Hittegolf De zon stond hoog boven de straat. Het was stil in het dorp. Door de al dagen durende extreme warmte waren alle toeristen overdag naar het rekreatiemeer gegaan, even buiten het dorp. Zelfs de vogels, de duiven, de vaste bezoekers van het dorp in het zomerseizoen, leken het dorp te hebben verlaten. Lege platte patatzakjes bleven onaangeroerd op het wegdek liggen. Gerard Rood stond achter het raam van zijn winkel en keek de verlaten straat in. Met een zucht liep hij de winkel in, achter de zich in de winkel bevindende schaduwlijn, veroorzaakt door het neergelaten zonnescherm. Hij stelde zich zorgelijk voor hoe zijn groente, zijn handelswaar, er aan het einde van deze warme dag uit zou zien. Puffend liet hij zich zakken op de wankele klapstoel die achter de toonbank stond. Iemand anders was er waarschijnlijk al door heen gezakt, maar Gerard was niet zwaar. Plosteling renden een paar jongens door de straat met een opblaasboot. Gillend en sjorrend aan het knalgele ding verplaatsten ze zich in de richting van het meer. Gerard veerde op en tikte op het raam. Ze hadden bijna zijn nog enkele uren kostbare handelswaar omver gelopen, die buiten onder het zonnescherm stond uitgestald. De jongens leken hem niet te hebben gehoord, en hoofdschuddend liep Gerard weer terug naar zijn stoel. Hij pakte het gammele ding -waardoor de stoel nog meer van de al minimale verflaag verloor- en zette deze dichter bij het raam om zo alles te kunnen zien. Het was er wel wat warmer, maar zo kon hij tenminste alles in de gaten houden. Opeens constateerde hij zich dat er niemand zich in de winkel van Van Kooten bevond. Hij keek nog eens aandachtig, en zag dat mevrouw Van Kooten inderdaad afwezig bleek te zijn. Hij vond het vreemd, ze was tot nu toe altijd in de winkel te vinden. En dat in deze tijd met al die toeristen. Binnen een korte tijd konden ze de hele winkel leegroven. Dit leek hem regelrecht uitlokking van diefstal. Verdorie, dat ze hun ramen niet lapten vond Gerard al erg, maar dit was toch de druppel die de emmer deed overlopen. Gerard liep de straat over en stapte de winkel van Van Kooten in. Het was koel in de slagerswinkel. Hij keek eens rond, maar kon niemand ontdekken. "Volluk!", riep Gerard. Geen antwoord. Hij herhaalde zijn roep. Stommelend kwam iemand van de trap af gerend, die zich achter in de winkel bevond. Het bleek meneer Van Kooten te zijn. Gerard kende hem niet persoonlijk, want hij had de winkel pas een week geleden overgenomen, maar had al veel over hem gehoord. "Ik dacht... waarom staat er niemand in de winkel?", vroeg Gerard. "Oh, heb je weer zitten gluren, Rood!", snauwde Van Kooten hem geïrriteerd toe, terwijl zijn doorgaans witte hoofd rood werd van woede. "Nou, kom maar mee, dan zie je wat ik met d'r gedaan heb!", schreeuwde hij Gerard in het gezicht, terwijl het speeksel in het rond vloog. Van Kooten gebaarde hem te volgen, en Gerard volgde hem schouderophalend naar de trap. Stampvoetend ging Van Kooten naar boven. Halverwege de trap draaide hij zich om en leunde tegen de trapleuning. "Ze vrat verdomme iedere dag van me", schreeuwde hij, "begrijp dat wel!". Van Kooten vervolgde zijn weg naar de overloop. De groenteboer voelde het weer warmer worden. Hij pakte zijn zakdoek uit zijn zak en droogde puffend zijn hoofd af. "Nog een trap, gluurder!", schreeuwde Van Kooten, wijzend naar de steile trap. "De zolder op!" Met veel lawaai klom hij een paar treden omhoog. Gerard voelde zijn hart sneller kloppen en de benauwde lucht zijn gezicht omklemmen. Het leek wel alsof er op de zolder zich zich een hooggestookte kachel bevond. De zon scheen recht in Gerards gezicht, door het open dakraam. Het zweet brak hem uit en zijn overhemd voelde hij steeds natter worden. Al dit lichamelijke bluswerk hielp hem helaas niet. "Je wilde toch zo graag gluren, Rood!", siste Van Kooten. "Kijk dan!". Gerard keek hem verbaasd aan, terwijl Van Kooten hem duidelijk maakte dat het raam zijn vizier zou zijn. Langzaam liep Gerard naar het raam en keek tegen de zon in. Hij was warm, verbrandend, verstikkend. "Kijk dan, varken", schreeuwde Van Kooten nu. Gerard schrok op en keek om zich heen. Hij vroeg zich af wat er in de dakgoot lag. Reikhalzend keek hij door het raam, maar Gerard kon het niet identificeren. Het was zwart en leek wel te kermen.Verschrikt keek hij naar Van Kooten. "Kijk dan, rund!", brulde hij Gerard toe. "Wat ga je doen, Freek?" hoorde hij opeens mevrouw Van Kooten vanaf de eerste verdieping roepen. "Heb je bezoek?" "Nee hoor, mijn duifje," zei Van Kooten met een zoete stem, terwijl hij Gerard nors gebaarde dat hij zijn aandacht bij het raam moest houden. Gerard was opgelucht, nu hij mevrouw Van Kooten had gehoord. Toch bleef het voor hem een raadsel, waarvan hij wel het fijne wilde weten. Voorzichtig stapte de groenteboer door het open dakraam en zocht zijn evenwicht op de pannen. Met veel voorzichtigheid en met één hand op het dak daalde hij af naar de zinken goot. Daar was de hond de hond van de slager, bloedend. De hals was kapot gesneden, maar het beest hield een biefstuk stevig in de bek. Piepend lag de hond te lijden, in de hitte. Het was hier nog heter dan beneden, het beest zou gebraden worden in de stalen dakgoot. Paniekerig keek Gerard Rood de straat in. Vanuit zijn ooghoeken zag hij een klant voor zijn groentewinkel. De man ging de winkel in en verdween uit zijn zichtsveld. Gerard snelde door de dakgoot in de richting van het raam. Plotseling waaide het. Het was koel, maar bleef zomer. Er cirkelde een groep duiven boven de straat, de drukke straat. Verboden Vruchten Het was een mooie dag in mei, dat hij vanaf zijn bed uit zijn raam keek en de beneden liggende winkelstraat doorstraarde. Het was een drukke dag. De straat was volgepakt met slenterende en haastig dringende mensen, waardoor er altijd wel te zien was hoe men geërgerde gebaren naar elkaar maakte en elkaar geïrriteerd aanstootte. Marcel vermaakte zich met zijn uitzicht vanaf de derde verdieping, en droomde weg onder het door de straat golvende geroezemoes. Plotseling voelde hij dat iemand naar hem keek. Hij keek in de winkelstraat, en zag dat een meisje hem aanstaarde. Hij had haar wel eens gezien bij Fiscaal Recht en vond haar wel aardig. Haar naam kende hij nog niet, maar hij zou haar graag eens in zijn agenda willen noteren. "Ik wist niet dat je hier woonde!" riep ze van beneden. "Wacht even, ik kom naar beneden!" riep Marcel en rende haastig de drie trappen af naar de deur van het pand. Daar stond ze. "Kom even binnen" zei hij, terwijl hij zichzelf erop betrapte zich knap opgewonden te voelen nu ze daar zo stond. Ze stapte binnen en keek rond. "Hoi" zei ze, terwijl ze haar handen om de papieren zak op haar buik vouwde. Marcel liet haar binnenkomen en deed de deur achter haar dicht. Haar kaaklijn trilde licht, ze leek zelfs te klappertanden, leek het koud te hebben en te zoeken naar een warm huis. Maar dat zou wel een Fata Morgana moeten zijn met dit zonnige weer. Ze keek om zich heen, twijfelend, alsof ze nu al spijt had van haar spontaniteit. "Waarvoor is dat touw door het trapgat?" vroeg ze, terwijl ze Marcel aarzelend glimlachend aankeek. "Dat is onze deurbel" antwoorde hij. In dit gebouw woonden ze met een groep studenten, en de beste manier om elkaar te alarmeren bij bezoek was een touw met een bel. Marcel gebaarde haar naar boven te gaan en liet haar voorgaan op de trap. Voorzichtig heupwiegend liep ze naar boven, terwijl hij haar in strakke jeans gespande billen mocht aanschouwen. Wat waren ze mooi, mooi rond, als een appel om in te bijten. Terwijl hij omhoog liep voelde hij een bobbel in zijn broek groeien. "Wil je ook zo thee, Marcel?" werd er van beneden geroepen. "Nee, bedankt" riep hij, terwijl hij het meisje gebaarde dat ze verder naar boven moest. Drie hoog woonde hij, een lange weg over de smalle draaiende trap. Het was gelukkig dat hier allemaal jonge mensen woonden, want boven de veertig zou je deze klim waarschijnlijk niet heelhuids kunnen afleggen. Toen ze boven kwamen opende hij zijn deur, en geleidde haar met een hand om haar middel naar binnen. Het was vreemd haar te voelen, maar opwindend. Marcel voelde zijn hart kloppen. "Je hebt een leuke kamer" zei ze, terwijl ze met haar handen speelde langs de gewichten van zijn koekkoeksklok. Ze liep naar het raam en leunde over het bed om naar buiten te kunnen kijken. "Wow, wat een uitzicht, daar betaalt een toerist een paar honderd voor" zei ze, starend in de straat. Marcel bekeek haar, haar benen, haar gezicht. Haar ogen dichtgeknepen tegen de invallende zon, haar roze wangen licht oplichtend, haar blozende konen afgedekt door haar lange wimpers, alsof ze intens genoot. Met een sierlijk gebaar deed ze haar lang donker haar achter haar oor, waarin een schitterend klein diamantje prijkte. Onweerstaanbaar, zoals ze daar nu zat, voor Marcel. Hij liep naar haar toe en pakte haar vast bij haar borsten. Ze waren niet groot, maar stevig, en Marcel zocht met zijn vingers naar de door haar t-shirt priemende tepels. "Doe nou niet, joh" drong ze aan, terwijl ze verschrikt achterom keek. Maar Marcel kon zich niet bedwingen. Hij kuste haar in haar nek, en likte aan haar oor, dat zij passief onderging. Ze keek naar de deur. "Even mijn zak fruit wegzetten" zei ze. Ze rukte zich los uit Marcel's omhelzing en pakte de papieren zak van het bed. Meteen pakte Marcel haar weer beet, en terwijl hij haar van achteren kuste op haar schouder probeerde zij verder te lopen met de grijze zak. Zuchtend zette ze de grijze massa neer onder de klokgewichten, die heen en weer bengelden als reaktie op haar eerdere aanraking. Nu reageerde ze op zijn kussen door haar hoofd licht te buigen naar de schouder die hij kuste met zijn van geilheid natte lippen. "Ik wil je, schoonheid", fluisterde hij van achteren sabbelend in haar oor. Hij pakte haar t-shirt vast bij de onderkant en trok het voorzichtig omhoog, langs haar navel, langs haar borsten, over haar hoofd. Marcel stak zijn armen onder de hare door en bevoelde haar knijpende naveltje, en nam nu haar borsten in zijn handen. Met een snel kloppend hart zocht hij haar puntjes en liet ze door zijn vingers glijden. Opgewonden liet hij zijn gezwollen kruis tegen haar achterwerk aanleunen. Haar huid was bruin gevlekt, maar zacht als fluweel. Deze aanraking liet hem zijn voornemen uitvoeren. Nu wild van geilheid trok hij haar broeksknoop los, en ontdeed haar van haar laatste kledingstuk. En terwijl hij zijn overhemd uittrok bekeek hij haar. Ze was een volmaakt naaktheid, nee, ze had nog een kettinkje om. Driftig peuterde hij het zilveren ding af, en gooide het wild weg. Zenuwachtig ontdeed hij zich in één beweging van zijn spijkerbroek en onderbroek, waaruit een fier omhoogstaande lul opsprong. Marcel pakte haar vast en legde haar op het bed. Met een ruk trok hij haar benen uit elkaar, waardoor haar natte roze pruim zichtbaar werd. Marcel liet zich op haar rollen en perste zijn stijve in haar klemmende gleuf. Diep stotend trok hij zich in haar, golvend over haar welgevormde lichaam. Vol drift trok hij zich links en rechts over haar heen, om zijn geilheid te laten leiden naar zijn bewuste doel. Stijfjes trillend onderging ze de handelingen, maar met zijn ogen stijf dichtgeklemd kwam hij tot een overweldigend hoogtepunt. Na een korte overpeinzing liet hij zijn gladde slappe lul uit haar vrouwelijkheid glijden. Hij keek naar de zon, boven de daken van de winkelpanden aan de overkant van de straat, terwijl hij zijn ogen dichtkneep. Zonder naar het kastje te kijken pakte hij er een pakje sigaretten uit vandaan. Met een slag van het pakje tegen zijn handpalm liet hij een filterloze sigaret in zijn handen glijden. Behoedzaam stak hij het ding in zijn mond, en stak het aan met zijn fel-oranje gekleurde voordeelaansteker. De rookwolkjes dwarrelden in het zonlicht uiteen. Ze lag wezenloos te kijken naar het schouwspel, maar sprong nu op. Ze keek in de grote spiegel naar haar lichaam, haar tere lichaam, terwijl haar gezicht bewolkt werd. Plotseling rende ze naar de hoek van de kamer. Kuchend, kotsend liet ze haar hoofd hangen boven zijn stalen prullenmand, haar gezicht verbergend achter haar lange voor haar wangen hangende haar. "Ben je ziek?" vroeg Marcel terwijl hij ongeïnteresseerd uit het raam keek. Ze zweeg een tijdje en keerde haar gezicht niet naar hem toe. Langzaam trok ze haar donkere haar aan Marcel's kant achter haar oren waardoor zij hem weer kon zien. "Nee, ik kan niet tegen rook" loog ze, terwijl ze sniffend met vochtige ogen naar de klok liep. Ze bukte naar de zak met fruit, welke mogelijkheid Marcel gebruikte om haar geheimzinnig donkere spleet nog eens in het zonlicht te verkennen. "Hier, neem een appel" zei ze, terwijl ze hem een sappig rode appel aanreikte, "Dat is veel gezonder". Marcel aarzelde, en reikte met zijn middelvinger tussen haar benen. "Ik wil alleen maar jouw pruimpje, mijn liefste" antwoorde hij, terwijl zijn lid weer proporties aannam die haar aan enkele minuten geleden deed denken. Ze liet de appel vallen op zijn bezweette buik en draaide zich om. Snel en woest schoot ze haar kleren aan. Marcel keek naar buiten, onder de rook van zijn sigaret. Het was er druk, hier en daar een bekende. Er liepen veel leeftijdgenoten, meisjes, mooie meisjes. Sommige meisjes kende hij wel van de universiteit. Hij schrok uit zijn gestaar wakker door een dichtklappende deur. Zuchtend liet hij de sigarettenrook door zijn neus zijn weg naar hogere luchtlagen vinden. De bel klonk door het trappenhuis, al een paar maal. "Ja, ja, ik kom!" klonk een mannenstem. Hij opende de deur. In de deuropening stond een mooi, ongeduldig meisje. "Is Marcel er?" vroeg ze popelend. "Loop maar naar boven door, je weet vast wel al waar het is" antwoordde de student, geïrriteerd door het feit dat hij met zijn beslaapte hoofd de deur moest openen. Krabbend aan zijn achterwerk ging hij zijn kamer weer in, en het meisje begreep dat het vanf hier haar zaken waren. Ze slenterde sloffend naar boven, in de hoop dat Marcel haar al zou horen en hij nu eens op tijd zou zijn voor hun afspraakje. Geprikkeld bonkte ze op de deur. "Marcel Goenee, je nest uit!" schreeuwde ze. Maar haar geschreeuw mocht niet baten. Met een schouderduw opende ze de slecht gesloten deur en struikelde de kamer binnen. Ze keek tegen het zonlicht in, naar Marcel die op het bed lag. "Marcel!" schreeuwde ze nu nijdig. "Marcel?" fluisterde ze aarzelend, toen ze zijn levenloze lichaam aanschouwde. Met haar ogen verschrikt wijd geopend slenterde ze naar zijn lichaam. Ze voelde. Ze voelde zijn stijfheid, zijn koelte. Snikkend rende ze de trap af, soms een paar treden overslaand, soms struikelend. Nu wierp ze zich bij zijn medestudent naar binnen, die inmiddels de slaap probeerde te hervatten. "Hij is dood" snikte ze. Eindelijk leek er leven in de student te komen. "Wat? Dood?" riep hij uit, in de hoop dat zij zich vergiste. Hij rende in zijn onderbroek naar boven en constateerde al snel hetzelfde. De ambulance reed de drukke winkelstraat in, met luide sirene. Een grote menigte winkelende vrouwen bekeek het schouwspel, wat een aangename afwisseling was van de dagelijkse sleur. Die bestond slechts uit het steeds maar weer goedkoper dan de buurvrouw krijgen van een pakje koffie. Een broeder en zuster snelden naar boven en liepen de door de zon sterk verhitte kamer binnen. Ze bekeken het lichaam. "Die is dood" zei de ene. "Ja, hartstikke dood" zei de ander, zonder een rimpeling in haar gezicht. Zij pakte de zwarte dodenzak en ritste het van dikke stof gemaakte ding open. Met een veel geoefende beweging trokken ze het lijk op de zak, waardoor een gorgelende luchtbel uit zijn keel ontsnapte. "Doe die kijkers 's effe dicht" zei de broeder. Voorzichtig liet zij haar handen over het koude gezicht glijden. "Verrek, hij heb wat in ze' mond!" zei de zuster verschrikt. Voorzichtig probeerde de broeder het uit de mond te krijgen. "'t lijk wel een klokhuis" zei de broeder. De zuster beaamde het. Maar de kaken waren al zo verstijfd dat ze besloten het stukje fruit in zijn mond achter te laten. "Dan kan ik straks appele plukke op 't kerkhof" zei de broeder uit praktische overweging. Hij woonde immers een paar honderd meter verder en in zijn tuintje kon geen boom gedijen. Ze vouwden de zijkanten van de zak over de benen en schouders en met een ruk trok de zuster de rits naar boven. "Oh!" riep de zuster uit. De ander keek verschrikt op en zag hoe het geslacht van het lijk naast de zak rolde. "Hoe kan je dat nou doen, komkommer!" riep de ander uit. Stuntelig deed de zuster het ding weer in de zak bij het lijk, alsof dat iets zou helpen. Met een woeste ruk vervolmaakte nu de broeder het dichtritsen. "Jij die kant, ik deze" gebaarde hij triomfantelijk, alsof hij nu opeens de alwetende opper-lijkendrager was geworden. Sjorrend verplaatsten ze de zak naar het nauwe trapgat. Trede voor trede daalden ze nu de steile trap af. Maar het touw van de trekkende deurbel speelde de onfortuinlijke zuster parten. Met een bonk kwam ze op haar achterwerk terrecht op de tweede verdieping, terwijl het lijk na veel krakende stuiterbewegingen dezelfde weg vond. "Alles heel?" vroeg de broeder, die nu de trap af kwam rennen. "Ja, het gaat wel" zei de zuster. "Nee, ik bedoelde die kouwe" gromde hij, terwijl hij de zak open ritste om het lijk te bekijken. De tweede verdieping was hem niet goed bevallen. "En?" vroeg de zuster bezorgd. "Ik begrijp d'r niets van. Die dooie z'n benen liggen d'r af!" riep de broeder vol ontzetting. Snel ritste hij de zak weer dicht en met een rood hoofd droegen ze het pakket verder naar beneden door het bochtige trapgat. Daar kwamen ze weer in de buitenlucht, in de zon. De menigte vrouwen fluisterde en liet overdreven geluiden van medeleven horen. "Is dat Marcel?" zei een meisje bij de deur, dat kennelijk de bel had beroerd. "Kijk zo maar even" zei de zuster, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was om een lijk te bekijken. De zuster klom de wagen in met de zak in haar handen, en trok het lijk een stukje de brancard op. Maar plotseling verloor ze haar greep op het geheel. Het was alsof de armen van het lichaam hadden losgelaten. Met een bonk gleed de zak uit de auto, terwijl de plaats waar hopelijk nog het hoofd van de ongelukkige zat tegen de bumper aansloeg. De menigte winkelende vrouwen liet kreten van afschuw horen, doch er waren meer ingehouden lachers onder het publiek. Met een nu nog roder gelaat werd het lijk door de broeder en zuster de wagen ingesmeten waarop de auto meteen wegreed, het hun volgende meisje in haar verbazing achterlatend. De menigte trok verder en deed zich tegoed aan de patat, verkrijgbaar aan de overkant van de straat, bij de snackbar die inmiddels een gouden uur had gedraaid. De bel ging, en de student deed open. "Inspecteur Grijpstra" stelde de vrouw zich voor aan de verwarde jongen. Bij gebrek aan een vraag of ze binnen wilde komen stapte ze na een tijdje zelf de gang in. "Mag ik wat vragen stellen?" vroeg ze. "Ja natuurlijk" antwoordde hij, met een verschrikt gezicht. De inspecteur bladerde in een notitieboekje. "Wie heeft de dode het laatste gezien?" vroeg ze routinematig. "Een vriendin" antwoordde de jongen. "Ja, met zijn vriendin heb ik al gesproken" zei de inspecteur, "Je bedoelt dat blonde meisje?" "Nee, een meisje met donker haar was het" zei hij standvastig. De inspecteur haalde haar wenkbrauwen op en wachtte op een voor haar onbekend persoon die de trap af sjokte. "Woon jij hier ook?" vroeg ze de jongen op de toon van een zwaar verhoor. De ongeschoren student bevestigde dat schuchter. Nadat ze hem had ingelicht over het voorval waar hij doorheen had geslapen beantwoordde hij dezelfde vraag. "Ik denk dat zwarte grietje van hem" zei hij loom, "Je weet wel", terwijl hij zijn medestudent vroeg om een gebaar van bevestiging. Toen dit uitbleef zwegen ze en staarden naar de kapotte vloerbedekking. Hoofdschuddend liep de inspecteur de trap op, en ging de zuur stinkende kamer in. Geen aanwijzing, nog niets leek een aanwijzing voor zijn doodsoorzaak. En sectie? De patholoog-anatoom had haar gesmeekt hem deze legpuzzel te besparen. Ze zocht naar de bron van de stank. Al snel kreeg ze de prullenbak in het oog, en bekeek het beschimmelde goedje op de bodem. Met een zucht wierp ze het stalen ding in de hoek van de kamer. Het leek haar wel duidelijk. De zon scheen op de tapijttegels, op de handgemaakte koekkoeksklok waarvan de gewichten als denneappels waren vormgegeven waardoor ze glinsterden als een meer met een laagstaande zon boven het water. Plotseling viel haar oog op een glinsterend stukje zilver op het tapijt, nee, het was zelfs witgoud. Het was een kettinkje, met een naam. Eva. Zo maar een meisjesnaam...