Geïnspireerd door een documentaire die ging over de uitroeiing der indianen, waarin een oude indianentekst werd voorgelezen. Voorgedragen te Zwingelspaan. [zonder titel] Ik stond daar, die nacht, op de top van de hoogste berg van alle bergen. Om me heen reikten de donkere bergen naar de hemel. Ze staarden omhoog, versteend van onmetelijke angst. Overal weerklonk het ijzig gekrijs van bange vogels, hun vleugels uitgestrekt. En de sterren, zij draaiden om me heen. Hun tere licht verbleekte mijn tranen. Want rondom beneden me lag de hele aarde, stil en verborgen onder een zieke nevel. Ik keek naar alles om me heen en overzag de gehele wereld. En daar, volkomen alleen, in de oneindige duisternis van de nacht, voelde ik me één met de kosmos. Eén met de ziel van alle mensen. Het was een ondraaglijke droefheid dat voelde als een steen in m'n hart. En de maan, rustend achter de eenzame bergtoppen, scheen mij toe als het onheilspellend teken van een naderende ondergang. Toen keek ik weer over de wereld. Een gloed van rood bloed kroop over de gehele uitgestrektheid van al wat ik zien kon. En ik begreep dat het Laatste Oordeel zich voltrokken had. We hadden gefaald als mensheid. Ik hoorde het gehuil van miljoenen angstige kinderstemmen. Omdat hun vaders en moeders vergeten waren dat ze één waren met hun kinderen. Ik zag de vele miljoenen volwassenen, die als schimmen zich doodvochten in alle oorlogen. Omdat ze vergeten waren dat ze samen één volk vormden. En ik zag de natuur en al haar bange dieren, vernield en vergiftigd. Omdat we vergeten waren dat we maar één planeet hadden. Maar, staande daar, als in een gewijd moment, doorzag ik de oorsprong van het leven. Ik voelde de puurheid van het bestaan. Ik ervaarde de immense grootheid van een kracht die mij met al het levende verbond. In aanschijn van dit allesomvattende stemde ik mij nietig en klein. En toen ik daar stond, zag ik meer dan ik zeggen kan en begreep ik meer dan ik zag. Ik zag de aard der dingen. Ik zag de vorm van alle dingen in de ziel en de ziel van alle zielen, geschapen om als één wezen van liefde te leven. Ik zag dat al dit alles van leed en verdriet nooit voor niets was geweest. Daar, op het hoogste punt van de wereld, wist ik dat het universum goddelijk was. Terug naar overzicht Ter ere van de tweede Liederentaefel op Schiermonnikoog, opgedragen aan mijn vrienden Frank, Jasper, Koen, Marten en Olivier. Voorgedragen te Schiermonnikoog, 30 november 1996. Schiermonnikoog De bleke zon verlicht dit eiland, verdwijnend in de vloed. Onze voeten één met de glooiende gloed weerkaatst door oneindig ver zand. De wind regeert, met ijzige hand. Miljoenen korrels zweven ontelbaar in een wolk, vaag zichtbaar, over het magische strand. In de verte over zee, trekt een vogel met ons mee. De branding breekt haar schaduw zacht. Met de gure wind in onze gezichten, en het spel van zand en lichten, slenteren we langzaam naar de nacht. Terug naar overzicht Voorgedragen te Utrecht, 17 september 1997. De Winter Na de winter kwam de lente en de zomer en de herfst en de winter en de lente en de zomer en de herfst en de winter was een strenge winter en de wind raasde voort door de koude takken met sneeuw en ijs omvat, de takken nat van de kou die braken op de gure wind die joeg door de winter die volgde op de herfst en de zomer en de lente en de winter en de herfst en de zomer en de lente. Meeuw Op het strand loopt een Meeuw. Een doodgewone Meeuw. Vleugels, kop, poten; eigenlijk alles d'r op en d'r aan. Maar wat is er aan de hand, met die Meeuw? Die Meeuw verveelt zich. Die Meeuw verveelt zich bijna letterlijk dood. Bij God, wat moet 'ie doen. Hij heeft al gevlogen vandaag, en gevist, en een visser op z'n kop gescheten, maar nu verveelt hij zich ineens. Of zij, daar wil ik vanaf zijn. Verveling is moordend voor de Meeuw, dat weet hij net zo goed als ik en daar loopt 'ie nou te klooien in de branding. Hij kan wat gaan lanterfanteren op de westenwind, maar dat is ook weer zo wat. Beetje rondklieren bij de patatkraam even verderop. Neen, de mens is agressief en gunt de Meeuw nog geen frietje voor ogen. Okee Meeuw, weet je wat jij doet? Ga toch even lekker ineen gedoken slapen, want je bent natuurlijk moe! De Meeuw zit wat versuft in elkaar nu. Daar komen twee figuren aangezet. Twee mensen. Wat overdreven hebben ze zich ingepakt. Muts, wanten, regenbroek, totaal over the hill. Eén van de figuren stapt dreigend op de Meeuw toe, met een eind hout in de handen. Persoon verondersteld met een zieke Meeuw van doen te hebben. Hij knuppelt de Meeuw op z'n kop. Einde oefening Meeuw. Twee Gestaltes Twee gestaltes staan op de grijze vlakte. Een vlakte van totale leegte. Zo staan ze daar te zwijgen. Niets doet hen bewegen. Dat weten ze niet, want ze zijn helemaal niets. Zomaar een plaatje uit een boek of een foto? Nee, dit is echt. Echter dan het stilstaand beeld van een herinnering. Ze staan daar zomaar wat te staan in de duisternis. En niets is er dat hen beweegt. Die twee gestaltes staan daar maar alsof ze daar hun hele leven hebben gestaan. Ze vallen niet, ze lopen niet. Ze bewegen niet. Waar kijken ze naar? Kijken ze naar die zwarte donkere beesten die daar in de verte staan? Of naar de maan? Ze zwijgen en zwijgen, maar zeggen niets, want ze weten niets omdat ze eigenlijk al dood zijn. Ze zijn zo dood als de nacht, en de dieren grazen rustig voort. Terug naar overzicht Het is moeilijk om te zeggen dat een bepaalde songtekst de beste is de je ooit gehoord hebt. Toch staat het nummer 'Dear Mama' van Thupac (2pac) voor mij bij de beste twee. Dit vooral ook vanwege de achtergrond van het nummer. Daarom een stukje geschiedenis: de zanger van 2pac behoorde toen hij nog bij leven was bij een zogenaamde gang. Drugs, geweld en gevangenissen waren voor hem aan de orde van de dag. De muziek die hij schreef gaat over deze zaken en zo wordt hij gerekend bij het genre gangsterrap. Een paar jaar geleden werd hij om het leven gebracht door een andere gangstergroepering waarvan Notorious B.I.G. de leider was. In 1997 volgde een afrekening in dit criminele circuit als teken van revenge. B.I.G. kwam hierbij om het leven. Het bijzondere van het nummer 'Dear Mama' is het feit dat zulk, in mijn ogen, een brute gangster als 2pac een dergelijk gevoelig nummer schreef en opdroeg aan zijn moeder. Nog mooier is het om de muziek erbij te horen, maar slechts de songtekst kan ik nu geven. (Ik heb de tekst zelf overgenomen uit het gezongen nummer en kon helaas niet alles even goed verstaan a.g.v. het gebruik van 'slang'. Dear Mama When I was young me and my mama had been 17 years old keep down on the street. Go back at the time I never thought I see a face aint no woman alive that could take my mama's place. Strainded from school Instead of go home I was a fool with the big boys breaking all the rules. I said tears with my babysister over the years we were brought enough as little kids. And even though we had different daddies the same drama with things we brought we play mama. I remenis on the stress I caused, it was hell. Hugging on my mama for my jail-sell. And who think in elementary hé I see the penitentiary. One day, we're running from the ponies (that's right) mama catch me to the .... to my backside. And even as a crack-theme mama. You always was the black queen mama. I finally understand for a woman it aint easy to try to raise a man. You always was committed. A poor single mother on welfare tell me how you did it. There's no way I can pay you back, but the plan is to show you that I understand. You are appreciated . [Lady, don't you know we love you, sweet lady,]. Dear mama. [please no one a mama, sweet lady]. There ain't nobody telling us who was fair. No love from my dady cause the coward wasn't there. He passed away and i didn't cry, cause my anger wouldn't let me feel for a stranger. They say among and among this, would all alone. I was looking for a father, he was gone. I hung around with the thugs and even though they sold drugs, they showed the young brother love. I moved on started really hanging. I needed money of my own so I starded slanging. I ain't quilty cause even though I sell drugs, it feels good to put money in your mailbox. I love pay your rent and the wages too, hope you got the diamond necklage that I sent to you. Cause when I was low you was there for me, and never left me alone because you cared for me. And I can see you coming home after work late you're in the kitchen trying to fix us a hot plate. You're just working with the straps you was given and mama made miracles every thanks-giving. But now the role got draft, you feel alone, trying to raise two bad kids on your own. And there's no way I can pay you back, but my plan is to show you that I understand. Refrein Whilst in a gang I remember this cause do the drama can always depend on my mama. And when it seems that I'm hopeless you say the words that can get me back in focus. When I was sick as a little kid, to keep me happy there's no limit to the things you did. And all my childhood memories are full of all the sweet things you did for me. And even though I act crazy, I gotta thank the lord that you made me. There are no words that can express how I feel. You never kept a secret, always say it real. And I appreciate how you raised me and all the extra love that you gave me. I wish I could take the pain away, if you can make it through the night, there's a brighter day. Everything will be allright if you hold on. It's a struggle everydag, gotta role on. There's no way I can pay you back, but my plan is to show you that I understand. Refrein Terug naar overzicht Uit: Guy de Maupassant, 'Vrouwen'. Voorgedragen naar aanleiding van een gesprek met Jasper de Valk over 'de liefde', oktober 1994. Voorgedragen te Schiermonnikoog, 1 december 1995. De Liefde En het drong tot hem door, als een soort van intuïtie, dat dit prachtige wezen gelijk had: dat zij hem niet geschonken was als een instrument om zijn geslacht te doen voortbestaan, doch als het onzegbare, mysterieuze produkt van al de ingewikkelde verlangens en visioenen, die zich sinds het ontstaan der aarde in de mens hebben opgehoopt en hem hebben uitgetild boven alle primitieve instincten en hem te brengen naar een hoger, waardiger en schoner leven. Dat dit wezen hem geschonken was, om naast hem te staan en glans en schoonheid en liefde te brengen in zijn leven. Hij stond daar en keek in haar ogen en het was, of hij opeens in een waarheid keek, zo hel en overweldigend, dat het hem zeer nederig stemde. Hij slikte en zei zacht en ontroerd: Ik geloof je. Zij reikte hem de hand.Zijn wij nu dan vrienden? Hij nam haar hand en bracht die aan zijn lippen. Ja, wij zijn vrienden. Ik dank je Gabrielle... Toen ging zij heen en hij bleef naar haar kijken, verwonderd dat zij zo schoon was en dat hij het nooit eerder zo had gezien, hij voelde een vreemde emotie in zich opstaan en het was groots en geweldig - en het was niets anders dan de aanraking van de heel gewone liefde. Terug naar overzicht De eerste vier regels van dit gedicht kreeg ik ooit, gekalligrafeerd op perkament, van Fleurie, een vriendin uit Nijmegen met wie ik een kortstondige intense vriendschap had. Jaren nadat dit contact was uitgedoofd wilde ik het lijstje vervangen, en trof achter haar regels het originele werk aan. Een heel bijzonder gedicht over de zoektocht naar de echte liefde, Franstalig, dat past in de ambiance van Malmédy. Voorgedragen te Malmédy (B), 26 april 1997. Espérance J'y pense et espère qu'un jour, sur les routes de ma vie, je pêcherai dans les eaux troubles, l'amour que je chéris. J'essaye, oui - j'essaye... Mais chez les anges qui dansent, c'est perdu d'avance. Alors je pleure en silence, et mon vie résonne dans les feuilles mortes de l'automne qui tombentau petitjour, et qui huilent: amour, amour, amour! Emportées dans les eaux blueus du ciel, elles se noient dans ce monde inconnu et trop grand pour elles. Mais j'y pensé... Et voilà le pas des ballerines qui danse la mort du cygne. Mais la lumière rouge, qui margue la cadence, soudain reluit comme le soleil dans la nuit. C'est peut-être la vie qui apelle au secours et nous vend des billets-retours. Terug naar overzicht Uit: Hans Andreus, 'Verzameld proza'. Voorgedragen te Schiermonnikoog, 30 november 1996. Een absoluut verhaal De man die de absolute luiheid wilde nastreven liep drie stappen de tuin in en strekte zich uit op het gras. Het huis waar gewerkt wordt ligt achter mij, dacht hij. En hij bleef de hele dag in de tuin liggen. Zijn vrouw bracht hem 's middags wat boterhammen want een mens moet leven, zei ze. Maar om zes uur bracht ze hem geen avondeten maar riep hem met doordringende stem. Hij had zijn knie al half opgetrokken toen hij haar onsportiviteit inzag. Hij strekte zijn knie weer en bleef liggen. Hij bleef de hele nacht liggen en dacht na over het absolute. 's Morgens bracht zijn vrouw hem het ontbijt, want zij was volgzaam ondanks haar buien. Maar hij weigerde nu te eten. Ik streef de absolute luiheid na, zei hij, de absolute. En daarna zweeg hij want ook spreken was niet absoluut. Zijn vrouw ging naar binnen en at zelf het ontbijt op, ze at graag en veel. En de man lag. Hij weigerde ook om twaalf uur te eten, hij weigerde met een schudden van het hoofd en om zes uur schudde hij zelfs niet meer. Het werd avond, de vrouw ging vroeg naar bed omdat ze teveel gegeten had. En de man lag in de tuin en dacht weer na over het absolute. Maar het was moeilijk na te denken want zijn maag vroeg om eten en dat vermoeide hem. En hij dacht dat denken toch ook een bezigheid was, dus hield hij op met denken. Alleen, de volgende morgen, wijdde hij nog één gedachte aan het ademhalen. Dat is werk, dacht hij, wel geen zwaar werk, maar toch werk. En hij wilde geen adem meer halen. Maar toen werd hij nog meer moe dan hij al was, hij stond op en liep zijn huis binnen. Zijn vrouw kuste hem en vroeg naar de absolute luiheid. Ik ben er te lui voor, zei hij triest. Maar zijn vrouw troostte hem en zei: Volgende keer beter. Terug naar overzicht Uit: J.M.A. Biesheuvel, 'In de bovenkooi'. Voorgedragen te Utrecht, 1 maart 1997. Brommer op zee Isaäc stond al uren op het achterdek. Hij was een aardige maar een beetje vreemde jongen: als hij aan boord werkte verlangde hij naar een baantje aan de wal en als hij op kantoor zat, verlangde hij naar de zee. Hij kon de saaie eentonigheid van het walbestaan niet verdragen en geld om zeereizen te maken had hij niet. Maar als hij - in de hoedanigheid van enig willekeurig bemanningslid (brildrager dus altijd ketelbink, messbediende of officiersbediende, nooit matroos laat staan stuurman, zijn grote droom...) - op een schip was, dan had hij te maken met het ruwe gebral van de matrozen, die kaartten met het mes op tafel en die elkaar en Isaäc uitscholden voor alles wat mooi en lelijk was. Isaäc hoorde er nooit echt bij. Op een schip paste hij nog het minst in de gemeenschap, nog minder dan in de haven, in de bottelarij of op de fabriek en kantoor, en juist op een schip dacht hij steeds weer de ware romantiek te zullen vinden. Als het werk was gedaan kon je hem altijd op het achterdek vinden. Het was nu al twee uur na middernacht, maar Isaäc bleef staan omdat het een maanheldere nacht was, je kon alle bekende sterren van het zuidelijk halfrond duidelijk zien en het gevaarlijk wit bruisende schroefwater achter het schip (wie uren op het achterdek van een varend schip in volle zee heeft gestaan, weet dat schepen bij nacht en ontij, overdag, in de regen of in de mist, in poolstreken of in de tropen, in grijs, groen of helder blauw water altijd en altijd over een witte weg varen, die weg loopt van de horizon naar de schroef, en drenkeling die een kwartier later de baan kruist ziet de weg niet meer). Er stond een heerlijke zoele wind. Als je goed keek zag je inderdaad de horizon of iets dichterbij het lichtje van een wegloevend schip, dat, was Isaäc een uur eerder geweest, recht op hem af was komen varen. Maar, zoals blijken zal, de zintuigen kunnen ons bedriegen. Er zijn filosofen die beweren dat alles wat is, inbeelding is en het tegendeel valt ook niet te bewijzen! Isaäc voer op een wildevaartschip en zag 's nachts nooit schepen. Hij dacht eraan hoelang het nog zou duren voor hij weer thuis was. Hij keek naar de winches, de bolders, de trossen, de railing en de gemakkelijke stoel die hij voor zichzelf op het achterdek had neergezet. Op een gegeven moment zag Isaäc het lichtje in de verte een bruuske zwenking maken, het leek een korte bocht op het water te beschrijven en toen kwam het recht op hem af. Toen het alsmaar dichterbij kwam was Isaäc tot de slotsom gekomen dat dit haast geen schip kon voorstellen of zijn, aangezien het dermate onderhevig was aan de 'beweging der golven', en vooral omdat het maar steeds bij één lichtje bleef. Een schip met allen een heklicht aan? Gevaarlijk. Toen het merkwaardig voertuig tot op een afstand van tweehonderd vadem van Isaäc was genaderd, zag hij dat het een brommer was. Voor het eerst in zijn leven gebeurde er iets met Isaäc dat 'met recht merkwaardig' was. Wat nu zag zou iemand anders in zijn stoutste dromen nog niet durven of kunnen bedenken. Aanvankelijk was Isaäc bang maar tenslotte kon hij toch niet aannemen dat een nieuwe profeet of messias zich aldus over de aarde zou bewegen. Hoewel de christenen beweren dat Jezus over water heeft gelopen. De brommer was Isaäc nu tot een meter of zestien genaderd. Isaäc stond te roepen en te zwaaien dat het een aard had, maar hij vergat in zijn opwinding de touwladder uit te werpen. Hierop werd hij door de berijder van de bromfiets opmerkzaam gemaakt. De vreemde was zoals uit de tongval bleek een landgenoot van Isaäc. Hij stuurde zijn brommer op heel merkwaardige wijs en uiterst voorzichtig naar de touwladder toe, op zijn brommer gezeten gedroeg hij zich tegenover de gladde scheepswand als een bokser die zij tegenstander in de ring nog even aftast, licht schudden met het bovenlichaam, trappelen met de voetjes en juist afwerende of juist agressieve gebaren met de armen maken en toen sprong hij hop! in één keer met brommer en al op de touwladder. 'Voorzichtig, voorzichtig,' riep hij alsmaar. De man droeg een brilletje dat behoorlijk beslagen was en een pet waarvan de leren kleppen, die dienden om de ogen en de oren tegen zeewater te beschermen, ver uitstaken. De brommer was een normale brommer. Hij had geen speciale voorzieningen. Isaäc hielp de man met het aan dek zetten van de brommer. De man zei:'Geef mij iets te eten.' Isaäc ging het halen. Hij merkte dat de matrozen en de stuurlui en de machinemannen al naar kooi waren. Toen Isaäc terugkwam vroeg hij aan de vreemde:'Waarom rijdt u op het water?' De man beweerde dat hij een record wilde vestigen. 'Hoe is het mogelijk dat u op het water rijden kan?' vroeg Isaäc verbaasd. 'Dat is een kwestie van oefenen,' zei de man. 'Ik ben begonnen met een speld op het water te leggen. Als je heel voorzichtig doet, blijft hij drijven. Op de lange duur nam ik steeds zwaardere voorwerpen. Het was mij natuurlijk om mijn brommer te doen en tenslotte reed ik mijn eerste rondjes op de stadsvijver. Nu rijd ik over de hele wereld. Ik kom nergens aan land, maar omdat ik af en toe eten moet, rijd ik vaak naar een schip. Ik ga het liefst in het holst van de nacht. Dan ligt iedereen te slapen. De eerste keren ging ik bij vol daglicht naar de schepen toe, maar toen zijn er mensen hodeldebodel geraakt.Eerst riepen ze dat het mooiste was wat ze in hun hele leven hadden meegemaakt en vervolgens begonnen ze wartaal uit te slaan of werden ze gek. Ik ben van plan om veertigduizend kilometer over zee af te leggen, het mogen wel wat kilometertjes meer worden, als ik de hele aardbol maar rond heb. Ik wil iets doen wat nog nooit iemand heeft gekund. Dat is altijd mijn ideaal geweest. 'Bent u nooit bang om te verdrinken?' vroeg Isaäc.'Welnee', antwoordde de man. 'Het is de wijze waarop men stuurt, daar zit het hem in, en steeds voorzichtig gas bijgeven natuurlijk en gas terugnemen. Een hoge golf bijvoorbeeld moet je nooit met te grote snelheid nemen, anders word de zijkant van de banden nat, en als dat eenmaal gebeurd is, is het einde zoek. 'Ja, dat begrijp ik,' zei Isaäc, die de man vol bewondering aankeek. De man zat zich werkelijk vol te vreten. Hij dronk ook veel melk en alcohol. Tenslotte vroeg hij om een flesje jodium, want daar had hij behoefte aan. Het was inmiddels een uur later geworden en de man slingerde zijn brommer weer overboord en hing hem aan de touwladder. Toen nam hij afscheid van Isaäc. Deze vroeg of het niet mogelijk was dat hij de rest van de tocht als bijrijder op de bromfiets meemaakte. 'Ik kan bijvoorbeeld de weg wijzen, want ik heb veel gevaren,' besloot hij zijn vraag. Maar de man schoot in de lach. 'Je zou eerst jaren moeten oefenen', zei de man, 'maar als ik per se wilde nam ik je mee. Ik kan zo goed sturen en mijn banden nog zover oppompen dat het lukken zou, maar ik heb er geen zin in. Wat heb ik met jou te maken? Ik rij nu al maanden op zee en de laatste week zou jij je plotseling bij me voegen? Wat zou dat voor zin hebben? Het is mij nu eenmaal om een eenmansrecord te doen. Ik kan de mensen bij het eindpunt toch niet uitleggen dat jij er pas op het laatst bij bent gekomen? Ik zou trouwens ontzettend mijn best moeten doen om de brommer met twee man rijdende te houden. En ik hen nog nooit geoefend met een tweede man. Weet ik veel wat voor onverwachte bewegingen jij ineens kan maken? Het is zaak om als het ware luchtigjes over het water te dansen,' ging de man voort,'heb je verstand van koorddansen?' vroeg hij. Isaäc, die de zin van de vraag niet begreep, zei van nee. 'Nou,' zei de man,'je moet voortdurend met de bromfiets balanceren en je moet je banden zo hoog mogelijk op de golven houden. Toen nam hij afscheid en daalde met zijn brommer de trap weer af. Isaäc wilde de touwladder nog wat verstellen, maar weer riep de man en dit keer erg luid, telkens: 'Voorzichtig, voorzichtig!' Toen de man vlak bij het water was gekomen, zette hij de motor hard aan, zodat de wielen in de lucht boven het water in het rond tolden. Af en toe hield de man de banden heel voorzichtig een beetje tegen het wateroppervlak aan, en op een gegeven moment sprong hij met een onverwachte beweging van de touwladder op de razende brommer, die met een noodgang wegspoot. Het werd al enigszins licht. Isaäc voelde zich bedroefd. De brommer was binnen een kwartier over de horizon verdwenen. Isaäc ging nog maar een uurtje naar bed. De volgende dag vertelde hij de marconist wat hij 's nachts had meegemaakt. Deze haalde zijn schouders op en toen Isaäc maar bleef aandringen, begon hij te lachen. Een uur later wist het hele schip dat Isaäc 's nachts een man over het water had zien rijden. Iedereen lachte. Toen de dag voorbij was, had Isaäc erge slaap. Maar voor hij naar bed ging, liep hij nog even naar het achterdek. De zon was juist ondergegaan. Het beloofde weer een fraaie nacht te worden. Het was nu iets bewolkter. Onwillekeurig begon Isaäc de zee af te turen. Maar natuurlijk was de man op de brommer nergens meer te zien. Het huilen stond Isaäc nader dan het lachen; hij hoorde niet op de wal, hij hoorde niet bij de bemanning, hij hoorde zelfs niet bij de man van de brommer. Hij keek naar het bruisende, gevaarlijke schroefwater en naar de vogels, die achter het schip aanvlogen. Hij had het gevoel dat hij een eenzaam man was en langzamerhand kwam hij tot de ontdekking dat het wel altijd zo zou blijven. Hij stak een sigaret op en begon een psalm te neuriën, maar hij kon zijn eigen stem haast niet verstaan. Het was gaan waaien en daarom kwam de schroef af en toe boven water, die dan als een dolleman in het rond tolde om met een zware dreun weer in het water terecht te komen. Isaäc keek naar een van de zeevogels en wenste net als dat beest te kunnen vliegen en staan waar hij wilde. Hij wilde vliegen achter de schepen aan of ver weg over de horizon. Zonder dat hij er zelf erg in had, begon hij de bewegingen van de vleugels der albatrossen in de lucht na te doen. De bootsman zag het toevallig. Hij giechelde, want hij zag dat Isaäc stevig met zijn voeten op het dek stond...