de schriktafreelen van dertigjaar'gen ramp, en vergaan de laatste vonken van den tachtigjaar'gen brand! Vrede, vrede! galmde Europe - Vrede! Duitsch - en Nederland! Achter graauwe kruiddampwolken stijgt een koesterende zon! Nieuwe tijden zijn geboren, en een nieuwe loop begon! Achtienhonderd acht en veertig en de band de Staten sprong, - en de dam werd doorgebroken, die de Omwentlingszee bedwong! Oorlog! oorlog! davert de aarde, oorlog! de oorlog, schier verjaard, lang door weeën aangekondigd, thands in vollen dosch herbaard! Onder ging de zon van Julij in den loeienden orkaan! en daar rezen nieuwen tijden en een nieuw Euroop brak aan! 't Was vrede, wat Euroop sints tweemaal negen jaren (zij 't mooglijk blozend soms!) zich voornam te bewaren, als waar 't een talisman en waarborg van behoud, geroemd, gevierd, gekust, - toch! in 't geheim mistrouwd. 't Was vrede, zwoel en zwaar, als wen by zomerdagen een straal, van tijd tot tijd, en doffe donderslagen het onweêr spellen aan de zwoegende natuur, en dan op nieuw de lucht verheldert, maar het vuur des dampkrings mensch en dier belaadt me dubble zwaarte. 't Was vrede, maar die vrede een waggelend gevaarte, met elken nieuwen steen zijn storting nader by! Dan, neen! zoo lang de staf van Frankrijks heerschappij gevoerd wordt door het Hoofd der wakkere Orléannen geen nood! Dus meent de vrees zich-zelven te vermannen. Die vrede (Algiers alleen meldt nog van krijgsgeweld!) broedt menigten alom, met klimmende angst geteld, slechts hier en daar gedund door koene landverhuizing, en voorts, by zwermen, met van onrust zwangre zuizing verstikkend opgetast in vesten, Babelhoog. 't Is spanning, dreigende als de spanning van een boog! want aan die menigten, om werk en brood verlegen, benijdt het werktuig, aan des menschen plaats gestegen, den arbeid en zijn loon. De Maatschappij gevoelt haar evenwicht gestoord. Haar lichaam kwijnt en woelt bij beurten! 't is de plaag van kankrend pauperisme, onredbaar evenzeer voor breinloos Communisme, als voor Bespiegling, die in fijn geweven taal verdoving, sussing, maar geen heeling brengt der kwaal. Verlichting middlerwijl vervolgt haar loop veroovrend ook zy ontdekkend meer dan heelend, en meer toovrend dan stovend, - zy, die naam en schittring al te vaak, eenzijdig en ontrouw, ten dienst leende aan de zaak van heilloos Ongeloof, natuur of menschvergodend, of 't menschdom openlijk tot vleesch - en stofdienst noodend, - hoe 't zij, de volken eer vervreemdend van den God, de ontkenning van Wiens woord en éénig goed gebod van ouds de welbron was van 's werelds diepste ellenden! 't Was vrede! vrede, wien te storen of te schenden geen Mogendheden meer bestonden in dees tijd, maar onder wiens fluweel, of donzig moschtapijt de brandstof tot een kamp broedde in verborgen holen, een kamp veel schrikbrer dan met Hunnen of Mongolen, als de aarde teisterden in dagen lang verleên, - de krijg (verhoed hem nog, God van weldadigheên! en keer den vloed die wast voor reeds geschokte dijken!) de onoverzienbre krijg der Armen en der Rijken. Parijs, de polsslag steeds van Frankrijk en Euroop, spelde in dees laatsten tijd der krankte een nieuwen loop. Napoleons gebeent vond by zijne Invaliden de aloude geestdrift nog wellicht! De Franschen bieden in 't eind geen hulde meer zoo daavrend aan dat lijk, noch aan de gloriën van 't machtig Keizerrijk, zoo aangebeên weleer. 't Is de oude Revolutie, die thands de harten trekt, - de Auroor der Constitutie, wier vlekken men vergeet, wier weldaên alles prijst, wier weêrglans de oogen boeit, en die als jong verrijst. Een Staatsman, rijk omstraald van dichterlijke glorie, staat op, en kiest zich-zelf de veder der historie, om Frankrijk, om heel de aarde, een groote heerlijkheid te melden, schoon in draf van gruwlen toebereid. Hy zingt: den moed, den kamp, den dood der Girondijnen, den stalen burgerzin der starre Jacobijnen! Hy zingt: de donderkracht der stem van Mirabeau, de stoutheid van Danton, de smarten van Vergniaud, Jean Jacques ideaal, de diensten van Voltaire, de woede van Marat, de deugd van Robespiere! Heel Frankrijk luistert toe (reeds trilt de troon!), hy spreekt: „De Omwenteling! - min het bloed, dat de aarde heeft doorweekt! „De Omwenteling! min de schuld der woede van haar vrinden! „ziedaar wat de aarde rust en grootheid zal doen vinden! „De heilvolkaan die, heeft ze vroeger vuur gebraakt, „thands - tot beregening met enkel vrede ontwaakt!" Vermeetle, die den storm al spelend dus ontketent, en, reeknende op den mensch, geen driften mederekent, geen zonde! - ach! al te zeer dien kunstenaar gelijk, die, ingespannnen op het brengen in praktijk eens werktuigs ingericht op eeuwig zelfbewegen, zich de eischen van de wet der slijting had verzwegen. Beklagenswaardige veel meer nog, voor wiens oor de stem des Levenden in d' Eeuwgod ging te loor! Ach! die op d' eigen grond met martlaars en propheten van 't kruis, den Bijbel van uw moeder hadt vergeten! Maar Lamartine spreekt, en Frankrijk luistert toe! Lichtzinnig weggesleept, of diep bewogen? hoe het zij, de zee zette op, en 't werd een hoorbaar ruischen der waatren, 't is eerlang een onheilbarend bruischen! En ziet! één nacht, één uur, één ogenblik. één schot!...... gevallen is de slag! geworpen is het lot! De stam der Orléans, de troon der barricaden, by barricaden òf verloren òf verraden, is weggevaagd, en by het siddren van den grond een Fransch Gemeenbest op nieuw aan de aard verkond! Geheel Euroop ontfangt den schok; de kreet der volken gaat op, gemengd van schrik en gramschap tot de wolken. De kracht der legers zwicht, de band der Staten springt. Sicielje is ver reeds van Itaalje, Itaalje wringt van Oostenrijk zich los. Heel Duitschland door ontladen zich bliksemschicht op schicht, van Holstein tot aan Baden, van Keulen tot Berlijn; ja - 't wonder steeg ten top, - de stille wateren van Weenen bruischten op! Straks of 't een Keizerrijk of een der Republieken zal zijn, vraagt Duitschland zich by stervende fabrieken, geschonden Overheên, en sloten afgebrand. Eén legerkamp weldra wordt half het Vasteland terwijl aan de overzij Repealers en Chartisten hun echo mengen aan den roep der Communisten. - Maar Neêrland (zie 't, o God, met zeegnende oogen aan!) houdt aan zijn Koning vast, en de oude Oranjevaan! En wederom een stap gevorderd tot de ontknooping. Het einde werd voorzegd. Met de algeheele slooping van 't rijk der duisternis, Uw rijk aan de aard beloofd, Verlosser, Leeuw en Lam! der schepping Hoop en Hoofd! De Christen weet dat eind, maar ook de weeën, 't lijden, ten teeken meê voorzegd van 't rijpen dezer tijden! Hy weet, dat eer de zon zijns vredes op zal gaan, een Mensch der zonde aan 't hoofd der wereld nog moet staan. Hy voelt by iedren schok van 't woelend Anarchisme de wegen toebereid van 't gruwzaamst Despotisme. De Christen wacht, maar loopt die tijden niet vooruit. Hy weet, dat elke dag, die nog den voortgang stuit, elk uur, elk oogenblik van uitstel voor onze aarde by God zijn oogmerk heeft, voor ons zijn doel, zijn waarde, zijn vragen en zijn strijd, zijn roeping en zijn plicht Ook hy, schoon op een hooger vergezicht, gaat voor het volksheil uit naar beetring, naar hervormen, ja zoekt, te midden juist van dezer tijden stormen, de stem te erkennen van behoeften, waarheên, recht. Zij voor dien eisch aan de eeuw zijn bijstand niet ontzegd! Toch mag hy het haar geest niet in 't beginsel deelen, noch voor die dubble leus zijn afkeer ooit verheelen: „gelijkheid van nature en Oppermacht van 't Volk!" Gelijkheid, ijdler spook dan 't schijnbeeld van de wolk! u zoeke, wien het lust, waar de opgewroete graven hun lijken leveren den gieren en den raven, - op 't puin van wereldsteên, in assche neêrlegd, of, liever, met de ploeg tot enkel niet geslecht! Nooit dáár, waar heerlijkheid, beweging is of leven! Niet by dier zonnen heir, die aan de heemlen zweven, niet by het grasgebloemt, door 's wandlaars voet betreên, niet (hoe veel minder nog!) in 't samenstel dier leên van 't lichaam, die, bestemd elkander te onderschragen, elkander dienst te doen, elkanders last te dragen, hun roeping door 't verschil vervullen. - Wie u roemt, gelijkheid! roemt den dood. Maar wie u waanzin doemt, hy late een andren eisch, dien onze tijd doet hooren, te meerder ruimte toe, en wacht' zich dien te smoren! Toenaadring eischt Gods orde en dezer tijden nood. Toenaadring (waar ze ontbreek') van vorst en volk, van groot en klein, van arm en rijk, van standen en belangen! God wilde 't onderscheid van gaven, rijkdom, rangen, - maar ook dat onderscheid beheersch' Zijn Woord en Wet, Zijn Wijsheid! en ook hier is 't voorbeeld ons gezet in de ordning der Natuur, waar zich twee krachten paren die, strijdig slechts in schijn, het Wereld-al bewaren van in te storten of, verspat, uit één te slaan...... Eén zelfde wijs beleid stoot vàn zich en trekt aan! Dus ook de maatschappij in t' tijdperk ons verschenen. Waar Orde op afstand plaatst, moet Liefde op 't naauwst veréénen. Ga, Staatsman! ken uw tijd! doe elke vordring recht op vereenvoudiging, op vrijheên, nog ontzegd! zoo ver die eisch niet strijdt met Wet en Woord des Heeren! Dat Woord - het kan u veel en groote dingen leeren van volksplicht beide en recht, van volksstem, invloed keus! maar geen gemeenschap met een lasterlijke leus! Hoe hoog de hoogheid rees van d' Eeuwgeest en zijn tolken, de Machten zijn uit God! - en de Oppermacht der volken? Historisch is ze een waan, den Christen is ze een ban, waarvan geen menschlijk woord een land ontheffen kan. Neen, Neêrland, op geen ban wilt Ge u een Grondwet stichten, maar de oogen allereerst naar 's hemels bogen richten, - dan, vorschend nederslaan op uw historierol, een rol, van zoo veel heil, van zoo veel wondren vol, als Godt hier wondren deed in 't midden van uw plassen, en vastigheên gebouwd in schuddende moerassen: - een vrijheid, bloei en roem, als zelden de aarde zag, by 't hemelsch Waarheidslicht, hier schittrend als de dag! - voor Godsdienst, vrede en recht, en tegen aartstirannen, Oranje 't puik, door God, van vroome vrijheidsmannen! - Neen! Neêrland! zonder Hem, die u dees weldaân wrocht, (hoe de Eeuwgod smale op spott') geen Staatswet onderzocht! Maar als uw Vaadren weêr met al uw duizendtallen, voor d' onbevlekten troon aanbiddend neêrgevallen! - die in Zijn hand het lot van Staat en Maatschappij, het hart, het recht, de macht der Machten houdt, - is Hy de God van Isrel en der Christnen! - Zijn er troonen geveld? zy werden 't niet, dan om aan de Aard te toonen, dat, waar een hooger raad der volken toorn gehengt, die kracht geen recht bewijst, maar slechts een straf volbrengt. O Koning! by den galm der doorgebroken tijden treedt Gy, - met dat voor - God - behoefte - en - schuld-belijden, van ouds den Vaadren zoo gezegend, vorstlijk voor! En dring' die stem heel 't land als met bazuinkracht door! zoo keere op u (het eerst!) uw hart, uw huis, uw wegen, de aan 't vragen naar Zijn wil steeds vast verbonden zegen! Euroop zie op uw kroon verdubbeld neêrgedaald den glans, die nooit getaand, uw krijgszwaard heeft omstraald. 't Zie, - by uw Vorstenmoed, die aller moed steeds wekte, - uw blik, die steeds zoo wis 't beslissend punt ontdekte waar zich de zegepraal op 't slagveld grijpen liet, voorspoediger dan ooit gericht op 't Staatsgebied, om met dien blik, dien moed, niet twijflend te onderscheiden! waar handlen wordt vereischt, voorkómen, of verbeiden! wat losgelaten moet, - omdat het God gebood! of, naar de Oranjeleus, gehandhaafd tot den dood! Tot in den dood? o! dat met Neêrland Nassau leve! Maar welk een stikdamp ook den tijdloop nog omgeve, wat toekomst ons bedreig', daar is voor Nederland een roeping, voor Oranje een aangewezen stand te midden van den schok, waarby de troonen trillen. Ja, vrijheid zal het zijn voor die Gods waarheid willen ja, vastigheid voor die Hem vasthoudt! Loope 't Lot zijn banen! geen ding zal ons tegen zijn - met God! Zestienhonderd acht en veertig! doorgeworsteld was de kamp, - en ten eind de bloedtafreelen van den langen oorlogsramp! Met aanbidding, met ontzetting, zag de Maagd van Neêrland om! Hoe ze als opwaakte uit een droombeeld, hoe de aanbidding hooger klom! - 't Had geschuimd op al die waatren, 't had gedonderd en gestormd! maar by 't kraken der kartouwen was het Handelsvolk gevormd! en het nestjen was behouden van de Oranjen-Halcyon op het hobblen van de baren, by het koestren van de zon! en het Hollandsch visscherscheepjen, onder vlaag op vlaag behoed, was de haven ingeloopen zinkend, - maar van overvloed! Achttienhonderd acht en veertig! en de band der Staten sprong, - en de dam werd doorgebroken die de Omwentlingszee bedwong! Legioenen volksvertreders zijn gewapend opgestaan! Troonen vielen, Vorsten vloden, schatten smolten en vergaan. Dreigend blikt op 't aardrijk neder 't rood der ondergaande zon! 't Menschdom vraagt zich, welk een toekomst by dien blik haar loop begon? O! die toekomst - door den Christen wordt zy glorievol verwacht! „Als de God der eere dondert „en den dag verkeert in nacht, „antwoordt onder de onweêrsgalmen „diep van uit het heiligdom, „by een koor van hemelpsalmen, „'t jongste woord Zijns Woords: Ik kom!" ISAÄC DA COSTA (1798-1860) AAN NEDERLAND IN DE LENTE VAN 1844. O God! geef den Koning Uwe rechten. - De Psalmist. Hooge waatren, zijn, o Neêrland! dikwerf over u gegaan, - van de Zuiderbergrivieren, van den Noorderoceaan! Hooge waatren, neen! meer dreigend dan of ijsklompschots op schots, of het dondrend by Petten landdoordaarvrend zeegeklots: hooge waatren van verdrukking door verwaten Tiranny, of door opgedrongen Vrijheid, slechts van God en waarheid vrij! - Zeeën tranen u verzekerd onder vanen, beurt om beurt! of met koningstrots geslingerd, of met koningsbloed gekleurd! Spaansche haters, Fransche vrienden, Britsche mededingers, ja, eigen Landgenoten zelve (de herinnering verga!) dreigden midden in de welvaart u den wissen ondergang, - 't werd den Leeuw der zeven pijlen voor die waatren dikwerf bang! Hy, die hoog zit in de heemlen, laag op de aarde nederziet, hy, die watervloed en stormen èn beteugelt èn gebiedt, sprak tot al die oceanen, tot die stroomen hol en hoog! „Treedt terug! zij Neêrlands bodem onbeschadigd, vruchtbaar, droog!" Stuitte d' overmoed der Alvaas, brak den trots van Lodewijk, stelde tegen bandeloosheid 't kleine Neêrland tot een dijk! En het werd, steeds uit zijn nooden door die Hoogste hand gespaard, van geslachten tot geslachten als een wonder voor heel de aard. Lente van een jaar dat, somber, zijn gedrukten loop begon! gy op nieuw getuigt van redding uit diezelfde Reddingsbron, Kiemden bittre burgerveten, mompelde onwil, wrevel, haat, broedden slingerende orkanen in den dampkring van den Staat, - wederom schoot door de wolken een verhelderende straal, en de zeehoos in de verte stoof in domp weg andermaal. „Lof en dank den God der Vaadren!" zegg' het volk zijn Koning na! maar dat Neêrland by Gods werken ook Zijn wenken gadesla Dat wy 't vragen zonder uitstel. dat wy 't vragen voor Zijn troon, welke weg en wat beginsel door deze uitkomst wordt geboôn! Wat thans plicht is, wat behoefte, - voor de Natie, - voor 't geslacht, dat weldra ons gaat vervangen, en eene erfnis van ons wacht. Dicht omwikkeld in den mantel van een angstig zelfbehoud, in gaan sluimren op de stapels van het aangebrachte goud? Ons verschansen achter muren van vooroordeel of belang? Zoeken wijsheid tegen d' Eeuwgeest in de scholen van den Dwang? Of wel, - dienaars van dien Heerscher, sterk door damp en door papier, voor zijn stelsels, zijn beloften blakende van ijvervier, medevliegen op zijn stoomschip, medehollen voor zijn kar, zonder reiskaart of bestemming, zonder Noord- of Morgenstar? Geen van beiden! - Geen van beiden waarborgt immer Neêrlands lot. Neen! geen sluimren! neen! - geen stilstaan! - al wat leven mist, mist God. 't Zij dan leven! 't zij beweging! maar beweging zij hier kracht geen verplaatsing slechts, door 't schudden van den bodem voortgebracht; geen vervoering door den prikkel van een smaaklijk zwijmelgift; geen verbloemde goud-n of staatszucht; geen gehate factiedrift! Ja, 't zij leven, 't zij herleven voor dit weêr gespaarde volk! maar een leven niet van droomen, stout gegrepen uit de wolk, niet ontvoerd aan vreemde zeden als een nuttelooze roof, - neen! ontwikkeld uit den wortel van Geschiedenis en Geloof! In zijn wezen, vrucht der tijden, - in zijn vorm, van dezen tijd! Nederland, aldus herboren, aan een roeping weêr gewijd, zal zich toonen waard de Vaadren. Zij het needrig, zij het klein, zoo slechts telkens als oud Isrel van zijn volksschuld weder rein! God te vreezen, waarheid te eeren, vroom te handlen, zij de keus! „Met Gods woord voor Vorst en Vrijheid!" de onveranderbare leus! Vaderlandsche jongelingen! deze leus is waard den gloed, die zich uitdrukt in uw blikken, en die ombruischt in uw bloed! Kweekt dien gloed, maar met geen voedsel uit onreinen wortel ooit, hoe de vrucht ook voor uw oogen zich met valsche kleuren tooit Werd Gods Woord, of Recht, of Vrijheid, ooit een spot voor 't jonge Euroop, 0151 't jonge Neêrland, in God moedig, zij voor beter zaak de hoop! Voorts wy allen! kleinen, grooten! 's Konings dienaars en zijn Raad! Afgevaardigden en Oudsten van den Nederlandschen staat! heel gy Natie! Ook voor volken is er heil slechts in één naam (dat geen Neêrland, geen Europa, zich dien Statenschepper schaam!): Jesus Christus - (schrik niet, Isre! 't is uw Koning, Judaas Leeuw,) - de Eeuw vergaat, maar Zijn regeering is van eeuw door eeuw tot eeuw! Maar gy! Spruit van vijftig Nassaus! zelfs Oranjeheld en Vorst! in uw boezem blaakt (wy weten 't) een uw stamnaam waarde dorst. Ja, u wenkt een hooge roeping, - ons, een zielverheffend lot. Stormen weken, zorgen bleven. Plaats u-zelven voor uw God! Elke vraag, waar menschenwijsheid zich onvruchtbaar in verkwist, koninklijk ter hart genomen, worde dáár door u beslist. Elke vraag en haar beslissing wijze in 't hart naar Gibeon, naar den Hoorder der gebeden, en de vraag van Salomon. Opwaarts, Zoon van zoo veel Christnen! Aangebeden en geloofd! en gy zult als Koning wezen, 't geen gy zijt als Legerhoofd. Neen! geen Grondwet zal behouden, hoe vergood eens of vertreên, zoo geen raad by God gezocht wordt, met verneedring en gebeên, Vruchtloos anders elke Grondwet! 't Blijft een levenloos papier, speelbal dáár, van ijdle vonden, bron van nieuwe driften hier! Maar wat Staatswet ons beheersche, zij dit Opschrift het begin, onbeschreven, zoo het zijn moet, maar geprent in hart en zin: „ 'k Ben die God, die eens uw Vaadren uit het Spaansch Egipte bracht. „Die met Willem van Oranje Neêrland scheppend heb gedacht! „Die door Maurits veertig steden aan uw Staatskroon heb gesnoerd „en door hem en Fredrik Hendrik 't groot bevrijdingswerk volvoerd. „Die uw koopliên vorsten maakte, van uw waatren vasten grond, „Die vier werelden door schepen aan dat visschersdorp verbond, „waar paleizen zich verhieven, zegens zegen vroeg en spâ, „by den weêrklank der kartouwen van Farnse en Spinola; „Die voor (wederom!) een Willem, 't zij hy neêrlag of verwon, „stilstaan deed en achteruitgaan Frankrijks koninklijke Zon; „Die aan Frankrijk en zijn Keizer u rechtvaardig overgaf; „Die, als 't volk in 't graf gezonken, u weêr opriep uit het graf; „Die by Waterloo en Leuven uw Oranjevaan bescheen; „en de jongste lotsbevrijding uit uw Staatsverlegenheên „Achtien honderd vier en veertig tot haar jaarmerk voeren doe." Ja! wy treden, God der Vaadren! Tot die hoogste Grondwet toe. Wees gy Neêrlands Opperkoning. Gy het Erfdeel van ons zaad! En dan! - kome tegen Neêrland haat, verleiding, afgunst, smaad! Dreige! Dwangzucht of Omwentling weêr ons volksbestaan den dood! - Wil de Bondgenoot des Zwijgers ook nog de onze zijn? geen nood...... Zy zullen het niet hebben, ons oude Nederland! Het bleef by alle ellenden Gods en der Vaadren pand! Zy zullen het niet hebben, de goden van den tijd! Niet om hun erf te wezen, heeft God het ons bevrijd! Zy zullen ons niet hebben, zoo lang deze Ystad staat; zoo lang in Neêrlandsche aadren één polsslag Neêrlandsch staat; zoo lang er heldenzielsgloed in Nassaus Telgen blaakt; - zoo lang de geest des Zwijgers op 't Delftsche praalgraf waakt! Zoo lang één Friesche bodem op Noordsche waatren drijft, zoo lang van Utrechts Unie nog één gedenknaam blijft, zoo lang niet al de pijlen verstompt zijn van den leeuw, - zoo zullen ze ons niet hebben, de goden dezer Eeuw. Wilt Gy ons slechts nog kennen, God van het voorgeslacht! Hoe zal de Schildleeuw brullen van moed, van vreugd, van kracht! Hope zal de Zeeleeuw plassen in 't welbekende sop, en dagen vriend en vijand tot stoute sprongen op! Hoe zullen zy te zamen, waar 't Recht en Waarheid geldt, gestand doen tegenover Schijnvrijheid en Geweld! Of, vreedzaam maar vol ijver, van Oost- tot Westerboord aan de aarde licht verkonden door 't Evangeliewoord. Den Negerslaaf, by 't zwoegen, de vrijheid door 't kruis! Aan Israël zijn Koning, beloofd uit Davids huis! Gods heil aan alle Heidnen, - Maleier en Javaan de zon der volle Waarheid, voor nacht of halvemaan! Of zijn het andre tijden, die God voor ons bewaart? Een donkrer lotsbedeeling, waarvoor wy zijn gespaard? Gy zult ons toch niet hebben, gy goden van den tijd! Wy blijven ook by 't zinken der vaadren God gewijd! Een natie kan ook vallen met eer, ter eer van Hem, en houden, heilgeloovig, zijn standaart vast met klem. Daar zijn ook martelaren op Neêrlands grond geweest! Geen Lodewijk, geen Willem, heeft ooit die keus gevreesd. Met al hun schoone woorden, met al hun stout geschreeuw, - zy zullen ons niet hebben, de goden dezer Eeuw! Tenzij het woord des Zwijgers moedwillig werd verzaakt: 'K HEB MET DEN HEER DER HEEREN EEN VAST VERBOND GEMAAKT. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) DE TOCHT UIT BABEL. De schepter zal van Juda niet wijken. - Genesis XLIX : 10 Vaart wel, onzachelijke muren, vorstinnen van dit werelddeel! Uw enklen aanblik te verduren! is reeds voor Isrels kroost te veel! Vaart wel, vaart wel! Hy is gekomen, die zaalge, onvergeetbre dag, dat het uw lang ontwijde zoomen Eufraat, in 't eind ontvlieden mag! Wie siddrend kruipe voor de voeten van uw verwaten dwingeland, gelukkig reeds zijn wenk te ontmoeten; het is voor Jacobs bloed een schand, de lucht, de pestlucht in te zuigen, waarvan dees streken zwanger gaan, waar 't vrijgeboren hoofd moet buigen voor 't aartsgeweld van aardschen waan! Vaart wel, gy koninklijke transen! wier fiere top den hemel kust, maar op wier ongewisse glansen de aloude toorn der Godheid rust! Nog één-, nog eenmaal zinkt gy neder in 't Westen, schitterende Zon! En wy zien nooit de spitsen weder van 't hemeltergend Babylon! Met wat wy in haar vesten leden werd onze Vaadren God begaan! Niet ijdel waren onze beden; wy hebben 't ergste doorgestaan! Helaas! wat zagen daar mijn oogen, dat niet mijn tranen vloeien deed? Hier, krijgstrofeên, en eerebogen om Judaas onherstelbaar leed; daar, Sions tempelkostbaarheden, voor Isrels God, aan helsche goôn met ommegangen en gebeden en schendige offers, aangeboôn! Wy zagen dit, en moesten 't dulden! Want Jacob kwijnde in slavernij! Den komm'ren, die ons hart vervulden, stond zelfs de jammerklacht niet vrij! De Eufrates zag Gods uitverkozen', gebannen uit hun heilig Land geprangd in 't slavenkleed der boozen, in rouw verkwijnen aan zijn rand. En als dan midden in die jammren ons hart zich ophier tot zijn God, die ons, zijne afgedwaalde lammeren, niet hulpeloos opgeeft aan ons lot, en onze doffe klaagzangtonen zich mengden aan het stroomgeklots; dan zagen we een van Babels zonen, nog op den val van Sion trotsch, met wellust luistren naar ons klagen, in zegepraal om onze rouw, en spottend naar de Godheid vragen, die ons van 't juk verlossen zou? De stem bestierf op onze lippen! De spijt versmoorde ons zielsverdriet! Wy lieten ons geen galm onglippen, voor 's vijands oor een zegelied! Maar voelden de opgekropte zuchten nog feller drukken op het hart, bedroefden, wien in vreemde luchten het alles voorwerp was van smart! HEB dank! Heb dank! God onzer Vaderen! Gy zaagt met deernis op ons neêr! Het bloed, dat opbruischt door onze aderen, is 't vrije bloed van Jacob weêr! Wy zondigden; en gy kastijddet! Wy zonken weg in 't leed - Gy redt! 't Volk, dat Gy tot het Uwe wijddet, stort U geen vruchteloos gebed! Van Sions heiligdom gescheiden, beroofd van de oude heerschappij. wat ons de toekomst moog bereiden, wy zijn gelukkig, wy zijn vrij! Door woestenij en Oceanen zal ons Uw zegenende hand een wonderweg ter uitkomst banen, en tot een tweede Vaderland! Dat Vaderland, o God! dat smeeken wy van uw Oppermajesteit; en late ons bloed den bodem weeken, die naar zoo schoon een landstreek leidt! Of rust de vloek van vroeger dagen nog op dit droevige geslacht, dat Gy, na zoo veel felle slagen, ons zulk een heil onwaardig acht? Het zij zoo! laten wy het derven, en sterven, in uw wil getroost! Moog slechts het offer van ons sterven den zegen winnen voor ons kroost! zoo trekken we uit dit oord van smarte, wy, zwakke wapenlooze stoet! De hoop op God heerscht in ons harte, en kweekt er onbetembren moed! Vaar wel! vaar wel! Verblijf van boosheid, getuige en oorzaak van het leed, waar dwinglandij en Goddeloosheid ons jaren lang in zwoegen deed! De glans die afstraalt van uw tinnen, is nog ondraaglijk van ons oog! en brengt on 't schrikbeeld weêr te binnen der slavernij die op ons woog! Maar haast zult ge aan den kim verzinken, en ons te lang getergd gezicht niet meer hoogmoedig tegenblinken, als zich ons hoofd ten hoogen richt. In 't verre Westen neêrgezeten, op d' ons door God bestemden grond, zal Judaas kroost welhaast vergeten, dat er een Babel bestond! VAN waar dan voelt by al den zegen, dien ons dit blijd vaarwel voorspelt, 't hart zich op d' eigen stond verlegen, en van een doffe smart bekneld? Ach Sion! Sion! Uw landouwen, het wettig erf van Jacobs kroost zal nimmermeer hun oog aanschouwen! En heel dit mild gezegend Oost, dat Vaderland van onze Vaderen, die rustplaats van hun overschot, mag nimmermeer de voettreê naderen van de uitverkorenen van God! En Gy! o dierbren, wie de keten nog om den droeven boezem prangt! zoude U ons broederhart vergeten, als 't God om zijn verlossing dankt? Zou niet een traan ons oog bedaauwen, als 't smertlijk uur der scheidign slaat? Het denkbeeld niet ons hart benaauwen, van 't geen U nog te wachten staat? Ach! in uw kommer, in uw boeien te deelen, was ons hart zoo zoet! De traan, die Ge uit ons oog zaagt vloeien, schonk troost aan Uw, aan ons gemoed! En dus ons van elkaêr te scheiden waar geen tirannenarm gelukt dan met den ondergang van beiden, hoe diep, hoe jammerlijk verdrukt. Een ander, machtiger vermogen riep Juda uit zijn slavernij; het Godsbesluit klonk uit den hoogen: „trek uit, huis Davids, en wees vrij!" God, onze Vader! ja! wy zegenen uw onherroepelijke bevel! Maar laat uw toorn ons niet bejegenen, zoo by dit roerende Vaarwel ons hart, nog omziend naar zijn broeders, van zorg en angsten zwanger gaat, als of toe zou sluiten voor hun staat! Neen! laat die zorg ons niet meer knagen! Erkennen wy het heilgenot, ons aller noodlot op te dragen o Israël! aan Isrels God! Één blik, gewend naar dit beneden, vereffent Babel met het slijk, verguist de ketens om hun leden, en sticht een tweede Davidsrijk: terwijl 't ons weêrloos uitgeweken', tot steun, tot licht strekt en tot wacht! Wat, anders, hadt ge, o Westerstreken, waar 't sombre rijk begint der nacht, waar 't zonvuur een vergeten aarde slechts toewenkt met een laatsten groet, ons, die het welig Oosten baarde, ons, in zijn volheid opgevoed, dan kwijning in uw dorre luchten met al de plagen aan te biên, voor d' ongelukkige te duchten, die zijner Vaadren erf moet vliên! Maar Hy zal voor zijn kinders waken in heerlijkheid en ballingschap, zin aâm uw velden vruchtbaar maken, zijn band ons leiden stap voor stap; wie wagen durve ons aan te vallen aan onze voeten nederslaan, en onze pas geveste wallen onwrikbaar voor den haat doen staan! ONS hart, o God, zal eindloos gloeien van dankbaarheid voor Uwen naam! Uw lof van onze lippen vloeien, tot onzen allerjongsten aâm! Met duizend duizenden van monden aan heel met menschdom onzen God, Zijn leer. Zijn wedaân te verkonden, zij steeds ons deel, ons hoogst genot! Dat dan Zijn vijanden zich toonen, en nooden ons met helsch beleid Zijn dienst verraderlijk te hoonen voor aardschen dwang of ijdelheid! Tot zulk een gruwel ons te dwingen beproev' de saam vereenigde aard, met de uitgezochtste pijnigingen, met hongersnood, met vuur en zwaard; of (nog verachtelijker lagen!) met hoop op rijkdom, grootheid, macht! Moog slechts onze ijver U behagen, Uw volk van Israël veracht des aardrijks schatten en zijn troonen, zijn pijnigingen en den dood! Zoo zijn we, wy en onze zonen, ontrefbaar in den felsten nood voor Heidnen laster, haat en smalen, en voor de wuftheid van 't geval, tot Silo de Verlosser dalen , en zich Uw rijk verkonden zal! Dus klonk in Isrels taal en Godgewijde maat de stem van Elihu, den jongling, uit het zaad van Juda; en zijn lied wekte in zijn stamgenooten, van Sions heerschappij en tempeldienst verstoten, doch in hun ballingschap van Babels dwang bevrijd, het zoet gevoel van hoop op een min wreeden tijd, met sombre treurigheid verwisslend. Babels transen weêrkaatsten d' eersten gloed der morgenzonneglansen, en Judaas Vorstenstam mocht op Sennaärs veld, voor 't eerst niet meer bespied, belemmerd door 't geweld, uit onbeklemde borst den bede- en lofzang plengen, die de ochtendwinden voor den troon der Godheid brengen. 't Was daar, dat Elihu zijn dichterlijke stem verhief om in den nood, met vroom vertrouwen, Hem die Abrahams geloof nog zegent in zijn zonen, te aanbidden; en zijn stem doorslingerden de tonen der harp, wier melody in 't licht aandoenlijk hart het beeld te rug riep van den Koninklijken Bard! Hy heeft geëindigd! Met den nagalm van zijn zangen verliest het AMEN zich, waar door hy wordt vervangen, in 't golven van de lucht. Daar heerscht een statigheid van rust, die 't hart verheft en als van 't aardsche scheidt! Dus stonden ze, in 't gevoel der Godheid opgetogen! Op eens treedt uit zijn ten Nahasson voor hun oogen, Nahasson, de oudste telg van Davids nageslacht, wiens zwaard in vroeger tijd met mannelijke kracht de vrijheid staande hield van Sions heilge muren: maar ach! zijn grijsheid moest den bittren hoon verduren van Babels zegepraal; zijn vorstelijke hand de ketens dragen van den vreemden dwingeland; tot 's hemels weldaad, met de keur van Judaas loten, ook Hem verlossing schonk, zijn droeven lotgenooten ten leidsman, door zijn deugd en door beproefd beleid! Hy is 't, die op dees stond met dubbele achtbaarheid van ouderdom en rang, tot in het midden nadert der ballingen, ten dienst van Sions God vergaderd. Te lang gebogen op een borst, van smart verscheurd, heeft thands zijn hoofd zich weêr ten hemel opgebeurd. In 't oog, waar uit sints lang de gloed der rijpe jaren gedoofd was, laat zich thands een nieuwe glans ontwaren, die heil verkondt; en aan de diep geroerde ry spelt heel de houding van den krijgsman profecy! De mannen dringen zich met rusteloos verlangen dicht om hem, dat hun ziel zijn klanken op mag vangen. Hy spreekt: „Dit uur is 't laatst, mijn broeders, van de ellend. „die onze schouders heeft gedrukt. De Heere zendt „zijn kinders op dees dag een boô van heil, een teeken, „dat hun Zijn vaderhart, Zijn hand niet zal ontbreken, „hoe ver verwijderd van den Goddelijken grond! „Gy Juda! Hoor my en verheug u! want mijn mond „zal U een uitzicht op vernieuwde zegeningen „onthullen die 't mijn oog vergund werd door te dringen. „De koelte van den slaap blies spelend over 't veld: „uw rustend hoofd vergat het doorgestaan geweld, „en heel dees wereld. Ik-alléén, ik waakte, ik treurde, „geheel ten prooi aan 't wee, dat steeds mijn hart verscheurde, „sints ons de Heiden uit het Godsgebied versloeg, „verkwijnende op de sponde. Een tergende onrust joeg „in 't end my uit de tent, getuige van mijn klachten, „om in een ruimer licht den morgen af te wachten, „'k Treed uit. Mijn hoofd voor 't eerst, door 't lange leed bezwaard, „verheft zich tot den troon der Godheid, en ontwaat „in 't West een beeld van vuur, voortschietende uit het duister, „voorteeken van uw heil, mijn broeders! Van een luister „voor Juda, die reeds thands mijn ziel herleven doet. „Het beeld vertoonde een leeuw, vol jeugd, vol kracht, vol moed, „en glinstrend als de zon, pas uit het nat herboren. „De gouden diadeem, voor 't koningshoofd beschoren, „blonk op zijn fiere kruin, en in zijn klaauw de staf, „dien God ten blijk van eer aan Zijn gezalfden gaf. „Ik zag het, en mijn geest verhief zich boven de aarde: „de lucht bezielde zich, die om my henen waarde, „en lispelde my toe in zachte melody: „„Gedenk, gedenk aan Jacobs profecy! „„de schepter zal van Judaas stam niet wijken!" „Ik zag en hoorde; ik zag het vuurbeeld weêr bezwijken. „Maar sints dat oogenblik is 't leven in mijn bloed „vernieuwd; ik aâm geen lucht, maar Godelijken gloed. „Mijn lustloos kloppend hart gaat van orakels zwanger! „Ontvangt ze, Davids bloed! 'k weêrhoude my niet langer! „De Geest der Godheid grijpt my aan! De Tijd verdwijnt „van voor mijn oogen, en 't Toekomstige verschijnt: „Een hemelsche, onbevlekte glans „gloeit aan den Westelijken trans, „en spreidt zijn stralen over de aarde! „Daar, waar de zon haar loopbaan stuit, „daar rijst een grond de golven uit, „waar 's hemels gunst geen zegening aan spaarde „De dun gewiekte balsemlucht, „wier lieflijke adem hem bevrucht „zal helden 't hart doen zwellen. „Wien dien betreedt, diens edel bloed „zal zich in 't fier en vroom gemoed „tot duizenden vermenigvuldigd tellen! „U is hy, Juda! Aan uw kroost „de harde ballingschap ten troost, „door de Almacht Gods beschoren! „Hier wordt de koninklijke staf, „dien God U tot een erfgoed gaf, „met d' ouden roem herboren, „De volken zullen haar vereeren! „De Vorsten zullen zich verneêren „voor zoo veel macht en majesteit! „'t Ontzag zal van hun zwaarden blikkeren, „de rijkskroon op hun schedel flikkeren, „geschraagd door eer en dapperheid! „Beschermheer onzer trouwe Vaderen! „die glorie zal Uw heemlen naderen, „en vreugd verspreiden aan Uw hof! „Gy! schaduwen van Davids zonen, „herkleed in 't afgelegde stof! „om zweeft die glorierijke troonen; „herinnring aan Uw oppermacht, „en beeldtnis van het rijk, dat ons met Silo wacht...... „Maar hoe! de dagglans is verdwenen! „De grommende aarde scheurt van éénen! „Daar stroomen zeeën menschenbloed „Daar rijst een vlam van helschen gloed! „en honderdduizenden vergaan! Het zijn Uw telgen, „o Juda! Dweepzucht zwaait haar zwaard, „en blaast haar vlammen over de aard, „om de oude Godsdienst te verdelgen! „Haar trouwe kinderen verstikken in den nood; „zy kiezen ballingschap en dood, „eer dat hun hart zal verzaken!...... „Waagt iemand thands de profecy te wraken? „Waant iemand Juda thands van Gods belofte ontbloot? „„De schepter zall van Judaas stam niet wijken"! „Één broeder moog' voor d' anderen bezwijken! „De één zwaaie d' ouderlijken staf! „die, aan zijn plichtbesef geheiligd, „vinde op het pad der Trouw zijn graf, „of zwerv', door ballingschap beveiligd, „met God in 't hart, de wereld rond! „In beiden leeft de kiem, waar Helden-, „waar Vorsten-grootheid uit onstond. „O! doet die kiem van glorie gelden! „gy Judaas Koninklijk geslacht! „Wie U miskenn', wie U veracht'; „laat nooit hun trots uw oog verblinden! „Maar laat de lang gewenschte dag, „die Siloos komst begroeten mag, „u trouw aan God, en aan Uw afkomst vinden!" ISAÄC DA COSTA (1798-1860) C A Ï N. Heil! Geest der poëzy! wien 'k aan 't weilluidend ruischen der vleuglen erken, en aan het felle bruischen mijns boezems, wien uw komst ontzet, en wellust baart; Heil! Voor mijn oog, vermoeid van dees verouderde aard, voert ge uit de diepe nacht van 't dichterlijk voorleden tooneelen, waar de praal van al haar ijdelheden bij wegzinkt, weder op! tooneelen, vol van gloed, (schoon meê bevlekt met zonde, en overspat met bloed) uitvoerig, weeldrig en getrouw! Want wat Geschichtkunst met flauwe trekken schetst, voltooit uw hand, o Dichtkunst, met verwen, gloeiende van waarheid! Ja! mijn oog aanbidt die in 't tafereel, dat ge uitrolt van om hoog! Wel aan dan! dat mond dit stoute beeld verkonde! Den eerstgeborenen der menschheid en der zonde bezinge ik! 't gruwelstuk van Adams oudsten zoon en Abels vroegen dood, der Onschuld heerlijk loon! Maar gy! verlaat my niet, en schenk me een tweede leven, dat ik geheel mijn ziel zoo zuiver weêr mag geven in klanken, als die ziel, gelouterd van deze aard, het ideaal weêrkaatst, dat gy haar openbaart! Het eerste menschenpaar, verbannen van Gods Eden, en zuchtende in de straf van 't roekloos overtreden, sleepte in zijn nieuw verblijf, langs d' onbebouwden grond, zijn bitter naberouw en dorre wanhoop rond, en droeven ouderdom by onvergrijsde haren. Want ach! gelijk in ons, by 't voortspoên van de jaren, der spieren kracht verslapt, de gloed van 't oog verschiet, de moed des harten krimpt, de vlugge geest vervliet, ja! alles, wat ons eens den boezem hoog doet dragen, de harten winnen doet, en aan het oog behagen, uit één valt, dat de mensch zich-zelv' onkenbaar werdt: zoo diep (neen! eindloos meer!) was Adam neergestort uit dien verheven staat van ongelijkbre schoonheid, die 't voorhoofd, dat haar glans voor 't schepslendom ten toon spreidt, den luister doven doet des konings van den dag, en eens, uit Adams oog, den Cherub-zelv' ontzag gebood, en uit het oog van Eva, hemelliefde. - Met die herinnering, die steeds hun boezem griefde, betrad het treurig paar zijn nieuwe levensbaan, nu, macht- en krachteloos het onheil te weêrstaan; dan weêr, een oogenblik, vol moeds, het te bestrijden; maar 't leven was hun steeds, het geen het ons is - lijden! Één zegen wachtten zy, te midden van die zee van ramp, één flikkering van heil in 't sombre wee! Het aardrijk, waar en West en Oost, en Noord, en Zuiden twee menschenstemmen slechts zich by de wangeluiden der dieren, hemelwaart verheffen hoorden, moest zich éénmaal zien versierd met een gezegende oegst van wezens, naar den aart, in man en vrouw gescheiden als Adam en zijn gâ, en voortgebracht door beiden; bezield door zijnen geest, gevormd in haren schoot: van menschen, wel in 't eind (verkochten aan den dood!) 't van de aarde ontfangen stof aan de aarde werdergevend, maar in hun kroost op nieuw vermenigvuldigd levend! Dien zegen wachten zy, die was hun toegezegd! Maar ach! een nieuwe vloek ook daarby opgelegd! Des menschen kroost moet zich den weg des levens banen, ach! door de foltring van een moeder! kreten, tranen, zijn welkomstgroete zijn by d' intreê van deze aard; en hy, tot wee en smart, met wee en smart gebaard! Dit tijdstip was nu daar voor Eva! Uit den hoogen zag 't Englendom, dat steeds met medelijdende oogen ons lot volgt, voor het eerst het rijp gedragen wicht zich storten in den stroom van 't scheemrend levenslicht! „God heeft aan de aard door my een tweeden man geschonken!" riep Eva tot haar kind, van moedervreugde dronken. En Caïn werd zijn naam. Maar Adam heft zijn zoon om hoog, als stelde hy 't heelal zijn heil ten toon! Maar - siddert op 't gezicht der kinderlijke trekken; en, hemel waar hy blind voor 't geen zy hem ontdekken, blind voor de toekomst van dat kind, op wiens gelaat, hoe onontwikkeld nog, eene inborst zich verraadt van woest- en dierlijkheid, op ruwe lichaamskrachten gevestigd! „O mijn God! ik dorst te veel verwachten!" riep Adam op zijn beurt. „'k Dorst hopen dat dit Kroost „zijn' Oudren in hun straf mocht strekken tot een troost! „Dat mooglijk nog ons bloed, in onschuld weêr geboren, „uw zegen erven mocht, door onze schuld verloren! „Iets anders spellen my dees trekken, en 't heeal „ziet Adam in hun weêr, maar Adam na zijn val! „Vergeef me, o God! mijn hoop en alt te stout betrouwen! „Maar ook dees traan van smart, die ik niet kan weêrhouden!" Hy zegt, en keert zich af, en baadt zijn aangezicht in tranen! Maar zijn blik was niet ontsnapt aan 't wicht! De waarheid van gevoel kan 't kinderhart bevroeden, en eindloos dieper dringt hun oog, dan wy vermoeden; en in dat kinderhart, zoo vatbaar voor den haat, sloop mooglijk op dien stond des wrevels eerste zaad! Maar Caïn groeit vast op. De vruchtbre moederborsten ontwikklen met de melk, waar naar zijn lippen dorsten, de kracht des eerstelings van 't eerste huisgezin. Maar niet de moederborst alléén: Een tijgerin, wie vaak het wonderkind met forsche vingers streeld, bood hem uit dankbaarheid haar woeste speen, en deelde het voedsel en den aart van haar vervloekt gebroed aan 't kroost van Eva meê. Doch Caïns hard gemoed verheugde zich by haar, en speelde met haar jongen, of, als zy soms te vast hem in hun klaauwen wrongen, 't ontzag vergetende, verschuldigd aan hun heer, die nog zijn voorrecht voelde, ofschoon geen engel meer, wist hy d' oproerling den gorgel dicht te smooren! Zoo schildert de Oudheid ons Alcides, pas geboren! Zoo groeide Caïn op, en oefende zijn moed in d' omgang van 't gedierte, en 't storten van zijn bloed! Helaas! hy was bestemd een eedler bloed te plengen! Ramspoedige Adam! Ja! een leed moet zich volbrengen, onverzienbaar voor uw smeltend vaderhart, dat van dien dierbren naam nog niets kent dan de smart! Doch! vóór zich 't wreed geheim des noodlots zal onthullen, moet ook een tijd van heil zich voor uw ziel vervullen; een tijd van hemelsch heil, lang afgebeên van God, verkwikkend balsemend; maar vluchtig, als 't genot des slaaps, die 't matte lijf, van felle pijn gebeten, het leed vergeten doet, te spoedig zelf vergeten; of als een zomerzon en helderblauawe lucht by d' afloop van den herfst, die voor den winter vlucht. Uw echtkoets bloeit op nieuw, en rijpt in 's hemels zegen! Gy juicht! Gy hebt in 't eind een erfgenaam verkregen, een bode van herstel in 't Paradijsgenot, in Abel, 't evenbeeld des evenbeelds van God! Der Englen glimlach zweeft op 't teder aangezichtjen; de hemel spiegelt zich in 't blaauwend oog van 't wichtjen, dat, vreemdeling op aard, en nieuweling in zijn stand, te rug, ziet naar om hoog, als naar zijn Vaderland. Maar de aarde schijnt, verjongd, op zijn bezit te roemen, en stort haar rijkdom uit in weelderige bloemen, die, waar het ademhaalt, getuigen van haar lust: of, als 't op moeders schoot, het hoofdjen neigt ter rust, omwelft ze 't met een wieg van lachend groen en rozen, die, als zijn lief gelaat van schuldeloosheid blozen, en uit wier frissche kelk het bietjen schatten gaârt, die 't aan zich-zelf onthoudt, en voor de lippen spaart van 't slapend Engeltjen. Het tijdstip schijnt herboren, toen Adam in een dosch (helaas! sints lang verloren) van aardsche majesteit, de hemelsche verwant, ten blijk van 't vorstelijk recht, ontfangen uit Gods hand, het sidderend gediert voor by zich heen deed trekken, om met een enklen blik eens ieders aart te ontdekken! Het bracht ook thands zijn hulde aan 't menschdom. Voor den voet van Abel neêrgekromd, scheen 't, vreedzaam van gemoed, te smeeken om de gunst, zijn heerschappij te dragen! Dit was de tooverkracht der Onschuld, in de dagen van 's menschdoms kindschheid. Zelfs de ziel van Caïn boog! Ook hy trad naderbij, en liet het sombere oog met welgevallen gaan op zijn onnoozlen broeder, wiens lachjen tot hem spreekt uit de armen van zijn moeder! En Caïn antwoordt hem! Een traan van weemoed welt naar boven uit zijn borst, die van aandoening zwelt! by strekt zijn armen uit, en voelt zich telkens nader tot Abels wieg gevoerd. Maar de onbedachte vader mistrouwt zijn tederheid, treedt tusschen beiden in, en, voor het wicht beducht, dat heel zijn vadermin bezit, weert Caïn. 't Kind, een oogenblik vertederd, maar op dat oogenblik miskend, versmaad, vernederd, schaamt zich zijn weemoed: maar hy voelt dien reeds niet meer, en keert, verstoten, tot zijn tijgerwelpen weêr! Zoo is het wuft geslacht der zwakke stervelingen, wier hoogmoed zich verbeeldt den loop van 't lot te dwingen! Blind voor de weldaad Gods, die onder 't onheil broeit; of, bot die weldaad uit, en is ze rijp gegroeid, dan, als in zegepraal, bedwelmd en weeldedronken, het hart is één gevoel verloren, weggezonken en afgetrokken van 't geen verder hen omgeeft! Zoo was ook Adam, die geene oogen langer heeft, gen hart, geen leven, dan voor Abel; en zijn broeder vergeet! De tederheid der meer bedaarde moeder, noch Abels kusjens, wiens van liefde gloeiend hart een voorrecht schier versmaadt, geboet met Caïns smart, vermogen den ongenâ eens vaders te vergoeden: Maar wee dien vader o, de jammertijden spoeden! Hy snelt ze tegen; en verhaast het oogenblik, dan de Englen naadren zien met nooit gekenden schrik! In beiden middlerwijl ontwikkelden de jaren den vollen levensbloei, waar voor zy vatbaar waren, wie de allereerste gloed der Oosterzon bescheen en onverbasterd bloed doorstraalde. Maar in d' een verbreidde, met de kracht de grove lichaamspieren (den geestelijken mensch min eigen dan den dieren!) zich ook die woeste zucht, die wrevel van 't gemoed, dien Adam reeds zoo lang gekend had en - gevoed; in d' ander, met de vlucht der Goddelijke rede, een nooit voldane trek naar hooger welzijn mede. Een onbestemd gevoel van de ijdelheid der aard, en 't heil des levens, na dit leven ons gespaard. Doch forsche Caïn, die zijn droefheid wil verdringen door 't onverpoosd geweld van lichaamsoefeningen, verovert, naar den vloek des hemels, met zijn zweet des levens onderhoud, het voedsel van zijn leed! En Abel hoedt het vee; en, in zijn zachter leven, dringt telkens dieper in een toekomst, meer verheven, voelt telkens minder zwaar de keten van het stof, en heiligt God geheel zijn aanzijn, stort den lof des Allerhoogsten uit in stroomende gezangen, die al wat ademhaalt doen aan zijn adem hangen; dat meer dan eens de Rei der heilige Englenwacht, die om het aardrijk zweeft, in stilte van de nacht, de melodyen van hun gouden harpakkoorden (wier ruischen voor dien tijd alléén de heemlen hoorden!) in één smolt met den toon van Abels poëzy! En 't diep geroerd Heelal deelde in de harmony van mensch- en Englendom, door Adams schuld verloren. Maar thands, een oogenblik, herlevende in hun koren. - Aldus werd Abel rijp voor 't hemelsche gebied! Maar de Aartsverleider van het menschdom rustte niet! De ontaarde Lucifer, wien, van Gods gunst verstoten, en neêrgebliksemd uit dien eenmaal mild genoten en glorievollen staat van heil, geen andre wensch, geen andre troost bleef dan de zonde van den mensch! Hy, werktuig van Gods hand, die, door de kronkelingen van wegen, nooit doorzien, (zelfs in de hoogste kringen van 't vlekloos Geestendom, dat aan Gods voeten leit, door de eindloosheid verblind van Zijn voorzienigheid.) de duisternis van 't kwaad te rug brengt tot een luister, waar in ze wegsmelt; die den Satan met een kluister regeert, wiens uiterste eind zijn razernij beperkt, en dienstbaar maakt aan 't Goede, ook als hy gruwlen werkt. Die vijand, zoo geducht, wiens Godgehate listen de vrucht des kennisbooms aan Evaas lippen wisten te brengen, en haar gâ te slepen in haar schuld; de vijand waakte ook nu met knagend ongeduld. Reeds had zijn valsche ziel, zoo afgericht in loosheid, het werktuig van zijn haat bestemd in Caïns boosheid. Zijn scherpziend oog doorzag wat onuitroeibaar zaad van jammer voor 't Heelal, en afschrikbarend kwaad, in 't treffende verschil der broeders lag besloten: zijn band houdt zich gereed, hen in het verderf te stoten. 't Noodlotig uur breekt aan. Een plechtige offerand, o hemel! geeft het sein, en 't helsche vuur ontbrandt! Want Adam door een zucht, die hy niet kan verklaren, gedreven, dat God-zelf zijn gunst mocht openbaren aan Abel, en de keus, lang door hem-zelv' gedaan, van onrecht zuiveren, spoort beî zijn zonen aan, hun offer op één tijd te brengen aan den Heere! Twee outers, op zijn stem, verrijzen, God ter eere. Het eene ontfangt van 't vee, door Abels hand geslacht, en ingewand en vet. Het andre wordt bevracht met de eerstelingen der aard, van boom- grondgewassen, wier overvloed en geur des kwekers ziel verrassen, en Caïn heilgt ze in dees woorden: „Machtig God! „Brond onzes levensaâms, en Meester van ons lot! „Gy, op wiens hoog bevel de wisslende saizoenen „hun orde houden! die den boom op nieuw doet groenen „en rijpen, en den grond met zwellende aren dekt, „wier rijkdom tot het loon mijns zuren arbeids strekt! „ontfangt de hulde, die mijn hand U wijdt, genadig! „Sterkde aarde, en die haar bouwt, in krachten; en verzadig „mijns lichaams noodduft steeds met 't my geëigend brood, „dat 'k afdwing van den grond, wier eerstelingen ik bood!" Maar anders steeg de beê van Abel naar den hoogen: „Ontzachlijke, wiens glans het licht in onzer oogen! „Die d' adem van Uw geest doet wandlen in ons bloed, „en 't bloed met brood, de ziel met hemelkennis voedt! „Die ons in 't leven riept, en in de vreugd van 't leven, „en niet te rug neemt, dan om dubbel weêr te geven! „Genadige! verwerp mijne offerhulde niet, „hoe diep de stam verviel des stervlings, die ze U biedt! „Mijn handen durven U, 't geen de Uwen schiepen, wijden! „En o! dat ik mijn bloed van 't schuldmerk kon bevrijden, „geweven in mijnn ziel; 'k had mooglijk met dat bloed, „gestort voor Uw altaar, der Oudren schuld geboet; „en Gy wellicht schonk nu, rechtvaardig beide en teder, „mijn' Vader en zijn huis het Paradijsheil weder!" Hy spreekt: de donder gromt, de bliksemvuurpijl daalt. Het offer is verteerd! 't altaar om ver gehaald! Een blanke Seraph drijft in 't blaauw der hemelbogen, en leidt den loop der vlam, die opgolft, naar den hoogen en voert den offergeur en 't offerbedewoord van Abels hart tot God, aan wien het toebehoort! Maar de Engel en de vlam zijn uit het oog verloren, 't gekraak des bliksemslags doet zich niet weder hooren, en Caïns offer bleek onaangeroerd. Zijn oog ontbrandt van spijt en woede, en blijft van wanhoop droog. Zijn aangezicht vervalt. Hy keert met looden stappen naar 't eenzaam woud te rug; maar laat geen klacht ontsnappen, geen zucht, die hem verrade, en zijn rampzalig lot voor de aarde, die hy haat, ten voorwerp maak' van spot! Beweeg- en sprakeloos slaat hy zijn blikken neder, verzonken in zich-zelv'. - Maar naauwlijks heft hy weder het neevlig hoofd om hoog, of voor hem staat een man, in vleuglen gekleed, ontzagverwekkende van gedaante, en van een meer dan sterfelijke schoonheid. Alléén de diepe wrok, die zijn gelaat ten toon spreidt, verkondigt Satan! „'t Is een vriend die U gemaakt, (dus spreekt hy Caïn aan, die uit zijn droom ontwaakt) „waan niet, dat alles deelt in 't onrecht van uw Vader, „dat God-zelf ondersteunt. Neen! Caïn, ken my nader! „Mijn ziel voelt levendig den onverdraagbren hoon, „u aangedaan voor 't oog van Adams jonger zoon! „Gy, by een nietig kind, in ouderdom, in krachten, „in onbetemden moed zoo eindloos hooger te achten; „ gy! als uw fiere ziel zich voor een outer buigt, „ontmoet niet dan een smaad, door Adam toegejuicht? „Neen, neen! een ander lot moet Caïn zijn beschoren! „Hy kan vaqn mijnen mond en raad en troostreên hooren. „'k Was éénmaal in de vreugd der heemlen deelgenoot: „'k was éénmaal onderdaan dier Godheid, en ik bood „mijn hulde meê aan Hem, die 't hemelrijk regeerde! „Maar de onrechtmatigheid Zijns gunstbedeels verneêrde „mijn vrijheidâmend hart; en, worstlend met mijn lot, „zag my de hemel-zelf krijg voeren tegen God! „Door de overmacht in 't eind besprongen, overrompeld, „verviel ik uit mijn rang, in ballingschap gedompeld! „Maar in die ballingschap bleef ik my-zelv' gelijk, „en Satan stichtte zich een onafhanklijk rijk! „Zie daar de pogingen van onverlaagde zielen! „Voor wie den moed bezit, en voor geen God wil knielen „bestaat een toeverlaat! Die toeverlaat ben ik!" Hy zegt! een mengeling van vreugd, verwondring, schrik, bestormen Caïns hart, en woelen er door éénen. - Hy vindt geen antwoord. - Maar de jongling is verdwenen, en op den zelfden plek, waarin zijn voetstap stond, verrijst een sulfervlam uit d' opgespleten grond, wiens blaauwe wederschijn het bleek van Caïns wangen doorwemelt, en wiens damp, met d' adem meê ontfangen, zijn geest benevelt en van helsch vergif vervult. Geheel zijn lichaam schokt, gelijk zijn ziel. Hy brult van bloeddorst, die zijn keel verdroogt; zijne oogen branden gelijk de houdster aan de dorre hemelwanden, en 't opgestoven bloed spreidt op de ontsparde kaak een purperroode vlam. Het is de koorts der wraak, die uitbreekt; en slechts God kan nog den voortgang stuiten der lang verkropte drift, thands voortgezweept naar buiten! Zoo woedt hy heel den dag door woud en velden rond, en rukt de stammen met hun wortel uit den grond, verbrijzelt in zijn vaart de schuldelooze hinden, wier voeten lichter zijn dan de adem van de winden, en slingert door de lucht haar lillend ingewand! of keert zijn blinden loop naar Abels grazig land, en breekt de horens af der vreedzaam weidende ossen; of, door de vrolijkheid der huppelende rossen getergd, strooit langs den grond hun wreed verscheurde leên! Het aardrijk schrikt en dreunt van d' indruk van zijn schreên, de hemel, van zijn stem, als 't noodgeluid der wolven, of 't loeien van den storm, die worselt met de golven, ontzettend; tot in 't eind, met bloed en zweet bedekt, de ontmenschte, voor den voet eens heuvels neêrgestrekt, getemd wordt door den slaap, waarin zijn leden zinken. De sterren middlerwijl, die aan den hemel blinken, verkondigen den tijd, waarop de geest zich scheidt van 't logge lichaam, dat in rust gedompeld leit, om op den vlerk des drooms te stijgen naar den hoogen, en (onze onwetendheid noemt die verheffing logen!) een voorsmaak van de gaaf der heldre profecy, de hoogste zaligheid der uitverkoren Ry, te proeven. In dien staat van meer dan stoflijk leven, in die begoochling van zinnen, zoo verheven, bevond zich Caïn thands. 't Vermoeide lichaam viel een' schijnbren dood ten prooi: de losgemaakte ziel vernam de stem van God, die hem zijn lot verkondde: „sta, Caïn! gy betreedt den ingang van de zonde! „verwin u! smoor de vlam van oproerzucht en haat! „vertrap de laatste vonk! of 't uur des misdrijfs slaat!" Dus waarschuwt de Almacht-zelf, den zondige verschenen, voor Satans invloed. Maar het droombeeld is verdwenen! De morgenstond verrijst, wiens middag haast getuigt, of Caïn voor hem een God zijn harden nek nog buigt! „Ja! (roept hy, wien de nacht de ontzonken levenskrachten „hergeven kon, maar niet den bittren wrok verzachten!) „'k Ben meester van mijn drift, en diep gehoond gemoed! „Ik zal mijn hand niet meer bezoedelen met bloed, „noch 't my bestemde leed op andre wezens wreken! „Mijn ziel is rustig! - Maar vertoeven is dees streken? „Nee, neen! die lafheid pleegt verdrukte Caïn niet! „Aan Abel blijv' 't bezit van 't vaderlijk gebied! „De grond, die Abel draagt, moet zeker Caïn haten! „en ik, ik ga een grond, die my verstoot, verlaten!" Hy spreekt, en treedt met één zijn' broeder in 't gemoet die nadert, en voor 't eerst een minder norschen groet bejegent. Dadelijk ontsluiten zich zijn armen, om Caïns steenen hart (waar 't mooglijk!) te verwarmen aan 't zijne. Hy treedt voor, en argloos, geleidt zijn broeder naar het veld, waar hy zijn kudden weidt. „Mijn afscheid brenge ik u (dus doet zich Caïn hooren); „u zij het vol genot van dit gewest beschoren, „u, Adams tederheid, U heel de gunst van God; „my, niets dan eigen kracht! Met die zoeke ik mijn lot! „Eeer heden deze Zon in 't Westen zal verdwijnen, „zal zy, waar Abel staat, geen Caïn meer beschijnen!" - „Hoe! (antwoordt Abel hem, van weemoed diep geroerd) „hoe dus vervreemd van geest, en aan u-zelf ontvoerd? „Is dit het geen van u een moeder heeft te hopen? „Ach! Caïn! staan u niet eens vaders armen open, „aan wien gy mogelijk nog eindloos dierbrer waart, „zoo gy, by zoo veel moed, de strengheid van uw aart „die langzaam opengaat voor teêrheid, kost verzachten „en 't geen zijn ziel betreurt, niet toondet te verachten? „Trek in dat wreede woord, dat schrikkelijk besluit, „die, zoo de rede neit den uitvoer by u stuit, „de rust van Adams huis misschien voor eeuwig stoorden!" Dus zegt hy, naar zijn hart; en ondersteunt zijn woorden met d' uitdruk des gelaats, waar op een glimlach speelt van liefd en met een oog, dat in zijn lijden deelt; maar groote hemel! met wat uitslag! Caïns oogen, door d' invloed van de hel begoocheld en bedrogen, zien in dat smeltend oog, dien glimlach, dat gelaat, geen deernis, geen gevoel, maar spotternij en smaad! En, toen de onschuldige hem toeriep: „O mijn broeder! „oneindig is de gunst van onzen Albehoeder! „Breng, breng hem de offerand van een ootmoedig hart, „en de oorzaak zal vergaan van uw, van mijne smart!" Op die herinnering van d' oorsprong van zijn woeden sprong de oude wond weêr los, en raakte op nieuw aan 't bloeden, onheelbaar thands, en met een donderend geluid barst zijn ontaarde ziel, die Satan innam, uit! „Gevloekte huichelaar, en schaamteloos verrader! „gy, roover van mijn recht by God en by mijn vader! „verachtelijke worm, dien 't worden zag uit niet! „gy durft dan in den troost, dien my uw valschheid biedt, „den angel van uw trots op dien triomf verbergen, „waar meê het gantsch Heelal niet ophoudt my te tergen? „'t is tijd, 't is meer dan tijd, dat ik u nederbons „van uit dien hoogen stand! Beproef thands, wie van ons „het voorrecht meer verdient, dat God u weg deed dragen! „En, kon het offer, dat gy slachttet, Hem behagen, „ook ik, ik offre bloed! maar aan een ander Heer!" - Hy zegt, en ieder woord, dat uitgaat, blaast al meer de helsche vlammen aan, die uit zijn boezem wellen! Zijn woede steeg in top, zijn ruwe spieren zwellen, zijn reuzenlichaam rijst, zijn forschgestrekte hand rukt Abel op by 't haar, en smakt hem tegen 't land! En de opgeheven voet gaat hem de borst verplette!...... De Zon treedt achteruit! De hemelen ontzetten, en overfloersen zich met wolken! De aarde dreunt, en poogt te ontvallen aan den voet, die op haar steunt! De Reien, uit wier borst de hemelhallels stijgen, verstommen, sidderen, en doen hun harpen zwijgen! Een schrikkelijke kreet is door 't Heelal gehoord!...... 't Was de eerste menschendood! 't Was de eerste menschenmoord! „Weigeren we aan den broedermoorder geen meêdoogenvolle traan, „by den afschuw onzer zielen voor den gruwel, hier begaan! „'t Bloed des zondigen is 't onze! Zijn vergrijp is opgegroeid „uit het eigen zaad van driften, dat in onze harten broeit! „Wie van ons zal zich beroemen, dat hy instaat voor zijn lot? „Wie van ons op onschuld roemen buiten d' invloed van een God! - „Medelijden, geen verfoeiing, met de diep gevallen ziel! „En verfoeiing, geen verschooning, voor den trots, waar door zy viel! „En Gy, zondaar, die in Caïn eigen schuldbesef betreurt! „deelt gy mede in mijn verneedring? Alle hoop is niet verbeurd! „Aarde en hemel spraken vloek uit by 't vernemen van den moord - „maar de hand van God verzachtte by het eerste boetewoord!" ISAÄC DA COSTA (1798-1860) D E C H A O S E N H E T L I C H T EEN HALVE-EEUWS-LIED. Maak u op, wordt verlicht, want uw licht komt, en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op. Want ziet, de duisternis zal de aarde bedekken, en de donkerheid de volken; doch over u zal de Heer opgaan, en Zijne heerlijkheid zal over u gezien worden. - Jesaja LX: 1, 2 De herpen trillen reeds. De wondereeuw eerlang, half pralend half bedeesd, viert jubel, eischt een zang! Het lied des Wachters, dra verwezenlijkt, ging onder in vlam van volksgeweld, in damp van schutgedonder. Een zang, op nieuw, een zang des tijds, in ons vertell' zijn teeknen, die hun loop als op de maat verzell'! Geef, Dichter! geef ons dien. Neen! geef Uw' dienstknecht woorden van trouwe waarheid, Heer! in zuivre dichtakkoorden. De storm ging liggen. By een waterbleeke zon (die vuurrood aan de kim haar trotschen gang begon!) vertoont het oppervlak der nog ontroerde golven, vertoont de vastegrond, nog half in zee bedolven, de wrakken wijd en zijd des Staatsorkaans, - door één geworpen kroonen en eerwaarde vastigheên, naast kunst- by kunstgewrocht, en honderd welvaartsboomen ontworteld of geknakt; - en op dezelfde stroomen het recht der grooten en der kleinen weggespoeld, met menig vrijheid, in verheevner zin bedoeld, dan om den logengod van 't Volksgezag te dienen, toch tusschen zee en rots verpletterd. Ach! ruïnen alom voor scheppingen! een baaiert, by wiens poel ontwakend zelfbedrog met vruchtloos pijngevoel zihc beurt om beurt verwijt in 't ondoordachte streven te ver gegaan - of neen! te rug te zijn gebleven. Van op zijn zegekoets, aan enkel lofgegalm, vergoding allerwege en wolken wierookwalm gewoon, ziet de Eeuwgeest, zelf by 't treurtooneel verbleekend op aangezichten thands maar al te zeer welsprekend, wie blik (als waar' 't een stem) hem 't: wreed te loorgesteld! verwijt, - straks even nog, terwijl hy voorwaarts snelt, een blos jaagt op 't gelaat met de enkele vraag: waarhenen? Wat weet hy 't? - en beschaamd wendt hy den blik met éénen naar elders, en verdrinkt der volken jammerkreet in plassen van muzijk en Meijerbeers Propheet! Toch laat hem, hoe ook wuft, en onbedacht, en grillig. dat snijdend woord: „waarheen?" niet altoos onverschillig; - wat Macht, kan 't wezen voor de toekomst, die haar beidt? En de Eeuwgeest is een Macht, een hooge Mogendheid! - Welaan! indien by 't feest der volle vijftig jaren ook deze koning van zijn troon de wichelaren van Oud-Chaldeën riep, en vroeg ze naar het lot dier werken, waar hy hoog, gelijk een scheppend god, op roem draagt, - naar de vrucht van zoo veel kennisplanten, vervoerd van dag tot dag, verbeid naar alle kanten, - van zoo veel boeken, zoo veel bladen, vol van merg en moedwil,- naar den top van dien verheven berg: volmaking, - naar het eind dier trotsche samenhooping van wondren, vruchtbaar steeds in nieuwe wondren... „Sloping! „zou 't antwoord wezen (roept een stem), of zaagt ge niet „de hand reeds aan den muur, die 't Europeesch gebied „ten prooi vervallen schreef aan 't oude Vandalisme. „als Meed en Pers vereend met bloedig Communisme? „Zaagt gy den vinger niet by 't feestbanket, die aan „den vier en twintigsten der Februarijmaan „het sein tot oopning gaf der sluizen? En beneden „uit d' afgrond spoten ze op om nooit te rug te treden, „de waatren van dien vloed, slechts voor een wijl gesust!... „'t Is met beschaving uit en wereldorde en rust, „bedreigd, neen! thands niet meer door ridderhafte Gothen, „of ruites uit de heup van Ismaël gesproten, „als in vervlogen eeuw de aard overstroomden maar „ververschten; de eeuw des lichts kent doodlijker gevaar „voor heel die maatschappij, in voorspoed lang volprezen, „voor 't afgeleefde Euroop, wien zijn verwoesters rezen „uit eigen schuim en slijk, uit eigen bastaardzaad, „de vrucht, de schand, de straf, van zonder en eigenbaat. „Neen! geen geschapen Macht kan 't dreigend onheil wenden „de kern verbrijzelend dier steeds herteelde benden, „waartegen schrootvuur en bebloede bajonet „slechts voor een dag vermag, geen menschelijke wet „is opgewassen, ja geen Godsdienst zelf bestand is, „gelijk ze aan dweepzucht, hier, dáár 't Heidendom verwant is, „dáár 't Godswoord onderdrukt, en hier, in eigen schoot „dat Pantheïsme voedt, der gruwlen bondgenoot. „De Maatschappij vergaat? Zult gy den storm bezweeren, „groot Frankrijk! of den slag van eigen schedel weeren? „Gy, voor Euroops oog Chiméraas beeld gelijk, „van voren Republiek, van achter Keizerrijk, „in 't midden Anarchie, - in 't binnenst zat van stoffen, „gereed op d' eersten vonk met helsch geknal te ontploffen en 't hoofd te treffen van den man Napoleon, „uw pas gerezen en reeds ondergaande zon! „Zal 't Duitschland, door het zwaard van zijn Radetsky's machtig? „tweedrachtig overal, en meer dan ooit tweeslachtig, „sints de éénheid, hoog geloofd,van al wat Duitscher heet, „in leus van moord verkeerd, die bloedzee ruischen deed, „uit de aderen gestroomd van burgers en soldaten, „onnoozle dweepers of verleidene onverlaten, „op 't slagveld neêrlegd, ter slachtbank heengesleurd. „De band der Staten als der stammen is verscheurd. „De vete kankert voort, die, tusschen Israëller „en Duitscher eeuwenoud, in vlammen zoo feller „hervoortbrak by den kamp van dezen jongsten tijd. „De tusschen oud en nieuw ter dood bedoelde strijd, „dien Overmacht vergeefs zich sterk dacht te bedwingen, „woelt in de diepte voort, door duizend zendelingen „gekweekt en aangehitst, tot dat de dag verrijst, „die aan 't verschrikt Euroop met nieuw geweld bewijst „wat sombre dweeperij uit nakroost van Germanen „nog schrikbrer Seïds vormt den Frankrijk Bergtitanen! „En waan niet, allerweeg bestookte Maatschappij! „dat England, in dien dag, een Pella voor u zij, „door hoe veel golven ook en onverwinbre vloten, „by d' Europeeschen brand, omheind en afgesloten, - „door welk een geestkracht nog, terwijl de driften woên, „in staat aan d' eisch des volks èn vorstlijk te voldoen „èn manlijk weêr te biên. Maar de eens gezette tijden „vermag geen hoogheid zelfs van Brittenland te ontmijden, „al stond geen Ierland haar ter zijde, al wierp geen rots „van binnenlandsch schuld, van Palmerstonschen trots, „van volks- en Staatsvergrijp, geboekstaafd door historie, „een schaduw over 't licht ook van des Luipaarts glorie, „zijn opgerichten hoorn, zijn nooit vermoeid geluk! „De paalworm knaagt in 't end de hechtste balken stuk. „De pest ontziet geen klove of grenstol tusschen volken, „maar overschrijdt de zee, of kiest den weg der wolken. „Neen! in d' ontbreidelden Omwentlingsoceaan „zal heel de maatschappij, moet England meê vergaan; - „vergaan beschaving, licht, en kust, en wetenschappen, „schoon vordrend dag aan dag by louter reuzenstappen, „schoon door begoochlingen, vertalrijkt uur aan uur, „het menschdom vleiend met een eindeloozen duur. „Helaas! als de zon, die Babels doodsnacht vóórging, „met minder schittring toen het spoor den heemlen doorging. „En Babel viel, en op den bodem, waar zy stond, „daar huilen wolven thands en hupplen satyrs rond! „Zie daar uw beeld,Euroop! Barbaren en Vandalen, „van alle kant gereed uw hoogten om te halen! „Dat schittrend werelddeel, waar heel onze oovrige aard „zich in verbazing, eerbied, siddring, blind op staart, - „die bodem, overdekt van zoo veel wonderheden, „(Gewrochten dezer eeuw of erfnis van 't voorleden!) „waar Keulen met zijn dom zijn faam heft tot den trans, „Versailles zalen nog den naam van Orléans „weêrgalmen, Alberts wenkvoor al de nijverheden „der aarde een renbaan schept in Englands stad der steden,- „'t moet al geëffend tot één barre woestenij, „één bouwval, waar geen kunst, geen wetenschap meer zij, ,geen licht, geen geest, geen God, - maar roode Communisten „elkaêr de laatste buit, de laatste beet betwisten! „Neen! (spreekt een kalmer stem ten antwoord) voor dien vloed „van Staatsomkeering, Volksverbijstering, hoe verwoed, „zal 't diep gegrondvest werk van eeuwen niet bezwijken. „Alleen men wake en sta! en wapene de dijken „met nieuwe kracht van glooiing', en bewijz' „dat weêrstand mooglijk is voor 't minst, noch geef' zich prijs „aan ingebeeld gevaar, aan panische verschrikking, „noch trede met den geest der woestaardij in schikking, die wat hem heden half verleend werd, morgen gantsch „als 't zijne vordert! hy, door blooten naam en glans, „door louter zelfroem sterk en waanzin, niet in 't wezen, „maar zeker sterk het meest voor wie zijn sterkten vreezen, „Wat schuwt men tegen hem den aanvalskreet: Te rug! „als roekloos en barbaarsch, terwijl hy, stout en vlug, „met elken nieuwen stap tot nieuwe rechtsverkrachting, „tot nieuwe gruwlen voert van plundering en slachting, „vernieling, algeweld? Wat dempt men van dat vuur, „geboet met rampen reeds van onafzienbren duur, „'t bedrieglijke licht, de valsche warmtestoving, „door kracht van waatren niet, te onherroepbre doving? „Wat schaamt zich ons geslacht naar 't voorbeeld om te zien „van dagen minder groot van schitterschoon misschien, „maar eerbiedwaard voor 't minst door eerbied voor de banden „van orde, herkomst, recht, die vastigheên der landen? „Onschatbre schatten, niet te duur gekocht (kon 't zijn) „voor dezer tijden roem op ijdlen vrijheidsschijn „of (zij't) oprechten glans van kennis en verlichting, - „neen, niet te duur zelfs voor mislukte vrijheidsstichting „by diep beklaagden Pool of eedlen Madgyaar, - „zelfs voor die vrijheên niet, de vrucht van tachtig jaar „van worstling, met den Leeuw der gouden Nassaustanders „verwinnend doorgestaan door 't Volk der Nederlanders, - „ja, voor geen voorrecht (moet het zijn!), aan heel deze aard „by 't licht van Drukpers en Hervorming eens gebaard! - „Ach! aan de uitsporigheên der zinnelooste factie, „onze aard verwoestend door Omwenteling en Reactie „(twee beulen, even hard, van vrijheid, rust en recht, „by beurten), wordt vergeefs ons 't einde toegezegd „door Constituties, nauw verschenen aan de kimmen „of weêr in 't niet gedaald als weezenlooze schimmen. „Ééne uitkomst bleef ons slechts, één toevlucht in 't verschiet; „de aloude rotssteen der alleenregeering. - Ziet! „een Noorderlicht gelijk, dat met zijn purpren vlammen „den nacht in dag verkeert, op honderden van stammen „de kroonglans stralende van Ruslands Opperheer! „Voor dezen, dezen slechts slaat Opstand de oogen neêr. „Zie daar u 't ideaal, Euroop! van volksbeheering, „de haven des behouds, het eind der Staatsomkeering! „Één heerscher, één gezag voor wereld en altaar! „Één Godsdienst, in de trouw belichaamd aan den Czaar! „En in de schaduw van dien schepter, zoo ontzettend, „voor 't wangedrocht des tijds, zoo dreigend, zoo verplettend, „verdiensten, koninklijk erkend, - eens Keizers gunst „verzekerd aan 't belang van Wetenschap en Kunst; - „Siberiës woestijn, met al zijn koude en kommer, „en waar de schoonste naam zich oplost in een nommer, „ten hel gesteld (o ja!) voor wie met wenk of woord „de wet schendt des gezags, de rust des rijks verstoort;- „maar, waar zich verder 't oog des onderzoekers wende, „beschaving, vordrend en bevorderd, - voor de ellende van allen, 't meêlij van een Vaderlijke macht, - „een Staatkunst, die niet licht der zwakken recht verkracht, „maar rustig, waardig en rechtvaardig, in 't Verleden „haar vasten waarborg heeft voor 't glorierijke Heden, „ja voor een toekomst van nog grooter heerlijkheid, „die 't rijk van Peter, 't huis van Nicolaas, verbeidt! - „Dat de aarde, zoo zy hijgt naar vrede en heil en orde, „òf Ruslands evenbeeld of òf Ruslands erfdeel worde!" Een stem op nieuw, de stem, in Neêrland wel bekend, dier wijsheid die de paân van 't midden houdt: „Hoe 't end „uit zoo veel streven ons beschoren. Anarchisme? „Hoe de eenge redding uit die klaauwen, Despotisme? „'t Zy ver! Geen tijd van schijn- of wezenlijken nood „geeft tot die uitspraak recht, een vonnis tot der dood „gelijk! Onze aarde schudde, en dat haar slingeringen „zelfs d' onverschrokkensten een kreet van angst ontwringen! „Ook van den felsten schok herstelt zich ras de grond. „De vuurberg koke, en brake uit d' opgesparden mond, „terwijl de hemel loeit, des afgronds holen ronken, „die zee van gloeiend slijk, waar steden in verzonken, „met haar bevolkingen tot asch of steen vergaan... „eerlang! en lachend ziet de zon die voren aan, „door 't bergvuur zelf bevrucht, dat over de akkers holde, „straks in zijn vaart gestuit, tot gouden meststof stolde. „Der zee, die 't menschdom draagt op 't schijnbaar wrakke hout „zij onder zoo veel angst de toekomst aanbetrouwd! „Zy voert ons, wat ook dreig', de lang begeerd boorden „naby, de haven in, al spookt het uit den Noorden „by beurten en te rug, al loeit het even zwaar „uit Oost en West om strijd al worstlen met elkaêr „orkanen om ons hoofd. Wy hoe het vaartuig slinger', „wy blijven naar pool met onverwirkbren vinger „het menschdom wijzen! wy, wat bloed er stroomen moog, „wat onrust onze rust gestaâg te storen poog', „wat onspoed onzen spoed, - wy streven zonder zwichten „steeds voorwaarts, vinden uit, verbeteren, verlichten. „Wy richten niet alleen het scherp gewapend oog „op duizend werelden, aan onzen hemelboog „haar dansen mengend naar door ons berekende orden, „of in de diepten van den Melkweg nog aan 't worden; - „wy domplen niet alleen in 't binnenste der aard „om uit te vorschen in wat beenders, daar vergaârd, „een ouder eeuwvak spreekt dan 't vroegst ontstaan vn menschen: „wy streefden niet alleen de stoutst gestemde wenschen „naar nieuwe wonderheên te boven, in de gaaf „van stoom, van spoor en van dien toovertelegraaf, „onzichtbaar langs zijn draad door lucht- en zeestroom borend „en de evenrdigheên van tijd en plaats verstorend „met de onweêrstaanbre vaart des bliksems, hem verwant;- „maar we oefnen ook den geest en spannen ons verstand „om 't overtalrijk heir de ondermaansche ellenden „te ontwaapnen, te verslaan, te mindren, af te wenden. „Men dreig' ons menschen vrij een kerker of een graf, „wy schaffen slavernij, wy krijg en wreedheid af. Ons, vrij van weifling of oneedle moedverzaking, blijft zelfontwikkling, zelfregeering, zelfvolmaking „der volken, hoop en doel. Mag 't in geen rechte lijn „onafgebroken steeds en zonder buiging zijn? „Spiraalsgewijze dan en na miljoenen bochten, - „zoo slechts de zege des vooruitgangs blijft bevochten!" Dus streeft in gissingen, uit blikken diep en waar, en - droomen saamgesteld, voorts strijdig met elkaêr naar de onderscheidenheid van stelsel, vrees, vertrouwen, het menschdom t' aller tijd zijn toekomst te doorschouwen. Vergeefs en buiten 't perk, den stervling toegestaan? Of, als een kenmerk nog van hooge roeping, aan den zondaar, eens het beeld zijns Scheppers, bijgebleven? Ja Gy hebt onze ziel dien grondtrek ingeweven, hoe diep verbasterd ook, ontheiligd en verkracht, zoo vaak Gy-zelf, o God! aan 't boetende geslacht uit Adam 't vergezicht der eeuwen niet ontvouwdet, en 't woord der toekomst aan geen Zienders toebetrouwdet, als die, wier naam, wier schrift, in Israël bewaard, met Isrels ballingen nog meêtrekt over de aard. Ontsluit u, Godlijk woord! Propheten van de ouden maar nooit veròuden dag, op wie de Apostlen bouwden! Verlicht ons, maar door hulp die valsche Wetenschap (hoe hoog verheerlijkt) niet, wier waan by elken stap, terwijl zy 't Ongeloof met nieuwe flaauwheên huldigt, zich-zelven nieuwen lof en lauwren meent verschuldigd; - dier doode kennis niet, die ja! maar al te wèl met ijskoud oog en hand en scherp gewet scalpel, gelijk m' een lijk ontleedt, in 't Godswoord weet te wroeten maar dan ook in dat woord geen polsslag zal ontmoeten, geen levensadem meer, geen hemelharmony van waarheên, geen geheel volbouwd uit prophecy. Bestraal Gy-zelf ons, Geest van waarheid en van leven! die in den aanvang over d' afgrond wildet zweven en broeden, tot weldra, op 't machtwoord van Gods mond, van uit de duisternis 't bezielend licht ontstond, - en geef ons oogen voor de roeping van het Heden, de hoop der Toekomst en de raadsels van 't Voorleden. God schiep Zijn eersten mensch, rechtvaardig, vlekloos, goed; maar met de vrijheid in het ongekrenkt gemoed om tusschen Gods gebod en Satans stem te kiezen. Hy koos. Gods uitspraak volgde. Ach! weinig was 't verliezen van Edens dreven en niet uit te spreken lust, en heerschappij der aard in onverstoorde rust, - by 't onafschudbre juk der eens ontfangen zonde, by 't rustloos dreigen van dien dood, dien God verkondde 't weêrspannig menschdom tot bezoldiging en loon, en Adam 't eerst doorstónd in 't sterven van een zoon. Van die weêrspannig, die schuld, uit één tot allen gekomen, van dien doem op al wat leeft gevallen, ellende, tranen, dood, door alle tijden heen, is zonder onderscheid het wezen, de oorzaak, één. 't Is de onverzaakte trek by alle stervelingen naar onafhankelijkheid van die hen schiep te dingen, en, met of zonder God, ons-zelven, hoe 't ook zij, ten God te zijn. Van daar, in heel de maatschappij als in den enklen zoon van Adam, die wanorden, die tegenstrijdigheên, steeds strijdiger geworden, naar dat het menschelijk kroost zich veroneindigde of ontwikkelde over de aard: Onkennis,ruw en grof, of, in verfijndr vorm, nog schuldiger onteering, van de Almacht, van Zijn wet en wezen en regeering, by 't beeld, het maaksel van Zijn Geest. - Geschiedenis der volken! daag, daag op! zeg gy het, wat er is geworden van Gods beeld, waar 't God geldt en Zijn kennis het eerst! het zij de Griek, in vrome heiligschennis zijn hoogen schoonheidszin, zijn ongelijkbre kunst aan schepslendienst verpandt, afsmeekende de gunst en zingende den lof van schendige godinnen en goddelooze goôn, de slaven hunner zinnen; het zij de Egiptenaar zijn wijsheid, hoog vereerd, in dwaasheids toppunt, ja waanzinnigheid verkeert, kniebuigend voor een os en voor een huiskat vastend, 't zij voor zijn Godsdienstzin naar hooger voorwerp tasten, de Perser uitziet naar de werken der natuur, zijn tempel;s afbreekt en aanbidder wordt van 't vuur, terwijl Chaldeën rookt voor sterren en planeten, 't zij Israël (o God! Uw Israel)! Propheten en vaderen ten hoon, den nabuur één voor één zijn Astaroths benijdt of Thammuz vuilogheên, - 't zij straks de Christenheid, in Isrels plaats getreden, ook zy dien God ontrouw, haar bijgeloovigheden, verval en afval, beeld- en zelfdienst, ja! in 't end haar Algodisterij, der afgoôn afgod, kent. Zie daar dan, - de eeuwen door van mensch- en volkshistorie, met hoe veel glansen ook van allerhande glorie omwoeld, - die ééne kwaal, in talloosheden van verschijnslen, beide mensch en menschlijkheid ten ban: des menschen scheiding van zijn God, des menschdoms zonde Wat zoeken wy dan nog voor de onverheelbre wonde van de in haar smerten half bezweken maatschappij in heulsap, die slechts dooft, genezende artsenij? Voor zelfontwikkeling, zelfregeering, zelfvolmaking, (ach holle galmen voor steeds nieuwe Godsverzaking!) was nooit de redding van òf mensch òf menschdom veil. Hereeniging met God! dáár slechts is beider heil. God wil ze. Ja, Hy sprak van vrede, van verzoening. Zijn wijsheid in den weg van volle rechtsvoldoening vond voor Zijn liefde een werk, waarvoor by beurten stijgt of van bewondring en aanbidding zwichtend zwijgt der Englen loflied in den tempelhof Daarboven! Gods Eden hoorde reeds dien Menschenzoon beloven, der menschheid Wreker en Verlosser, die de wet van zonde en dood ontbindt en Satans kop verplet, - dat zaad van Abraham, door al de nageslachten uit Adam als hun Licht en Zaligheid te wachten, - dien spruit uit Juda, Rijske uit Jesse, Heer en Zoon van David, afgebeeld in Isrels wetgeboôn door offerdienst en bloed en in voorspiegelingen van hooge, reeds volbrachte en nog aanstaande, dingen, - dien Heiland, uitgedrukt in 't Goddelijk akkoord van aller Zienders en Psalmisten waarheidswoord, als Leeraar, die Gods wet vervullen komt en leeren, als Koning, door Zijn dood bestemd te triomfeeren, als Hoogepriester, die met eigen smetloos bloed voor de ongerechtigheid van heel een wereld boet. Hosanna den Propheet uit Nazareth! den Koning op 't jong der ezelin in stille machtbetooning! Hosanna 't Gods-Lam, dat Zijn haters niet verklaagt, maar voor Zijn moorders bidt, en hunne zonden draagt! Ja! ook ons Pascha is geslacht! kom, volk der Joden! en vier het met ons mede in de ongezuurde brooden van vrede in waarheid. Dat ons feest zich aan het uw, uw Paaschvreugd zich aan de onze in dankbre aanbidding huw'! het beiderlei verbond, alle onze erinneringen, van wederzijde elkaêr omhelzen en doordringen! Neen, wy vergeten niet, hoe met een sterke hand en uitgestrekten arm God uit Egipteland u uitvoerde en door 't pad van zee en wildernissen in Jacobs erfland bracht naar Zijn beloftenissen. Gy dan, ai! ken dien Heer, naar 't vleesch uw Stamverwant, den Goël, dien gy wacht! Aanschouw die sterke hand, ach! die zoo menigmaal herstel gebood en leven, ter naagling aan het kruis den Heidnen prijs gegeven! dien arm, zoo onvermoeid tot zondaars uitgestrekt in liefde, om dees Zijn liefde aan 't vloekhout uitgerekt! Waan niet, dat in dat kruis de kroon van uw Messias, - die kroon met zoo veel glans in 't lied der Jesaïas, den psalm der Ethans u getoond - zy opgegaan. (Psalm LXXXIX) Neen! Smadelijk gedood, maar vorstlijk opgestaan, wacht Hem de Christenheid, naar 't woord van Zijn getuigen, ten dage, die ten laatste u rouwend zal zien buigen, (Zacherias XII : 10 - 14) straks jubelzingen, voor den glorierijke troon van d' over Sions berg ten Vorst gezalfden Zoon van d' over alle vleesch van dáár beloofden Koning, ten dage van zijn komst in hemelkrachtbetooning om de aard te zuivren van haar ban en van haar wee, en 't rijk te vestigen der onverstoorbre vreê! Hoort, volkeren der aard! hoor, nakroost der Hebreeuwen 't gezicht door Daniël voor zes en twintig eeuwen vernomen en verklaard aan de oevers van d' Euphraat: (Daniël II en Daniël VII,). der Wèreldmachten lot en volgreeks naar den raad des Allerhoogsten! tot de dag zal zijn voldragen dier vijfde Monarchij, waaraan geen eind van dagen en heerlijkheid zal zijn, 't Rijk van den Menschenzoon, die de aard ten voetbank en de wolken heeft ten troon! Het groote Babel sliep of zwelgde, als in zijn droomen een schrikgestalte door den Koning werd vernomen: een beeld, het menschenbeeld gelijk, groot, forsch gebouwd, en schoon, - het ederl hoofd van uitgelezen goud, de borst en armen van rein zilver, de ijzren beenen, die 't koper van den buik en dijen steun verleenen, op voeten rustend deels van ijzer, deels van aard. En 't bleef, tot dat een steen, als in de lucht gebaard, op eenmaal nederkwam om 't alles te vermalen tot verr' verstuivend kaf: het beeld, zijn vier metalen en kleistof! maar de steen, gehouwen zonder hadn, werd over de aard een berg, voor de eeuwigheid bestand. De koning zag den droom. De Geest de Godspropheten deed Zijn verheven zin aan die Hem vreezen weten. Dat hoofd, van goud gewrocht, en schittrend als de zon, was Nimrods erfrijk-zelf, 't ontzachlijk Babylon. Het zilver was de macht der Persen en der Meden, met minderenden glans in Babels plaats getreden, dien nacht van Beltsasars verschrikking, toen de Euphraat door Coresch en zijn heir verrast werd en doorwaad. Maar ook dat zilvren rijk moest wijken voor een ander (het koopren) door het zwaard gesticht van Alexander, wiens Monarchij, weldra ontbonden en verdeeld, voor Rome ruimte maakte, in 't ijzer afgebeeld, als ijzer sterk en hard, - sints, voor een deel verdwenen, doch voor een ander deel voortlevende in - (de teenen van 't beeld!) - ons oud, ons nieuw, ons tusschen vrees en hoop by 't stormen dezes tijds reeds waggelend Euroop. Maar de afgehouwen steen, die ze allen zal verpletten, die over 't aardrijk onbegrensd zich uit zal zetten, wie is, wie kon die zijn, dan gy, gezegend Hoofd! der wereld uit een Maagd, geen zaad eens mand, beloofd van ouds! - dan Gy, de steen, die door de tempelbouwers verworpen by 't gejuich der hemelsche beschouwers, uit al uw smaadheên van de kribbe tot aan 't kruis gezet werdt tot den Hoofd- en gevelsteen van 't Huis! - dan Gy, die ('t is Uw woord!) eerlang zult nederdalen, der zonde heerlijkheên tot stuivend stof vermalen, en heerschen met Uw volk op heel dit wereldrond, den op den Heldraak met Uw bloed herwonnen grond. En nu! de Toekomst sprak, de raadsels van 't Verleden onthulden zich! zeg ons de roeping van het Heden, o Dichter! geef een woord, dat in de duisterheên der vragen van den dag een leidraad onzer schreên, een vastigheid moog' zijn by zoo veel slingeringen, waar duizend volks- en Staats- en heilsbelangen dringen om antwoord op 't gebied van handeling en plicht... Me te allen tijd het oog op 't Godlijk vergezicht, Zich door geen Tijdgeest en zijn dwaallicht laten leiden, doch van den Tijdgeest steeds den tijdloop onderscheiden! Met dezen aan Gods hand vertrouwend medegaan, maar d' andren in Gods kracht weêrspreken en weêrstaan! En voorts! daar is een stem voor die Zijn rijk verbeiden, een roeping om den weg des Konings te bereiden. In 't allerbinnenste des harten allereerst! (Zijn komst is welkom slechts, waar Zijn genade heerscht.) Van daar dan welgemoed naar buiten uitgetreden! Eens Heilands naam en woord verkondigd en beleden! Betuigd van ver en van naby, het woord van God: Aan Neger en Javaan, Bramien en Hottentot, aan die ten leven uit de dooden uitverkoornen, thands afgedreeven nog, gevangenen, verloornen! Gord, Christen! gord u! ja, schiet ijzervleugels aan om, op uws Heeren stem, naar de einden op te gaan der aarde, of met uw hart, uw schatten, uw gebeden, den dienstknecht van uw Heer in liefde op zij' te treden, te dienen, ja, of 't waar, van verr' naby te zijn, - 't zij 't kroost, van Zinzendorf uit Groenlands ijswoestijn naar 't heet Guiana trekt, om zielen te bevrijden ook dáár, en aan den slaaf zijn vrijheid toe te wijden, - 't zij Gutzlaff, ongedeerd door moord- en zeegevaar, zich wegen opent tot Japanner en Tartaar. en inrukt met Gods woord op Chinaas millioenen, des Tarsers bede in 't hart: „laat u met God verzoenen!"- 2 Corinthiërs V : 20 't zij elders Casalis, bezield door Pinkstergloed, zijn tent bouwt in 't bereik van brullend roofgebroed, en de Afrikaansche kaap op 't hart van kannibalen het woord des kruises, dat Hy sprak, ziet zegepralen! Of wilt gy naderby? betoon aan Jacobs zaad uw uitzicht op de Hoop zijns voorgeslachts, en laat, vernomen uit uw mond, het onderscheid der tijden van zijn Messias rijk, van zijn Messias lijden, klaar worden voor zijn oog! - Gun aandacht aan de stem. van Wichern uitgegaan met de onmiskenbre klem dier herderliefde, die in holen en in hoeken, nog nooit bezocht misschien, 't verdwaalde schaap gaat zoeken - Bouw scholen, in wier schoot het Evangeliezout uit By- en Ongeloof een dierbre jeugd behoud'! Aan 't roer van Staat, in Staats- en Raadsvergaderingen geroepen, in de rij van die den troon omringen geplaatst, of op de baan van wetenschap en kunst, verloochen voor Gods zaak der menschen lof of gunst Ontdekt 't ongoddelijk en onhistorisch woelen van wie, met half verward of reeds bestemd boedelen, de bron verplaatsende van Recht en Majesteit, Gods ordning omkeert en de natiën verleidt. Op alle hoogten, alle sterkten, alle bergen, wier stoutheid in onze eeuw den hemel schijnt te tergen, plant, op geen voorrecht meer dan Christus smaadheid fier, met onbezweken trouw alom Zijn heilbanier! Schenk ons, onmachtigen, o God van Alvermogen! de krachten des geloofs, Uw geest van uit den hoogen, by 't daavren van de stem, terwijl Uw rijk genaakt: „Ontwaakt, gy slapenden! en, reeds onwaakten! waakt." 1850. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) D A V I D. 2 SAM. XXIII : 1. David de zoon van Isaï zegt, en de man, die hoog is opgericht, de gezalfde des Gods van Jacob en de liefelijke in psalmen Israëls zegt: 'k Ben jong geweest, 'k werd oud. Uw goedertierenheden, o God! zijn in mijn hart, de toekomst en 't vooleden omvattend. 'k Zal ze t' zaam tot aan mijns levens end verhoogen. Maak mijn tong ze stervend nog bekend aan 's werelds laatsten dag, aan 's aardrijks verste perken! 'k Zong, jongeling en man, de grootheid van Uw werken, de wondren van Uw arm, Uw schepping, Uw gebod, - Uw heilgeheimnis, o mijner vaadren God! Naar U mijns harten dorst, o Hoorder der gebeden! Uw wegen, by het licht van Uw weldadigheden, Uw paden in den nacht van rampspoed, smart en schand. o! Laat in d' ouderdom, laat, galmend van den rand des grafs, mijn jongste lied nog van Uw daden spreken en koninklijke gunst, nooit van mijn hoofd geweken van dat Gy zegendet mijn slinger en mijn zwaard, en deze harp vooral, my meer dan schepters waard. Ik leerde vroeg Uw naam, o God mijns levens! loven. Grootvader Obed wees mijn kindschheid reeds naar Boven, met de onvermengde melk en honig van Uw woord my lavende op zijn kniën. 'k Heb uit zijn mond gehoord het eerst - straks naverteld, hoe op Uw woord de gronden der wereld, op Uw wenk de aloude bergen stonden, - hoe ge Adam vormdet tot een levendige ziel, gelijknis van zijn' God, en hoe hy, schuldig, viel. Maar, ook gevallen, had Uw hand hem niet begeven, in 't Zaad der vrouw doet Gy zijn heerlijkheid herleven! Daar komt een Goël voor het kroost uit Abraham, der volkren Silo in een Leeuw uit Judaas stam, als dit Ephráta meê, zy onder Judaas vlekken de kleinste, (zy kan 't zijn?) der volkren oog zal trekken. En ik, overdacht in de eenzaamheid Uw wet, 'k vernam haar diepen zin by kinderlijk gebed, en - licht en troost en moed en onbeschrijfbre krachten doorstroomden me uit die bron, als allerlei gedachten, vermenigvuldigd in mijn binnenst, vaak de rust verbanden van mijn sponde, - als op Uw dienst belust mijn hart zich wegen dacht om zich Uw volk te wijden, voor de eer mijns Gods, voor de ark mijns Konings, smaad te lijden getroost, verheugd. - Wat hoorde ik, om die droomen, van mijn broeders niet al schimp? Ach! als mijn Vader dan (ook hy!) den driesten knaap te rug wees naar de weide der schapen met een wenk, - ja, als my vader beide en moeder tegen was, ontfing uw oor mijn kracht, en Gy, ten antwoord, gaaft my psalmen in den nacht. Dan zong ik - van een glans ver boven deze heemlen waarin de maanbol drijft en gouden sterren weemlen, den glans dier grootheid, die zich inlaat met onze aard en uit der zuiglingen mond zich lof vergaârt. Heer, onze Heer! Uw liefde, Uwe almacht, kent geen palen. Gy doet ze aan al wat leeft door al wat is verhalen. En wie zijn wy? wie zijn Uw menschenkindren, dat ons gadesla Uw zorg, Uw gunst ons waardig schatt' een lot een heerlijkheid, slechts voor een wijl beneden uwe Englen, straks verhoogd voor glansrijke eeuwigheden ver boven 't Englendom. - Gy hebt de Koningsrecht hem in de verten van Zijn toekomst toegezegd, wien Ge over 't maaksel van Uw handen hoog zult zetten, wen, aan de voeten van dien Menschenzoon, Zijn wetten zal eeren al wat leeft en ademt en bestaat, van waar de zon ontwaakt tot daar zy ondergaat. (Psalm VIII naar de opvatting van den Apostel Hebr. II : 6 - 9 en 1 Cor. XV : 27. ) Ik zong, en 't was my vaak of 'k Englen hoorde luisteren en over Bethlehem by harpgetokkel fluisteren in wondren weêrgalm op mijn tonen: „Vrede op aard!" En ziet! op eens - ik had mijn oogen moê gestaard op 't lichtend firmament, by beurten, en de kudde mijn zorgen toebetrouwd! - daar ritselde 't en schudde in 't naastgelegen woud, en 'l zag - een ruigen leeuw zich duikend storten op het ooilam, met een schreeuw die me opdaagde als de kreet der wakkre dagherauten den landman, of gelijk Gods helden zich verstouten, by 't knallen der bazuin van krijgsmoed overstort. Mijn hart sprong op, ik voelde op eens my aangegord met Simsons wonderkracht! en dees mijn armen braken (de sterkte is Uwe, o Heer!) de wijdgesparde kaken des roovers, tot hy lag. Straks op gebogen kniên den God der krachten, die Zijn heil my had doen zien, aanbiddend, riep ik uit: „ Wie voor Isrels schapen, wie voor Uw kudde, o God van Jacob! eens te wapen geroepen, in dien strijd met meer dan leeuw en beer zich meten mocht, en aan de spits staan by het heir van Judaas duizenden! of dienst doen hem ter zijde, wien van uit Benjamin Uw heilige olie wijdde! Ja, wie van Saul mocht een wapendrager zijn, en onder zijn banier verwaten Philistijn en wreeden Ammoniet nog helpen nedervellen, of zijner zonen een' op tocht aan tocht verzellen!" Dus sprak ik in een vlaag en mengeling van smart en dankbaarheid en hoop. En 'k zweeg, diep in mijn hart bewarend, met nog meer mijns zielsgeheims te zamen, Mijn zege op leeuw en beer - tot dat Gods tijden kwamen! Zy kwamen - met wat eer en schittring nooit gedacht, wat Godlijk trouwbetoon aan Boöz nageslacht! - Op my, van Boöz huis den minste, herdersjongen nietswaardig in het oog van allen, en doordrongen van nog veel dieper niet in eigen oog, voor God, - op my, wien naast mijn harp en herdersstaf geen lot begeerlijk scheen, dan ja! een zwaard hanteeren, om slavernij en smaad van Jeschurun te keeren, maar niet met koningen, met grooten in den Staat mijn deel te hebben of te zitten in hun raad. En toch het was aldus, het bleek Uw welbehagen weldra, dat David eens de herderskroon zou dragen en weiden in Uw gunst, - gelijk de schapen van zijn vader, - zoo Uw volk van Berseba tot Dan. Hoe staat die wondre dag nog voor mijn scheemrende oogen, toen op het eenzaam veld, aan aller blik onttogen en zuchtende tot God mijn Rotssteen, Jesses hand my t' huiswaart wenkte op eens ter plechtige offerand en feestmaal, straks verbaasd tot Romaas Ziender leidde; en 'k hoorde als in een droom zijn woorden als hy zeide: „De Heer heeft dezen zich verkoren uit uw zaad." (1 Samuël XII : 12) Daar stond ik voor den man, Uw dienstknecht, - zijn gelaat den worstelaar teeknend, die met tranen en gebeden genâ zocht nacht by nacht voor de ongerechtigheden van 't volk dat hem verstiet, - den Richter zonder blaam, wien Ebenezer prijst en Gilgals hoogten t' zaam. (1 Samuël VIII : 8 - 12 , 1 Samuël XI : 15 en 1 Samuël XII : 1 - 5) en hy, hy zag my aan met vaderingewanden of 't waar, en strekte lang de palmen zijner handen omhoog en over my. Toen zalfd hy mijn hoofd met olie, in den naam zijns Zenders hoog geloofd, met zalf, niet slechts mijn baard en kleederzoom besproeiend, maar, als des Hemels daauw van Hermons toppen vloeiend, des harten binnenst overstelpend met een zacht en zalig zelfgevoel als van des Heeren kracht; - en 'k kende me op dien stond volwassen man en koning, doch koning, tot geen glans vooreerst van machtbetooning geroepen, maar tot kamp en menig zuren gang in lange ballingschap en doodsnood jaren lang, - tot dat me, o Heer! Uw trouw en Godlijk alvermogen als Uw gezalfden knecht op Sion zou verhoogen. Tot Bethlem middlerwijl kwam menig vreemd verhaal van Saüls somberheên en ondoorgrondbre kwaal en boozen kwelgeest, die de plaats had ingenomen van heldenblijdschap als zijn hart plach te overstroomen in 't barnen van den strijd, of wen met dankbren groet de stammen al te zaam hem juichten in 't gemoet, voor wiens gevelde spies hun haters bevend vloden. Doch welk een oogenblik op nieuw, als koningsboden verschenen in ons vlek en Jesses jongsten spruit bevel kreeg in der ijl te volgen! Harpgeluid en zang (dus spelde een stem aan 's konings hof) zou de ooren des lijders voor een wijl verkwikken en bekooren niet enkel, maar zijn leed bemeestren, en den nacht gevallen op zijn ziel doen wijken voor de kracht van 't loflied God ter eer. En 'k ging, meer opgetogen van stille blijdschap dan verbaasd, dat dees mijn oogen den Koning zouden zien in 't midden van zijn stoet. Ja 'k ging, de vreugd der hoop in 't biddende gemoed, verzekerd, o! dat op den toongalm van mijn snaren de vijandelijke macht haar prooi zou laten varen. Mijn harp! waaktet op. Gy loofdet, o mijn lied! den Heilige Isrels in Zijn wondermacht. En ziet! gy mocht in zijn toorn hem neder. 'k Zag zijn trekken ontspannen, 'k zag voor 't eerst den vorstelijken blik van 't naamloos angstgevoel, den onbestemden schrik weêr vrij, aan huis en heir bevel en richting geven. Ik zag den koning in zijn schoonheid, hoog verheven met heel zijn edel hoofd en schouders boven al wat óm hem zich bewoog. Der jaren klimmend tal doet nog het grootsche beeld niet aan mijn ziel ontglippen. Nog staat het vóór my, als ten dage toen de slippen zijns mantels in mijn hand al d' eerbied, al de trouw, verschuldigd aan dat hoofd, met kloppend naberouw herleven deden in dees boezem, steeds doordrongen van 't lot des Eedlen, in zijn dood door my bezongen! (2 Samuël I : 17 - 27) „hoe zijn de machtigen gevallen, - hoe, een smaad by Gath en Ascalon geworden ons sierraad! Gilbôa! aan uw kruin zij nooit meer daauw of regen gegund, waar in hun bloed de helden nederzegen, het zwaard des veldheers, ach! naar eigen borst gekeerd, - de boog van Jonathan voor altijd ligt ontspannen! Te zamen sneefdet gy, o bloem der ooglogsmannen! Vereenigd in den dood, beminden! ligt gy dáár, die ge in uw leven waartm een moedig leeuwenpaar of tweetal arenden, de schrik der duizendtallen. Hoe zijn de machtigen in Isrel, ach! gevallen!" Maar de onvergeetbre tijd, die me aan des konings hof voor 't eerst naby bracht, had nog eindloos ruimer stof van weemoed aan mijn hart, van diepe nagedachten gelaten aan mijn jeugd. Mijn slapelooze nachten hernieuwden telken reis de droomen van den dag voor mijn ontsteld gemoed, en alles wat ik zag; het zij mijn oog van verr' die minlijkste aller vrouwen, des konings dochteren bewondrend mocht aanschouwen, 't zij met des konings zoon mijn ziel, van d' eersten stond alreede, in wensch en zucht zich in 't geheim verbond tot wapenbroederschap, die eerst later tijden zich openbaren moest in voorspoed, kamp, en lijden, - een liefde sterker dan de dood! Maar op dat pas gaf niemand acht nog op den herdersknaap, en was slechts kort in Saüls huis zijn harp en zangvermogen der grooten aandacht waard. Het wèl geslaagde pogen werd met een woord erkend van hoofschen lof en eer. Des konings lijden week. De jongling keerde weêr naar 't ouderlijke veld, en weidde op nieuw zijn schapen. Hoe was 't me aldaar te moê, wen door zijn vorst te wapen gevorderd, Israël zijn weerbre mannen zond uit al de stammen in oud-broederlijken bond den vijand te gemoet, Pasdammim ingetrokken; - (Het Ephes Dammim van 1 Samuël XVII : 1 schijnt 1 Chron. XI : 13 Pasdammim genoemd te zijn.) toen van mijn broeders mede een drietal onverschrokken en juichend naar hun aart, zich spoedde tot het veld. Wat tranen smoorde ik by dat afscheid! wat geweld deed 'k worstelend my aan, om niet mijns vaders woning en weide en kudde en 't al te ontsnellen, en den koning de dienst mijns arms te biên. Hoe gretig ving mijn ziel straks alle tijding op die ons te beurte viel van Sochoos legerkamp. o Leidsman van mijn leven! Was 't niet van U, als voorts de boden achterbleven? van U niet, als me in 't eind (o nooit vergeten stond!) mijn vader in zijn angst naar 't dal der Eiken zond (1 Samuël VII : 10) naar mijner broedren en des legers welstand vragen? Geen voeten schenen my maar vleugelen te dragen, als 'k ijlde op dat bevel. Ik voelde, een nieuwe dag was me opgegaan van U, mijn Levenszon! en 'k zag, als in een vergezicht, Uw aartsweldadigheden, een Godsrivier gelijk, haar strooming reeds verbreeden. en als de golven van een vollen oceaan my dragen, my ter zijde en voor- en achtergaan. Wie zal ze zeggen? wie heur menigte vermelden, van toen die vreeslijkste der Philistijnsche helden door 't steentjen van de beek geraakt werd uit een hand, te nietig in zijn oog, en reutlend zonk in 't zand; - van dat op Saüls wenk, in telkens nieuwe tochten, met telkens nieuw geluk besprongen of bevochten de aloude vijand-zelf voor Davids prinslijke echt den bruidschat leevren moest, een koning voorgelegd, - (1 Samuël XVIII : 25 -27) tot wen des jonglings lof, vermetel en ontijdig in 't vrouwlijk lied vervroegd, als met zijn rechten strijdig den Heerscher argwaan gaf, des Veldheers toorn ontstak, in 't vorstlijk huisgezin de liefdeketen brak. Eerlang, en 'k moest, miskend en weerloos, om mijn leven èn huis èn gemalin èn Jonathan begeven, en zoeken, zwervend, heil by norsche vreemden, neen! by d' eigen Philistijd, zoo roemvol eens bestreên. Gy zaagt, o Heer! wat in die nachtelijke dagen uw fel vervolgde knecht van jammer om moest dragen, van Isrels tenten, van Uw tent en heiligdom en offerplechtigheên verwijderd, - met een drom van uitgestootnen, als hy-zelf, het land doorkruisend, dan eens van plek tot plek door Saül met zijn duizend benaauwd of opgespoord; dan kampend met gebrek, met oproer, met verraad, dan weêr op Amalek, dien hater Israëls van ouds, den aanval wagend, of wel den Gesuriet met staâgen oorlog plagend; maar Isrels herders steeds beschermend met ons zwaard. In allen dezen heeft me Uw rechterhand bewaard, o Heer! geen haar mijns hoofds ter krenking prijs gegeven aan Saüls lagen, als hy dorstte naar mijn leven, aan Doëgs snooden haat, aan Nabals steenen hart; veeleer, na elken smaad of doorgekampte smart mijn hoorn verhoogd te meer, mijn haters laag doen zinken of van Uw heilge wraak den beker ledig drinken. Engédi, Maon, Ziph, getuigen van dien God mijns heils! en gy vooral, Gy Ziklag! waar mijn lot een keer nam onverwacht, als zelden de eeuwen zagen, of schrijvers boekten ter gedachtnis, in de dagen toen deze kruin, den dood nog pas der steeniging ontgaan, uit Judaas hand de koningskroon ontfing. (1 Samuël XXX en 2 Samuël II : 4) Heel Isrel volgde eerlang! ik zag de heirbanieren van 't twalefstammig volk mijn troonsbestijging vieren. 'k Zag al wat Saüls was geweest, met heel zijn zaad gegeven in mijn hand. 'k Zag, meester van den Staat, te midden van een staf van drie en dertig helden, wier wedergade licht geen natie meer zal melden, onze oorlogsfaam gevest, - door wapenfeit aan feit de grenzen van het land versterkt en uitgebreid, den Syriër verneerd, - met Edom aan mijn voeten den Moabiet in 't stof de alouder vete boeten, - onteigend Jebus stam, en Salem in mijn macht, - op Sions hoogten de ark des Heeren opgebracht, en, als mijn hand dien God een tempel dacht te stichten, (voor Salomo, mijn zoon, thands de eerste zijner plichten,) het voorrecht my ontzegd, maar tot in eeuwigheid een Redder uit mijn huis aan 't menschdom toegezeid. En daarom zullen U verheerlijken mijn psalmen en van Jehovaas naam een wereld doen weêrgalmen, neen! by geen tent van Sem, geen spraak van Canaän beperkt, maar uitgebreid tot eindloos verder dan ooit Tyrus heeft vermoed. Een volk, nog ongeboren, zal door zijn harplied Uw verheven daden hooren, en met my zingen van de wondren die Gy wrocht, als Ge aan Mitzraïms goôn Uws volks ellend bezocht, of Isrel vestigdet in Palestinaas steden, - en van Uw wondren ook aan my, die tot dit heden, met U, geen berg ontzag, door dichte benden drong, door diepe waatren ging en over muren sprong. Ja, hooren zal heel de aard en millioenenmalen haar einden, eeuw aan eeuw en dag by dag, herhalen 't akkoord der hoogten van Uw heilgedachten, en - der diepte van mijn val en misdrijf, Ja! ik ben in ongerechtigheên geboren, en in zonde ontfing mijn moeder my, 't Voel 't snerpen van de wonde (ook by de heelkracht van Uw balsems, trouweGod!), de wonde die Uw knecht in schuldig zingenot en zondes dronkenschap zich-zelven heeft geslagen op dien onzaligsten, dien grouwzaamsten der dagen, toen de oorlogsman, verstrikt in zelfgekozen rust, aan sterker vijanden zich prijs gaf onbewust, dan waar voor Rabbaas vest zijn helden tegen streden, - toen op het dak, ter sluik, den wandlaar ingegleden in de onbewaakte borst zijn schrikbren intrek nam!... ach! om den valschen gast te onthalen, werd het lam, het ooilam van den vriend, den eedlen wapenbroeder, geroofd; straks door dien roof te stouter, te vewoeder, dwong de overweldiger een tweeden gruwel af, des overspelers schand ter dekking en ter straf. Neen! woorden zijn er niet voor wroegingen en smarten als die ik sints doorstond. Doorgronder van de harten! Gy kent ze die ik leed! rechtvaardig, neen, te zacht veeleer - maar in Uw toorn hebt Ge aan genâ gedacht! G weet het, Gy-alleen, zoo lang dees lippen zwegen mijn ongerechtigheid bedekkend, wat al wegen ik uitdacht, om, kon 't zijn, te ontkomen aan die vraag: „Waar zijt gy, Adams zoon?" en dan eens, in een vlaag van krankte of razernij mijn doodschuld om te keeren, dan weder, opgegaan in 't heilig huis de Heeren met ongeheiligd hart, by psalmen en gebeên, by tabernakeldienst en offerplechtigheên, te ontkomen aan my-zelf, my-zelven te vergeten, of mooglijk! by die taal eens Satans mijn geweten te harden: - dat de man, wien God verheven had, uit kracht van koningsrecht Gods ordning overtrad! voor 't minst, geen moorder was als andre moordenaren! Maar mijner beendren merg verouderde, mijn haren vergraauwde middlerwijl, mijn sappen droogden op, de krankheid mijner ziel steeg kankerend ten top; - toen deedt Ge in Davids oor, o God! den donder knallen van dat verplettend, ja! dat op den diep gevallen' ter brijzling neêrgeslingerd woord: „Gy zijt dien man!" mijn vonnis te gelijk en 't einde van mijn ban. Want de ader was geraakt, des zondaars tranen vloeiden van uit des harten wel by stroomen, en besproeiden den voetbank van dien troon, door eeuwig recht gestaafd. Mijn nieren in mijn schoot beleden! - Gy vegaaft. o Liefde, o heiligheid, die d' overtreder spaarde, maar aan zijn zonde-zelf een eeuwgen krijg verklaarde! Laat eeuwen zonder eind d' ontzachelijken stond verhalen, hoe 'k aanbad, - hoe door een zelfden mond my aangekondigd werd vergifnis en kastijding, vergifnis onbegrensd, maar tevens van de ontwijding der gaaf, der gunst, des volks, des naams van Jacobs God een onverdelgbre vrucht voor heel mijn oovrig lot op aarde. 't Bloedig zwaard zou van mijn huis niet wijken, mijn vaderhart van rouw, van schande, vaak bezwijken, by 't sterven, neen! veel meer by 't leven van een zaad, om ontucht, om geweld en doodslag, om verraad, befaamd in Israël, tot dat ik-zelf moest vluchten, meer dan van Saül ooit, veroordeeld thands te duchten van u, mijn Absalom! o nog te dierbre zoon, ter kwader uur, helaas! zoo schittrend en zoo schoon! van u, op wien mijn recht zoo schrikbaar moest gewroken, toen met uw hart het mijn door Joab werd doorstoken, den wreedaart, die my dwong met opgeklaard gelaat te staren op den zoon, het offer van zijn haat! o Heer! Gy hebt ook dus Uw boetling niet begeven! Gy, eeuwig trouw, tot in dien avond van zijn leven zoo dreigend somber soms, zijn rechterhand gevat, zijn klachten niet versmaad, wanneer hy tot U bad en riep uit diepten van ellenden! Gy, zijn paden verhelderd keer op keer! Gy, door steeds nieuwe daden beschaamd zijn haters, en geen kroost van Jemini doen juichen over hem, - den vloek van Simeï, (2 Samuël XVI : 1 - 14) den raad van Bichri's zoon niet aan zijn ziel volbrengend. (2 Samuël XX : 1, ev.) Neen! maar zijn levensdag en heerschappij verlengend, hebt Gy zijn hoofd, zijn troon, van d' ondergang bewaard, de aloude zege steeds doen kleven aan zijn zwaard, - voorts, op zijn loopbaan, voor te vaak ontvallen vrinden Barzillias in de nood en Ornans hem doen vinden; (2 Samuël XIX : 31, ev. 2 Samuël XXIV : 18, ev.) en zoo ten jongsten schok in mijn bestormde ziel, met Joab aan de kroon ook Abiathar ontviel, Bénaja my voor d' een', voor d' ander Zadoks wijsheid der jeugd van Salomo en Davids late grijsheid ten stut en steun verleend; toen van Adonia, (1 Koningen 1 : 5 - 8) zijn broeders Absaloms beklaagbre wedergâ, de stoutheid werd gefnuikt. - Bij al die wisselingen bleef steeds mijn harp besnaard. 'k Vond krachten om te zingen in dees mijn levensherfst, min glansrijk, als te zeer mijn lente was misschien! maar vruchtbaar des te meer in zielsbevinding van Uw gadelooze wegen, Uw wijsheid in de diepte. o! Lof en dank Uw' zegen, dat in des konings leed de zanger niet bezweek, en nooit Uw Heilge Geest van zijn akkoorden week. En thands! daar schonkt Ge op nieuw by d' uitgang van mijn leven, o God, me in liefde en trouw dezelfde steeds gebleven! loftonen aan mijn harp. Had lang genoeg een kroon mijn hoofd omschitterd vaak omklemd? ik zag mijn zoon, (Jedidja, lieveling Gods was naar Uw welbehagen, (2 Samuël XXII : 24 en 25 zijn toenaam van der jeugd), in spijt ván hinderlangen en haters om hem heen ten koning ingewijd, de stammen met gejuich U lovend wijd en zijd. (1 Koningen I) 'k Heb voor Uw aangezicht of 't waar tot aan den drempel van d' op Moriaas top haast op te trekken tempel zijn jonglingsschreên geleid, mijn schatten in zijn hand, uw zegen op zijn hoofd gelegd, ten onderpand voor hem, voor heel zijn volk, van Uw beloftenissen, waarvan geen sprank, geen stip, haar uitkomst ooit zal missen. Doch welk een wedergalm uit hooger streken spreekt van dingen tot mijn geest, als nimmer afgesmeekt door menschen, of in 't hart eens stervlings opgestegen? By geen verganklijk zaad eens zondaars, by geen zegen Voor Isrel, by geen troon voor Palestyne alleen, bepaalt de rijkdom zich dier heilverborgenheên! Een meer dan Salomo, gesproten uit mijn lenden, gaat op, het licht gelijk, des werelds uiterste enden bestralend met een zee van heerlijkheid. De ster van Jacob wijst het pas aan volkren, die van ver zich haasten om de komst diens Redders te begroeten, en meer dan Schebaas goud te leggen aan Zijn voeten! Een schaar van koningen en wijzen werpt zich neêr, Zijn wet aanvaardend of verstommend voor Zijn leer. Maar d' onderdrukten zal Hy zijn gelijk een regen, die 't late gras begiet, verkwikkend neêrgezegen! En zeegnen zal men Hem, zoolang van zon en maan aan 't hemelsch firmament de wissling zal bestaan. Neen! aan geen andre aldus van Uw gezalfde knechten, geen' menschenzoon als Hem, gaaft Ge ooit, o God! Uw rechten! - En toch! by al dien gland van goedheid, grootheid, eer, ook lijdenskelken, Davids Zoon en Davids Heer! Uw deel? Ja, 'k zag den held in diepe waatren zinken en bodemlooze slijk. 't Zag, afgemat, Hem drinken op 't slagveld uit de beek na 't slaken van een kreet (Psalm CX : 7 van meer dan jammer, meer dan overstelpend leed, gelijk in 't felst der smart geen David immer kende, maar (mooglijk!) in een stond van namelooze ellende slechts voorgevoelen kon 'k Zie straks na dezen nood (Psalm XXII : 1 , Mattheus XXVII : 46) Hem neêrgelegd in stof en banden van den dood; -- maar ook aldaar zal geen verderving ondervinden Gods Heilge, graf noch hel Zijn overschot verslinden, wien vreugdverzading aan Gods rechterhand verbeidt, en lieflijkheden zonder eind van heerlijkheid, - (Psalm XVI : 7 - 11) waar, neêrgezeten in gewijde krachtbetooning naar Melchizedeks wijs als Hoogepriester-koning, Zijn schepter over de aard Zijn vijanden beheerscht. Looft, looft dien Heerscher! Loof Hem, Isrel! gy het eerst op tempelcithers en cimbalen! Looft, o volken der wereld! met Zijn volk, Hem wien Ge op 's hemels wolken (Zijn wagen!) op den dag Zijns heils aanschouwen zult. - De psalmen Davids, des zoons Jesses, zijn vervuld! * * * De Geest des Heeren heeft door my gesproken en Zijne rede is op mijne tong geweest - II Samuël XII:3 Ja, zanger! ziener in den geest! Gods rede is in uw mond geweest tot by uw jongste harpakkoorden! Met hen werd heel het aardrijk rond aan 't menschdom vrede en heil verkond tot aan des werelds verste boorde. En wijken zal het wijd heelal eer dat een stip ter aarde vall' van 't geen beloofd werd uit uw lenden. En meer dan zevenvoudigmaal zal heel de aloude orakeltaal uit die belofte zich volenden! Aan Davids Zoon, aan Davids Heer lof en aanbidding, eeuwige eer, by heel Zijns volks Hosanna-galmen, waarvan is Bethlehem der Englen vreugdestem den aanhef hooren deed in loutre hemelpsalmen! 1851. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) DES DICHTERS LOTBESTEMMING. Vulnus alit venis et caeco carpitur igni VIRGILIUS. Voorafspraak: „Des Dichters Lotbestemming." Wie zijt ge, gunsteling des hemels, aan wiens oog geheel een wereld hangt, als de invloed van omhoog in menschelijke aderen dat hemelsch vuur doet vloeien, waarvan uw adem brandt, waarvan uw tonen gloeien! wiens enkel stemgeluid met onbeperkter kracht zich uitbreidt, dan 't geweld der waapnen, dan de macht der scherpste dwinglandy! Want gy regeert op zielen, en wat een hart bezit, moet voor uw almacht knielen! Wie zijt ge, o dichter! mensch of Engel? Engel wis! indien der Englen taal der Englen kenmerk is! Of mensch? O dan voor 't minst gelukkigste der menschen! begaafd met hooger heil, dan 't doel zelfs van hun wenschen, als zy den glans van roem, van aanzien, rang en goud afsmeeken van het Lot, en zich hun mond verstout aan de Alvoorzienigheid de wegen af te perken, waar langs zich 't levensheil zijns schepsels moet bewerken! Neen! Dichter! Neen, gy deelt in hun verblindheid niet! Dier driften heerschappij is vreemd aan uw gebied! Te vreê met in uw borst der Godheid aâm te ontfangen, en dien met heel uw ziel te storten in uw zangen, kent gy noch hooger gloed, noch d' aanval van de smart, en 't heil der wereld woont in uw gelouterd hart! Het heil der wereld? Ja! In die volzaalge stonden (Te vluchtig), wen de geest als van het stof ontbonden weêr naar zijn oorsprong trekt, en 't wereldsche gewoel van om hem heen verdwijnt en plaats maakt voor 't gevoel, wiens zaligend geweld hem wegsleept; idealen van schoon- en waarheid uit de hemelkringen dalen, de aloudheid zich herschept, de toekomst zich onthult! O heilig dan de vlam, die 'dichters hart vervult, en voor een oogwenk, ja! de weelde leent der Engelen, als ze in den aanschijn Gods hun lofgezangen mengelen! O! voor het hemelsch licht, dat deze vlam verspreidt, vervliegt de duisternis van drieste onwetendheid, en bleekt de scheemring weg van ingebeelde kennis, waar de afgevallen mensch zich meê tot heiligschennis en eigen jammer heeft gewapend. Dichter, gy geniet dien heilstaat reeds, door 't woord der profecy aan 't menschdom eens beloofd, wanneer de nietigheden der aarde voor 't genot van 't ons herwonnen Eden bezwijken zullen, en voor blinden eigenwaan het wezenlijk geluk by 't menschdom zal bestaan! Maar ach! Niet altoos blaakt die toovervlam in 't harte! Ook gy, o dichter! werdt voor de aardsche levenssmarte! Door 't lichaam zijt ge meê aan 't doode stof verwant, en tegen d' invloed van een God in 't niet bestand! Voor dierlijk zijn gevormd zou 't in dien gloed verteeren, of 't grove lichaam moest in 't fijnste weefsel keeren! Zoo breekt die droom dan af (die waarheid eens zal zijn!) wiens weldaad, machtiger dan ziel- en lichaampijn, u inwijdt in 't besef van leven. Ach! te spoedig ontglipt hy u, en gy, verlaatne, die zoo moedig de ziel verheffen dorst tot heemlenheilgenot, gy zinkt weêr in ons niet, gy deelt weêr in ons lot...... Helaas! des werelds heil omvat uw hart niet langer! Maar meerder nog! dat hart, van andre zuchten zwanger dan de aarde kan voldoen, en aan zich-zelf bewust van hooger vatbaarheên, en van verheevner lust, vernoegt zich met geen praal van grootheid, met geen logen der zinnen. Hemelsch heil zweeft voor uw sterflijke oogen, verbeelding stookt de vlam van uw verlangen aan en de aard heeft niets meer dat voldoening schenkt, 't bestaan geen oogenblik genot, dan slechts de zielvervoering der Dichtkunst, de eigen bron dier steeds vernieuwde ontroering! O treurig strafverblijf van Adam en zijn bloed, dat nog voor 't eerst vergrijp van d' eersten vader boet! Toneel van gruwelen, van onrecht, leed en plagen! hoe kwelt gy 's dichters geest! Hoe diep is hy verslagen by 't jammerlijk gezicht der strenge wraak van God! Zijn oogen schreien bloed by 't diep vervallen lot van Edens ballingen. Ach! waar hy de oogen wende, wat ziet hy, dan het merk van misdaad en ellende? Waar bleef dat wezen, naar zijns Scheppers evenbeeld geschapen, dat den rang der Geesten heeft gedeeld? Wien 't alles hulde bracht als Opperheer der aarde? Die Engelenvernuft aan kindrenonschuld paarde? Waar bleef dat hemelsch schoon van lichaam beide en ziel? Waar bleef hun kracht? Hun glans - Helaas! dat wezen viel! 't Vergat zijn God, zich-zelf, zijn vroeger heil en grootheid, en 't menschelijk harte werd het heiligdom der snoodheid, het menschlijk lichaam tot der wormen aas bestemd! Sints heeft een ijzren doem des geestes vlucht gestremd, als hy naar hooger tracht dan de aardsche schijnvermaken! Hy blijft, gevallen eens, zijn afkomst steeds verzaken!...... En gy, o dichter! zoudt niet treuren? Gy, wiens oog nog soms doordringen mat wat zegens van omhoog op 't nog onschuldig hoofd des menschdoms moesten dalen, die thands niet anders zijn dan blinkende idealen! Neen! 't treuren past u, en de toon der droefnis 't eenig troostgevoel by zulk een wreed gemis! Zoo is die boezem dan, zoo fijn-, zoo diepgevoelig, steeds somber en bedrukt, steeds onbestemd en woelig in 't rustloos haken naar een meer dan aardsch genot! Ach, onverschulligheid is vreemd aan 's dichters lot! Als 't needrig beekjen niet, wiens golfjens zachtkens klotsen, maar als de woeste stroom, die neêrschuimt van de rotsen, zoo vloeit een eedle drift zijn kokende aders door, het zij de plicht hem roept, om lijdende onschuld voor te strijden, en 't geweld van onrecht en verdrukking manhaftig weêr te biên; 't zij teedrer zielsverrukking zijn hart vermeesterd heeft, en hy zich-zelf verliest in de aangebeden vrouw, die hem de liefde kiest! De liefde?...... Zoo bestaat er heil nog voor den dichter? Aanminnig, machtig kind, om eêlste welluststichter, wien de oudheid Venus gaf tot moeder! was zijn borst ooit voor uw invloed koel? Of kon de heete dorst, verwerkt door uw kwetsuur, ooit boezems meer verschroeien, dan waar uw tooverschicht poëeten deed ontgloeien! Strooi gy dan rozen op zijn doornig levenspad! Wat ooit dit dorre stof nog hemelsch in zich had, dankt u het menschdom! u verheffen 's dichters tonen! U golft zijn wierook toe! Gy kunt die hulde loonen! Om u versmaadde hy een halven leeftijd smart, en op uw gunst alleen hoopt zijn gefolterd hart! Maar ook uwe ongenâ heeft hy te vaak te duchten! O! vlijmend is uw schicht, wanneer de vuurge zuchten der min verwaaien, en een lot, ondraaglijk wreed, ons hart van 't voorwerp scheurt, waar voor 't zich-zelf vergeet. Wat kweelt gy, Puikpoëet, die door Vaucluses dreven uw nagedachtnis door de eeuwen heen ziet leven? Wat kweelt ge, als 't vogeltjen dat om een gade schreit, en stort uw roerend lied met sombere achtloosheid? Slachtoffer van een min, zoo rein, zoo zielverheffend! Wie deelt niet in uw smart, meer dan uw kunst nog, treffend? Ach! de aangebedene mag nimmer de uwe zijn! Het leven heeft gedaan, voor u, Petrarca! kwijn in smeltend klagen weg, tot u de dood verrasse! - Thands stort Euroop een traan van deernis op uw assche! En nog beklagen we u, na zulk een tijdsverloop, u, minnaar, steeds zoo trouw, en minnar zonder hoop! Itaalje, bakermat en voedstrares van kunsten, wie 't zangodinnendom steeds overlaadt met gunsten! Itaalje, waar natuur zich met de kunst verbond, om hemelschoon op de aard te scheppen, om uw grond te kweken tot een hof van ziels- en lichaamsweelde Ook Tassoos wieg droegt gy! Ook Tassoos Zangnimf speelde het ridderlijke lied op Italjaansche maat! Maar ook zijn vroegen dood getuigt gy! Hy vergaat, het offer meê der min. Een doodlijke smarte stolt zang- en mindrift beide in 't hopelooze harte! Gy, wie zijn taal en toon door merg en zenuw dringt, het zij zijn fiere stem van oorlogsglorie zingt 't zij liefde en tederheid zijn dichtpenseel bestieren! O siert zijn tombe niet met bloeiende laurieren, (de lauwer groeit van zelf by 's dichters overschot!) maar plant er wilg en myrt! - Of kent gy niet het lot, wiens wreedheid in het eind den draad brak van zijn leven, zoo hoort my! maar ('k voorzie 't) gy zult voor d' invloed beven van 't dichterlijk gevoel op d'aardschen levenstocht! Sints Tasso voor het eerst Ferrares hof bezocht, ontsprong de bron der ramp, aan 't teedre hart beschoren! Uit adelouden stam en deugdzaam bloed gehoren, en wijd en zijd befaamd door dichterlijken lof en schitterend vernuft, ontfing hem 't vorstlijk hof met d' eerbied die een eeuw van ware geestbeschaafdheid aan d' invloed toedraagt van die hemelsch begaafdheid. Maar ach! in Tassoos oog had hoffelijke praal geen waarde; noch de gunst van 't vorstelijk onthaal, noch 't juichen van een volk, dat in den heldendichter Homerus volgling, en Itaaljes gloriestichter aanschouwt. Één voorwerp slechts in Tassoos aanblik waard! Één voorwerp, dat alléén al 't schoon vereênt der aard! 't Is 's Vorsten zuster zelf, Lenora, in wier oogen de zetel is geplaatst van Liefdes alvermogen, en met de majesteit van 't koninklijke bloed de zacht- en teêrheid spreekt van 't engelrein gemoed! Hy ziet haar, en bemint! Het lot van heel zijn leven bestemdt zich! hoop en rust moet eeuwig opgegeven! Wat doet ge, Dichter! en wat dolheid gaat u aan? Hoe durft ge op uw vorstin een blik van liefde slaan? Hoe durft ge?...... Ach! kent de min den invloed van de rede? Zy streelt niet, maar gebiedt, en sleept, en rukt u mede! En gy, gy lijdt en kwijnt in radelooze smart! Maar kropt de kwelling in van 't fel getergde hart! Slechts de Echo van het woud, gewoon aan minneklachten, die voor een oogenblik de storm der drift verzachten, getuigt uw wanhoop soms, terwijl ze met u treurt. Maar welk een boezem ooit, van minnewee verscheurd, kon voor 't geoefend oog de diepe wond bedekken? Ach! alles kenmerkt haar! De stem, de ontstelde trekken vqan 't beurtlings blozende en verbleekende gelaat by 't naderen van haar, voor wie ons harte slaat! 't Noodlottige geheim ontvalt de smeltende oogen in tranen, vruchteloos weêrhouden! Al uw pogen is ijdel! 't Werd bekend wat Tasso zich v