Verklaringen (*) (*) OPMERKING VAN DE SAMENSTELLERS: Hier treft men de verklaringen aan die zijn gehecht aan de slotakte van het Verdrag betreffende de Europese Unie en die betrekking hebben op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; voor de overige verklaringen die zijn gehecht aan de slotakte van het Verdrag betreffende de Europese Unie zij verwezen naar punt I III, blz. 77 tot en met 89; zie voor de slotakte van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap band I, deel II. VERKLARING (no 1er) betreffende civiele bescherming, energie en toerisme De conferentie verklaart dat de opneming in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van titels betreffende de in artikel 3, onder t, van dat Verdrag genoemde gebieden, volgens de procedure van artikel N, lid 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zal worden behandeld, op basis van een verslag dat de Commissie uiterlijk in 1996 aan de Raad zal voorleggen. De Commissie verklaart dat het optreden van de Gemeenschap op deze gebieden wordt voortgezet op grond van de huidige bepalingen van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen.. VERKLARING (no 2) betreffende de nationaliteit van een Lid-Staat De conferentie verklaart dat telkens wanneer in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap sprake is van onderdanen van de Lid-Staten, de vraag of een persoon de nationaliteit van deze of gene Lid-Staat bezit, uitsluitend wordt geregeld door verwijzing naar het nationale recht van de betrokken staat. De Lid-Staten kunnen, ter informatie, door middel van een bij het voorzitterschap neder te leggen verklaring, aangeven welke personen voor Gemeenschapsdoeleinden als hun onderdanen moeten worden beschouwd; zij kunnen die verklaring indien nodig wijzigen. VERKLARING (no 3) betreffende het derde deel, titels III en VI, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De conferentie bevestigt dat voor de toepassing van het bepaalde in het derde deel, titel III, hoofdstuk 4, betreffende kapitaal en betalingsverkeer, en titel VI, betreffende het economisch en monetair beleid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap de gebruikelijke praktijk volgens welke de Raad bijeenkomt in de samenstelling van ministers van Economische Zaken en Financiën, zal worden voortgezet, onverminderd het bepaalde in artikel 109 J, leden 2 tot en met 4, en artikel 109 K, lid 2. VERKLARING (no 4) betreffende het derde deel, titel VI, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De conferentie bevestigt dat de voorzitter van de Europese Raad de ministers van Economische Zaken en Financiën zal verzoeken deel te nemen aan de bijeenkomsten van de Europese Raad, wanneer deze aangelegenheden met betrekking tot de Economische en Monetaire Unie bespreekt. VERKLARING (no 5) betreffende de monetaire samenwerking met derde landen De conferentie bevestigt dat de Gemeenschap wil bijdragen aan stabiele internationale monetaire relaties. De Gemeenschap is bereid daartoe samen te werken met andere Europese landen en met niet-Europese landen waarmee de Gemeenschap nauwe economische betrekkingen onderhoudt. VERKLARING (no 6) betreffende de monetaire betrekkingen met de Republiek San Marino, Vaticaanstad en het Vorstendom Monaco De conferentie komt overeen dat de huidige monetaire betrekkingen tussen Italië en San Marino en Vaticaanstad en die tussen Frankrijk en Monaco door dit Verdrag onverlet worden gelaten zolang de Ecu niet als enige munteenheid van de Gemeenschap is ingevoerd. De Gemeenschap verbindt zich ertoe, heronderhandelingen over bestaande regelingen die als gevolg van de invoering van de Ecu als enige munteenheid van de Gemeenschap noodzakelijk mochten worden, te vergemakkelijken. VERKLARING (no 7) betreffende artikel 73 D van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De conferentie bevestigt dat het recht van de Lid-Staten om de ter zake dienende bepalingen van hun belastingwetgeving, bedoeld in artikel 73 D, lid 1, onder a, van het Verdrag toe te passen, alleen van toepassing zal zijn voor wat betreft de bepalingen ter zake die eind 1993 gelden. Deze verklaring geldt evenwel slechts voor het kapitaalverkeer en het betalingsverkeer tussen Lid-Staten VERKLARING (no 8) betreffende artikel 109 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De conferentie wijst erop dat de in artikel 109, lid 1, gebruikte termen "formele overeenkomsten'' niet ten doel hebben een nieuwe categorie internationale overeenkomsten in de zin van het Gemeenschapsrecht in te voeren. VERKLARING (no 9) betreffende het derde deel, titel XVI, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De conferentie is van oordeel dat de Gemeenschap, gezien het toenemende belang van het natuurbehoud op nationaal, communautair en internationaal niveau, bij de uitoefening van haar bevoegdheden uit hoofde van de bepalingen van het derde deel, titel XVI, van het Verdrag, met de specifieke vereisten op dit gebied rekening dient te houden. VERKLARING (no 10) betreffende de artikelen 109, 130 R en 130 Y, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De conferentie is van oordeel dat de bepalingen van artikel 109, lid 5, van artikel 130 R, lid 4, tweede alinea, en van artikel 130 Y, de beginselen die voortvloeien uit het arrest van het Hof van Justitie in de zaak AETR onverlet laten. VERKLARING (no 11) betreffende de Richtlijn van 24 november 1988 (emissies) De conferentie verklaart dat wijzigingen in de wetgeving van de Gemeenschap geen afbreuk kunnen doen aan de afwijkingen die tot en met 31 december 1999 aan Spanje en Portugal zijn toegestaan krachtens de richtlijn van de Raad van 24 november 1988 inzake beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties. VERKLARING (no 12) betreffende het Europees Ontwikkelingsfonds De conferentie komt overeen dat het Europees Ontwikkelingsfonds als voorheen door nationale bijdragen zal worden gefinancierd overeenkomstig de huidige bepalingen VERKLARING (no 13) betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie De conferentie acht het van belang een grotere betrokkenheid van de nationale parlementen bij de werkzaamheden van de Unie te stimuleren Daartoe dient de uitwisseling van informatie tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement te worden geïntensiveerd. In dit verband zien de regeringen van de Lid-Staten er onder andere op toe dat de nationale parlementen tijdig, ter informatie of voor eventuele bespreking, de beschikking kunnen krijgen over alle wetgevingsvoorstellen van de Commissie. De conferentie acht het tevens van belang dat de contacten tussen de nationale parlementen en het Europees Parlement worden geïntensiveerd, met name door het toekennen van passende wederzijdse faciliteiten en door regelmatige ontmoetingen tussen parlementsleden die voor dezelfde vraagstukken belangstelling hebben. VERKLARING (no 14) betreffende de Conferentie van de Parlementen De conferentie nodigt het Europees Parlement en de nationale parlementen uit om wanneer dat nodig is te vergaderen als een Conferentie van de parlementen (of "Assises''). De Conferentie van de parlementen wordt geraadpleegd over de hoofdlijnen van de Europese Unie, onverminderd de bevoegdheden van het Europees Parlement en de rechten van de nationale parlementen. De voorzitter van de Europese Raad en de voorzitter van de Commissie brengen tijdens elke zitting van de Conferentie van de parlementen verslag uit over de stand van de Unie. VERKLARING (no 15) betreffende het aantal leden van de Commissie en van het Europees Parlement De conferentie komt overeen de kwesties in verband met het aantal leden van het Europees Parlement en het aantal leden van de Commissie uiterlijk eind 1992 te behandelen, ten einde een akkoord te bereiken dat het mogelijk maakt te voorzien in de rechtsgrondslag die nodig is om tijdig voor de verkiezingen van 1994 het aantal leden van het Europees Parlement vast te stellen. De besluiten zullen onder meer worden genomen in het licht van de noodzaak het totale aantal leden van het Europees Parlement in een uitgebreide Gemeenschap vast te stellen. VERKLARING (no 16) betreffende de hiërarchie tussen communautaire besluiten De conferentie komt overeen dat de intergouvernementele conferentie van 1996 zal nagaan in hoeverre de indeling van de communautaire besluiten kan worden herzien met het oog op de vaststelling van een passende hiërarchie tussen de onderscheiden categorieën van besluiten VERKLARING (no 17) betreffende het recht op toegang tot informatie LDe conferentie is van oordeel dat de doorzichtigheid van het besluitvormingsproces het democratische karakter van de instellingen en het vertrouwen van het publiek in het bestuur versterkt. Dientengevolge beveelt de conferentie de Commissie aan de Raad uiterlijk in 1993 verslag uit te brengen over maatregelen om de toegang van het publiek tot de informatie waarover de instellingen beschikken, te vergroten. VERKLARING (no 18) betreffende de geraamde kosten van Commissievoorstellen De conferentie neemt er nota van dat de Commissie zich ertoe verbindt om, in voorkomend geval op basis van het door haar noodzakelijk geachte overleg en door een uitbreiding van haar systeem van evaluatie van de communautaire wetgeving, bij haar wetgevingsvoorstellen rekening te houden met de kosten en de baten voor de overheden van de Lid-Staten en voor alle betrokkenen VERKLARING (no 19) betreffende de tenuitvoerlegging van het Gemeenschapsrecht 1. De conferentie acht het voor de samenhang en de eenheid van het proces van de Europese opbouw van wezenlijk belang dat elke Lid-Staat de tot hem gerichte communautaire richtlijnen binnen de daarin gestelde termijnen volledig en nauwkeurig in zijn nationale recht omzet. De conferentie erkent voorts dat elke Lid-Staat zelf moet uitmaken hoe hij - zijn eigen bijzondere instellingen, rechtsorde en andere omstandigheden in aanmerking nemend, maar in ieder geval met inachtneming van artikel 189 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap - de bepalingen van het Gemeenschapsrecht het beste ten uitvoer kan leggen; niettemin acht zij het voor de goede werking van de Gemeenschap van wezenlijk belang dat de maatregelen die in de diverse Lid-Staten worden genomen ertoe leiden dat het Gemeenschapsrecht er even strikt en doeltreffend wordt toegepast als het nationale recht. 2. De conferentie verzoekt de Commissie er bij de uitoefening van de haar bij artikel 155 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap verleende bevoegdheden op toe te zien dat de Lid-Staten hun verplichtingen nakomen. Zij verzoekt de Commissie op gezette tijden een volledig verslag ten behoeve van de Lid-Staten en van het Europees Parlement op te stellen VERKLARING (no 20) betreffende de beoordeling van het milieu-effect van communautaire maatregelen De conferentie neemt akte van de verbintenis van de Commissie en van de Lid-Staten om in haar voorstellen, respectievelijk bij de tenuitvoerlegging, ten volle rekening te houden met de milieu-effecten en met het beginsel van duurzame groei VERKLARING (no 21) betreffende de Rekenkamer De conferentie onderstreept het bijzondere belang dat zij hecht aan de taken die aan de Rekenkamer worden opgedragen bij de artikelen 188 A, 188 B, 188 C en 206 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap Zij verzoekt de andere instellingen van de Gemeenschap om samen met de Rekenkamer alle passende middelen te bestuderen om de doeltreffendheid van haar werk te vergroten. VERKLARING (no 22) betreffende het Economisch en Sociaal Comité De conferentie komt overeen dat het Economisch en Sociaal Comité met betrekking tot zijn begroting en personeelsbeheer dezelfde onafhankelijkheid bezit als de Rekenkamer tot nog toe heeft genoten VERKLARING (no 23) betreffende de samenwerking met solidariteitsverenigingen De conferentie onderstreept dat voor het verwezenlijken van de doelstellingen van artikel 117, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en solidariteitsverenigingen en stichtingen, als lichamen die zich bezig houden met welzijnswerk, van groot belang is. VERKLARING (no 24) betreffende de bescherming van dieren De conferentie verzoekt het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Lid-Staten bij de opstelling en de tenuitvoerlegging van de communautaire wetgeving inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het vervoer, de interne markt en onderzoek ten volle rekening te houden met de vereisten inzake het welzijn van dieren. VERKLARING (no 25) betreffende de behartiging van de belangen van de landen en gebieden overzee bedoeld in artikel 227, lid 3 en lid 5, onder a en b, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap De conferentie neemt er akte van dat in uitzonderlijke omstandigheden conflicten kunnen ontstaan tussen de belangen van de Unie en de belangen van de landen en gebieden overzee welke bedoeld worden in artikel 227, lid 3 en lid 5, onder a en b, van het Verdrag; zij komt overeen dat de Raad daarvoor een oplossing zal zoeken die in overeenstemming is met het standpunt van de Unie. Voor het geval dat dit onmogelijk blijkt, komt de conferentie echter overeen dat de betrokken Lid-Staat afzonderlijk mag optreden in het belang van de bedoelde landen en gebieden overzee, zonder dat zulks de belangen van de Gemeenschap schaadt. Wanneer een dergelijk belangenconflict waarschijnlijk is, stelt de Lid-Staat de Raad en de Commissie hiervan in kennis, en wanneer een afzonderlijk optreden onvermijdelijk is, maakt hij duidelijk dat hij optreedt in het belang van een overzees gebied als hierboven bedoeld Deze verklaring geldt ook ten aanzien van Macao en Oost-Timor VERKLARING (no 26) betreffende de ultraperifere gebieden van de Gemeenschap De conferentie erkent dat de ultraperifere gebieden van de Gemeenschap (Franse overzeese departementen, de Azoren en Madeira en de Canarische Eilanden) een grote structurele achterstand hebben die wordt verergerd door verscheidene factoren (grote afstand, insulair karakter, kleine oppervlakte, moeilijk reliëf en klimaat, economische afhankelijkheid van enkele produkten) welke door hun blijvende en cumulatieve karakter de economische en sociale ontwikkeling van deze gebieden ernstig schaden Zij is van oordeel dat de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en van het afgeleide recht van rechtswege van toepassing zijn op de ultraperifere gebieden, maar dat het niettemin mogelijk blijft specifieke maatregelen te hunnen gunste te nemen voor zover en zolang er objectief behoefte bestaat aan dergelijke maatregelen met het oog op de economische en sociale ontwikkeling van deze gebieden. Deze maatregelen moeten zowel gericht zijn op voltooiing van de interne markt als op erkenning van de feitelijke situatie in de regio's, ten einde de ultraperifere gebieden in staat te stellen het gemiddelde economische en sociale niveau van de Gemeenschap te bereiken. VERKLARING (no 33) betreffende geschillen tussen de ECB en het EMI en hun personeelsleden De conferentie is van oordeel dat het Gerecht van eerste aanleg overeenkomstig artikel 168 A van het Verdrag kennis dient te nemen van deze categorie van beroepen. De conferentie verzoekt de instellingen derhalve de regels ter zake dienovereenkomstig te wijzigen A -Overeenkomst betreffende bepaalde instellingen welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN, DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND, DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK, DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK, HARE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOGIN VAN LUXEMBURG, HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN, VERLANGENDE, te voorkomen dat een veelvoud ontstaat van instellingen welke geroepen zijn in de door hen opgerichte Europese Gemeenschappen gelijksoortige taken te vervullen, HEBBEN BESLOTEN voor deze Gemeenschappen bepaalde gemeenschappelijke instellingen in het leven te roepen en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen: ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN: De heer Paul Henri SPAAK, minister van Buitenlandse Zaken; J. Ch. Baron SNOY ET D'OPPUERS, secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken, voorzitter van de Belgische delegatie bij de intergouvernementele conferentie; DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND: Dr. Konrad ADENAUER, Bondskanselier; Prof. Dr. Walter HALLSTEIN, staatssecretaris van Buitenlandse Zaken; DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK: De heer Christian PINEAU, minister van Buitenlandse Zaken; De heer Maurice FAURE, staatssecretaris van Buitenlandse Zaken; DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK: De heer Antonio SEGNI, voorzitter van de Raad van ministers; Prof. Gaetano MARTINO, minister van Buitenlandse Zaken; HARE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOGIN VAN LUXEMBURG: De heer Joseph BECH, minister-president, minister van Buitenlandse Zaken; De heer Lambert SCHAUS, ambassadeur, voorzitter van de Luxemburgse delegatie bij de intergouvernementele conferentie; HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN: De heer Joseph LUNS, minister van Buitenlandse Zaken; De heer J. LINTHORST HOMAN, voorzitter van de Nederlandse delegatie bij de intergouvernementele conferentie; DIE, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen overeenstemming hebben bereikt. AFDELING I DE VERGADERING (*) (*) OPMERKING VAN DE SAMENSTELLERS: In afwijking van het bepaalde in artikel 3 van de EA en om historische redenen is de uitdrukking "Vergadering" niet vervangen door "Europees Parlement". Artikel 1 Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie anderzijds aan de Vergadering toekennen, worden, overeenkomstig de bepalingen onderscheidenlijk in die Verdragen gesteld, uitgeoefend door één Vergadering, samengesteld en aangewezen als in artikel 138 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en in artikel 108 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie is voorgeschreven. Artikel 2 1. Zodra zij in functie treedt, vervangt de in het voorgaande artikel genoemde Vergadering de Gemeenschappelijke Vergadering genoemd in artikel 21 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Zij oefent de door dat Verdrag aan de Gemeenschappelijke Vergadering toegekende algemene en bijzondere bevoegdheden uit overeenkomstig de bepalingen daarvan. 2. Te dien einde wordt op de datum waarop de in het voorgaande artikel genoemde Vergadering in functie treedt, artikel 21 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal ingetrokken en door de volgende bepalingen vervangen: "Artikel 21 1. Het Europees Parlement bestaat uit afgevaardigden die de parlementen uit hun midden aanwijzen volgens de door iedere deelnemende staat vastgestelde procedure. 2. Het aantal afgevaardigden is als volgt vastgesteld: Duitsland 36 België 14 Frankrijk 36 Italië 36 Luxemburg 6 Nederland 14 3. Het Europees Parlement stelt ontwerpen op voor het houden van rechtstreekse algemene verkiezingen volgens een in alle deelnemende staten eenvormige procedure. De Raad stelt met eenparigheid van stemmen de desbetreffende bepalingen vast, waarvan hij de aanneming door de deelnemende staten, overeenkomstig hun onderscheidene grondwettelijke bepalingen, aanbeveelt." AFDELING II HET HOF VAN JUSTITIE Artikel 3 De bevoegdheden welke het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap enerzijds en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie anderzijds aan het Hof van Justitie toekennen, worden, onder de voorwaarden onderscheidenlijk in die Verdragen gesteld, uitgoefend door één Hof van Justitie, samengesteld en aangewezen als in de artikelen 165 tot en met 167 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en in de artikelen 137 tot en met 139 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie is voorgeschreven. Artikel 4 1. Zodra het in functie treedt, vervangt het in het voorgaande artikel genoemde Hof van Justitie het Hof genoemd in artikel 32 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Het oefent de door dat Verdrag aan het Hof toegekende bevoegdheden uit overeenkomstig de bepalingen daarvan. De president van het in het voorgaande artikel genoemde Hof van Justitie oefent de bevoegdheden uit welke het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal aan de voorzitter van het daarin genoemde Hof toekent. 2. Te dien einde worden op de datum waarop het in het voorgaande artikel genoemde Hof van Justitie in functie treedt, artikel 32 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal ingetrokken en door de volgende bepalingen vervangen: "Artikel 32 Het Hof bestaat uit zeven rechters. Het Hof komt in voltallige zitting bijeen. Het kan echter uit zijn midden kamers vormen, elk samengesteld uit drie of vijf rechters, om overeenkomstig de bepalingen van een daartoe opgesteld reglement hetzij bepaalde maatregelen van onderzoek te nemen, hetzij bepaalde soorten van zaken te berechten. In alle zaken die aanhangig zijn gemaakt door een deelnemende staat of door een instelling van de Gemeenschap, alsmede in alle krachtens artikel 41 aan het Hof voorgelegde prejudiciële geschillen, beslist het Hof in voltallige zitting. Indien het Hof zulks verzoekt, kan de Raad met eenparigheid van stemmen het aantal rechters verhogen en de tweede en de derde alinea van dit artikel alsmede de tweede alinea van artikel 32 ter voor zover nodig aanpassen." "Artikel 32 bis Het Hof wordt bijgestaan door twee advocaten-generaal. De advocaat-generaal heeft tot taak, in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken welke aan het Hof zijn voorgelegd, ten einde dit ter zijde te staan bij de vervulling van zijn taak, gelijk deze is omschreven in artikel 31. Indien het Hof zulks verzoekt, kan de Raad met eenparigheid van stemmen het aantal advocaten-generaal verhogen en de derde alinea van artikel 32 ter voor zover nodig aanpassen." "Artikel 32 ter De rechters en de advocaten-generaal, gekozen uit personen die alle waarborgen voor onafhankelijkheid bieden en aan alle gestelde eisen voldoen om in hun onderscheidene landen de hoogste rechterlijke ambten te bekleden, of die bekend staan als kundige rechtsgeleerden, worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de deelnemende staten voor zes jaar benoemd. Om de drie jaar vindt een gedeeltelijke vervanging van de rechters plaats. Deze heeft beurtelings betrekking op drie en op vier rechters. De drie rechters die aan het einde van de eerste periode van drie jaar moeten aftreden, worden door het lot aangewezen. Om de drie jaar vindt een gedeeltelijke vervanging van de advocaten-generaal plaats. De advocaat-generaal die aan het einde van de eerste periode van drie jaar moet aftreden wordt door het lot aangewezen. De aftredende rechters en advocaten-generaal zijn herbenoembaar. De rechters kiezen uit hun midden voor drie jaar de voorzitter van het Hof. Hij is herkiesbaar." "Artikel 32 quater "Artikel 32 quater Het Hof benoemt zijn griffier en bepaalt diens positie." de bepalingen van het protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie, welk protocol een bijlage vormt van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, ingetrokken voor zover zij in strijd zijn met de artikelen 32 tot en met 32 quater van dat Verdrag. AFDELING III HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ Artikel 5 1. De taak welke het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap enerzijds en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie anderzijds aan het Economisch en Sociaal Comité toekennen, wordt onder de voorwaarden onderscheidenlijk in die Verdragen gesteld, vervuld door één Economisch en Sociaal Comité, samengesteld en aangewezen als in artikel 194 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en in artikel 166 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie is voorgeschreven. 2. . Het in het voorgaande lid genoemde Economisch en Sociaal Comité moet een gespecialiseerde afdeling en kan deskundige sub-comités omvatten, voor het terrein of voor de vraagstukken welke onder het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie vallen 3. De bepalingen van de artikelen 193 en 197 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap zijn van toepassing op het in lid 1 genoemde Economisch en Sociaal Comité. AFDELING IV DE FINANCIERING DEZER INSTELLINGEN Artikel 6 (Vervallen ingevolge artikel 23 van het Fusieverdrag) [Zie artikel 20 van het Fusieverdrag dat als volgt luidt: 1. . De administratieve uitgaven van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de daarop betrekking hebbende ontvangsten, de ontvangsten en uitgaven van de Europese Economische Gemeenschap, alsmede de ontvangsten en uitgaven van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, met uitzondering van die van het Voorzieningsagentschap en van de gemeenschappelijke ondernemingen, worden opgevoerd op de begroting van de Europese Gemeenschappen volgens de onderscheiden bepalingen van de Verdragen tot oprichting van deze drie Gemeenschappen. Deze begroting, waarop de ontvangsten en de uitgaven met elkaar in evenwicht moeten zijn, treedt in de plaats van de administratieve begroting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de begroting van de Europese Economische Gemeenschap, alsmede van de huishoudelijke begroting en de begroting van onderzoek en investeringen van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (*). (*) Lid 1, zoals gewijzigd door artikel 10 van het Verdrag houdende wijziging van een aantal budgettaire bepalingen. 2. Het gedeelte van deze uitgaven, dat wordt gedekt voor de in artikel 49 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal bedoelde heffingen, wordt vastgesteld op 18 miljoen rekeneenheden. Met ingang van het begrotingsjaar dat aanvangt op 1 januari 1967, legt de Commissie elk jaar aan de Raad een verslag voor, op grond waarvan de Raad onderzoekt of er aanleiding bestaat dit bedrag aan te passen aan de ontwikkeling van de begroting der Gemeenschappen. De Raad beslist met de meerderheid bedoeld in artikel 28, vierde alinea, eerste zin, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Deze aanpassing vindt plaats op de grondslag van een beoordeling van de ontwikkeling van de uitgaven die voortvloeien uit de toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. 3. Het gedeelte van de heffingen, dat dient ter dekking van de uitgaven van de begroting der Gemeenschappen, wordt door de Commissie ter beschikking gesteld voor de tenuitvoerlegging van deze begroting volgens het tijdschema dat voor de terbeschikkingstelling door de Lid-Staten van hun bijdragen is opgenomen in de financiële reglementen, vastgesteld krachtens artikel 209, sub b, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en artikel 183, sub b, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.] Slotbepalingen Artikel 7 Deze overeenkomst zal door de Hoge Overeenkomstsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheidene grondwettelijke bepalingen. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de regering van de Italiaanse Republiek. Deze overeenkomst, opgesteld in één exemplaar, in de Duitse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse taal, zijnde de vier teksten gelijkelijk authentiek, zal worden nedergelegd in het archief van de regering van de Italiaanse Republiek, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de regeringen der andere ondertekenende staten. Deze overeenkomst treedt in werking op de dag waarop zowel het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap als het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie in werking zal treden. Artikel 8 Deze overeenkomst, opgesteld in één exemplaar, in de Duitse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse taal, zijnde de vier teksten gelijkelijk authentiek, zal worden nedergelegd in het archief van de regering van de Italiaanse Republiek, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de regeringen der andere ondertekenende staten. TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder deze overeenkomst hebben gesteld Fait à Rome, le vingt-cinq mars mil neuf cent cinquante-sept. P. H. SPAAKJ. Ch. SNOY ET D'OPPUERS ADENAUERHALLSTEIN PINEAUM. FAURE Antonio SEGNIGaetano MARTINO BECHLambert SCHAUS J. LUNSJ. LINTHORST HOMAN B - Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben (*) (*) PB 152 van 13. 7. 1967. 1. TEKST VAN HET VERDRAG ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN, DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND, DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK, DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK, HARE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOGIN VAN LUXEMBURG, HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN, GELET op artikel 96 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, GELET op artikel 236 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, GELET op artikel 204 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, VASTBESLOTEN, voort te gaan op de weg naar de Europese eenheid, BESLOTEN hebbende, de drie Gemeenschappen één te maken, ZICH ERVAN BEWUST, dat het in het leven roepen van gemeenschappelijke instellingen voor de Gemeenschappen een bijdrage vormt tot deze eenmaking, HEBBEN BESLOTEN één Raad en Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, in het leven te roepen en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen: ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN: De heer Paul Henri SPAAK, vice-eerste-minister en minister van Buitenlandse Zaken; DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND: De heer Kurt SCHMÜCKER, minister van Economische Zaken; DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK: De heer Maurice COUVE DE MURVILLE, minister van Buitenlandse Zaken; DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK: De heer Amintore FANFANI, minister van Buitenlandse Zaken; ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOG VAN LUXEMBURG: De heer Pierre WERNER, voorzitter van de regering en minister van Buitenlandse Zaken; HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN: De heer J. M. A. H. LUNS, minister van Buitenlandse Zaken; DIE, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen overeenstemming hebben bereikt. HOOFDSTUK I DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Artikel 1 Er wordt een Raad van de Europese Gemeenschappen ingesteld, hierna genoemd de Raad. Deze Raad treedt in de plaats van de Bijzondere Raad van ministers van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de Raad van de Europese Economische Gemeenschap en de Raad van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Artikelen 2 tot en met 7 (ingetrokken) (*) (*) Zie artikel P, lid 1, VEU. Artikel 8 (p. m.) (**) (**) De bij dit artikel ingevoerde wijzigingen zijn overgenomen in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal. HOOFDSTUK II DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Artikel 9 Er wordt een Commissie van de Europese Gemeenschappen ingesteld, hierna genoemd de Commissie. Deze Commissie treedt in de plaats vande Hoge Autoriteit van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de Commissie van de Europese Economische Gemeenschap en de Commissie van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Zij oefent de aan deze instellingen verleende algemene en bijzondere bevoegdheden uit overeenkomstig de bepalingen van de Verdragen tot oprichting onderscheidenlijk van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, alsmede van dit Verdrag. Artikelen 10 tot en met 19 (ingetrokken) (*) (*) Zie artikel P, lid 1, VEU HOOFDSTUK III FINANCIELE BEPALINGEN Artikel 20 1. De administratieve uitgaven van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de daarop betrekking hebbende ontvangsten, de ontvangsten en uitgaven van de Europese Economische Gemeenschap, alsmede de ontvangsten en uitgaven van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, met uitzondering van die van het Voorzieningsagentschap en van de gemeenschappelijke ondernemingen, worden opgevoerd op de begroting van de Europese Gemeenschappen volgens de onderscheiden bepalingen van de Verdragen tot oprichting van deze drie Gemeenschappen. Deze begroting, waarop de ontvangsten en de uitgaven met elkaar in evenwicht moeten zijn, treedt in de plaats van de administratieve begroting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de begroting van de Europese Economische Gemeenschap, alsmede van de huishoudelijke begroting en de begroting van onderzoek en investeringen van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (*). (*) Lid 1 zoals gewijzigd door artikel 10 van het Verdrag houdende wijziging van een aantal budgettaire bepalingen. 2. Het gedeelte van deze uitgaven, dat wordt gedekt door de in artikel 49 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal bedoelde heffingen, wordt vastgesteld op 18 miljoen rekeneenheden. Met ingang van het begrotingsjaar dat aanvangt op 1 januari 1967, legt de Commissie elk jaar aan de Raad een verslag voor, op grond waarvan de Raad onderzoekt of er aanleiding bestaat dit bedrag aan te passen aan de ontwikkeling van de begroting der Gemeenschappen. De Raad beslist met de meerderheid bedoeld in artikel 28, vierde alinea, eerste zin, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Deze aanpassing vindt plaats op de grondslag van een beoordeling van de ontwikkeling van de uitgaven die voortvloeien uit de toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. 3. Het gedeelte van de heffingen, dat dient ter dekking van de uitgaven van de begroting der Gemeenschappen, wordt door de Commissie ter beschikking gesteld voor de tenuitvoerlegging van deze begroting volgens het tijdschema dat voor de terbeschikkingstelling door de Lid-Staten van hun bijdragen is opgenomen in de financiële reglementen, vastgesteld krachtens artikel 209, sub b, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en artikel 183, sub b, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Artikel 21 (p.m.) (*) *(*) De bij dit artikel ingevoegde wijzigingen zijn opgenomen in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Artikel 22 (**) (**) Tekst zoals deze is gewijzigd door artikel 27 van het Verdrag houdende wijziging van een aantal financiële bepalingen. 1. De algemene en bijzondere bevoegdheden, toegekend aan de Rekenkamer die is ingesteld bij artikel 78 sexies van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, bij artikel 206 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en bij artikel 180 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden overeenkomstig de onderscheiden bepalingen van deze Verdragen, uitgeoefend door één Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen die is samengesteld zoals in deze artikelen is bepaald. 2. Onverminderd de in lid 1 genoemde algemene en bijzondere bevoegdheden, oefent de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen de algemene en bijzondere bevoegdheden uit die vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag waren toegekend aan de Controlecommissie van de Europese Gemeenschappen en aan de Financiële Commissaris van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, en dit onder de voorwaarden als bepaald in de onderscheiden teksten waarin wordt verwezen naar de controlecommissie en de financiële commissaris. In al deze teksten worden de woorden "controlecommissie" en "financiële commissaris" vervangen door het woord "Rekenkamer". Artikel 23 Artikel 6 van de Overeenkomst met betrekking tot bepaalde instellingen welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, vervalt HOOFDSTUK IV AMBTENAREN EN ANDERE PERSONEELSLEDEN VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Artikel 24 1. Op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag worden de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen en maken zij deel uit van één administratie welke deze Gemeenschappen gemeen hebben. De Raad stelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de andere betrokken Instellingen, het statuut vast van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, alsmede de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen. 2. De derde alinea van paragraaf 7 van de Overeenkomst met betrekking tot de overgangsbepalingen, welke is gehecht aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, artikel 212 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en artikel 186 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, vervallen. Artikel 25 Tot de inwerkingtreding van het eenvormige statuut en de eenvormige regeling, als bedoeld in artikel 24, alsmede van de krachtens artikel 13 van het aan dit Verdrag gehechte protocol te treffen regeling, gelden voor de ambtenaren en andere personeelsleden die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag in dienst zijn getreden, de bepalingen die tot op dat tijdstip op hen van toepassing waren. In afwachting van het eenvormige statuut en de eenvormige regeling, als bedoeld in artikel 24, alsmede van de krachtens artikel 13 van het aan dit Verdrag gehechte protocol te treffen regeling, gelden voor de ambtenaren en andere personeelsleden die na het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag in dienst zijn getreden, de bepalingen welke van toepassing zijn op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Artikel 26 Artikel 40, tweede alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vervalt en wordt vervangen door de volgende bepalingen: "Het Hof is eveneens bevoegd schadeloosstelling toe te kennen ten laste van de Gemeenschap, ingeval de schade het gevolg is van een persoonlijke fout van een personeelslid daarvan in de uitoefening zijner bediening. De persoonlijke aansprakelijkheid van de personeelsleden jegens de Gemeenschap wordt geregeld bij de bepalingen welke hun statuut of de op hen toepasselijke regeling vaststellen." HOOFDSTUK V ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN Artikel 27 1. De artikelen 22, eerste alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, 139, eerste alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en 109, eerste alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, vervallen en worden door de volgende bepalingen vervangen: "Het Europees Parlement houdt jaarlijks een zitting. Het komt van rechtswege de tweede dinsdag van maart bijeen." "Het Europees Parlement houdt jaarlijks een zitting. Het komt van rechtswege de tweede dinsdag van maart bijeen." 2. Artikel 24, tweede alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal vervalt en wordt vervangen door de volgende bepaling: "Wanneer aan het Europees Parlement een motie van afkeuring betreffende het beleid van de Hoge Autoriteit wordt voorgelegd, kan het zich over deze motie niet eerder uitspreken dan ten minste drie dagen nadat de motie is ingediend en slechts bij openbare stemming." Artikel 28 De Europese Gemeenschappen genieten, overeenkomstig de bepalingen van het aan dit Verdrag gehechte protocol, op het grondgebied van de Lid-Staten de voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn ter vervulling van hun taak. Dit zelfde geldt voor de Europese Investeringsbank. De artikelen 76 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, 218 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en 191 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, alsmede de aan deze drie Verdragen gehechte protocollen betreffende de voorrechten en immuniteiten, de artikelen 3, vierde alinea, en 14, tweede alinea, van het protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie, gehecht aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en artikel 28, lid 1, tweede alinea, van het protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank, gehecht aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, vervallen. Artikel 29 De door de artikelen 5, 6, 10, 12, 13, 24, 34 en 35 van dit Verdrag en de door de bepalingen van het daaraan gehechte protocol aan de Raad toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend volgens de regels vastgesteld bij de artikelen 148, 149 en 150 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en bij de artikelen 118, 119 en 120 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Artikel 30 De bepalingen van de Verdragen tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie inzake de bevoegdheid van het Hof van Justitie en inzake de uitoefening van deze bevoegdheid, zijn van toepassing op de bepalingen van dit Verdrag en het aangehechte protocol, doch niet op de bepalingen die wijziging brengen in de artikelen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, waarvoor de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van toepassing blijven. Artikel 31 De Raad treedt in functie op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Verdrag. Op dat tijdstip wordt het voorzitterschap van de Raad uitgeoefend door het lid van de Raad dat, overeenkomstig de regels vastgesteld door de Verdragen tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, het voorzitterschap van de Raad van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie op zich zou moeten nemen, en wel voor de verdere duur van zijn mandaat. Na afloop van dit mandaat wordt het voorzitterschap uitgeoefend overeenkomstig de verdere volgorde van de Lid-Staten, vastgesteld in artikel 2 van dit Verdrag. Artikel 32 1. Tot de datum van inwerkingtreding van het Verdrag tot oprichting van één Europese Gemeenschap en ten hoogste gedurende een tijdvak van drie jaar vanaf de benoeming van de leden, bestaat de Commissie uit veertien leden. Gedurende dit tijdvak mag het aantal leden van dezelfde nationaliteit niet meer dan drie bedragen. 2. De voorzitter, de vice-voorzitter en de leden van de Commissie worden benoemd terstond na de inwerkingtreding van dit Verdrag. De Commissie treedt in functie op de vijfde dag na de benoeming harer leden. Op hetzelfde tijdstip eindigt het mandaat der leden van de Hoge Autoriteit en van de Commissies der Europese Economische Gemeenschap en der Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Artikel 33 Het mandaat van de leden der in artikel 32 bedoelde Commissie eindigt op het tijdstip, vastgesteld in artikel 32, lid 1. De leden der in artikel 10 bedoelde Commissie worden uiterlijk een maand voor deze datum benoemd. Voor zover alle of enkele van deze benoemingen niet tijdig zouden plaatsvinden, is het bepaalde in artikel 12, derde alinea, niet van toepassing op het lid dat van de onderdanen van iedere Lid-Staat de laagste anciënniteit heeft als lid van een der Commissies of van de Hoge Autoriteit, of dat, bij gelijke anciënniteit, het jongste in leeftijd is. Het bepaalde in artikel 12, derde alinea, blijft echter van toepassing op alle leden van dezelfde nationaliteit, wanneer een lid van die nationaliteit vóór het in artikel 32, lid 1, vastgestelde tijdstip, de uitoefening van zijn functie heeft gestaakt zonder te zijn vervangen Artikel 34 Met eenparigheid van stemmen stelt de Raad de geldelijke regeling vast voor de oud-leden van de Hoge Autoriteit en de Commissies van de Europese Economische Gemeenschap en van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, die, nadat krachtens artikel 32 hun mandaat een einde heeft genomen, niet tot leden van de Commissie zijn benoemd. Artikel 35 1. De eerste begroting van de Gemeenschappen wordt opgesteld en vastgesteld voor het begrotingsjaar dat ingaat op 1 januari volgende op de inwerkingtreding van dit Verdrag. 2. Indien dit Verdrag voor 1 juli 1965 in werking treedt, wordt de algemene begroting van de administratieve uitgaven van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, die op 1 juli afloopt, verlengd tot en met 31 december van dat jaar; de uit hoofde van deze begroting geopende kredieten worden dan naar evenredigheid verhoogd, tenzij de Raad met gekwalificeerde meerderheid anders besluit. Indien dit Verdrag na 30 juni 1965 in werking treedt, neemt de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen de nodige besluiten, waarbij hij ernaar streeft enerzijds een regelmatige werking van de Gemeenschappen te waarborgen en anderzijds op een zo vroeg mogelijk tijdstip de eerste begroting van de Gemeenschappen vast te stellen. Artikel 36 De voorzitter en de leden van de controle-commissie van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie treden bij de inwerkingtreding van dit Verdrag en voor de verdere duur van hun vroegere mandaat in functie als voorzitter en leden van de controle-commissie van de Europese Gemeenschappen. De financiële commissaris die tot de inwerkingtreding van dit Verdrag zijn functie uitoefent overeenkomstig artikel 78 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, treedt voor de verdere duur van zijn vroegere mandaat in functie als financieel commissaris, bedoeld in artikel 78 sexies van laatstgenoemd Verdrag (*). (*) Zie artikel 22 hierboven. Artikel 37 Onverminderd de toepassing van de artikelen 77 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, 216 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en 189 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en van artikel 1, tweede alinea, van het Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank, stellen de vertegenwoordigers van de regeringen van de Lid-Staten in onderlinge overeenstemming de bepalingen vast welke nodig zijn voor het oplossen van bepaalde bijzondere vraagstukken met betrekking tot het Groothertogdom Luxemburg, die voortvloeien uit de instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben. Het besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen der Lid-Staten treedt op dezelfde datum als dit Verdrag in werking Artikel 38 Dit Verdrag zal door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de regering van de Italiaanse Republiek. Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het nederleggen van de akte van bekrachtiging door de ondertekenende staat die als laatste deze handeling verricht. Artikel 39 Dit Verdrag, opgesteld in één exemplaar, in de Duitse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse taal, zijnde de vier teksten gelijkelijk authentiek, zal worden nedergelegd in het archief van de regering van de Italiaanse Republiek, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de regeringen der andere ondertekenende staten. Ten blijke waarvan de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit Verdrag hebben gesteld. Gedaan te Brussel de achtste april negentienhonderdvijfenzestig. Pour Sa Majesté le roi des Belges Voor Zijne Majesteit de Koning der Belgen Paul Henri SPAAK Für den Präsidenten der Bundesrepublik Deutschland Kurt SCHMÜCKER Pour le président de la République française Maurice COUVE DE MURVILLE Per il Presidente della Repubblica italiana Amintore FANFANI Pour Son Altesse Royale le grand-duc de Luxembourg Pierre WERNER Voor Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden J. M. A. H. LUNS 2. PROTOCOL BETREFFENDE DE VOORRECHTEN EN IMMUNITEITEN VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN OVERWEGENDE dat krachtens de bepalingen van artikel 28 van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, deze Gemeenschappen en de Europese Investeringsbank op het grondgebied van de Lid-Staten de immuniteiten en voorrechten genieten welke nodig zijn ter vervulling van hun taak, HEBBEN OVEREENSTEMMING BEREIKT omtrent de volgende bepalingen welke aan dit Verdrag zijn gehecht: HOOFDSTUK I EIGENDOMMEN, FONDSEN, BEZITTINGEN EN VERRICHTINGEN VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Artikel 1 De gebouwen en terreinen van de Gemeenschappen zijn onschendbaar. Zij zijn vrijgesteld van huiszoeking, vordering, verbeurdverklaring of onteigening. De eigendommen en bezittingen van de Gemeenschappen kunnen zonder toestemming van het Hof van Justitie niet worden getroffen door enige dwangmaatregel van bestuursrechtelijke of gerechtelijke aard. Artikel 2 Het archief van de Gemeenschappen is onschendbaar. Artikel 3 De Gemeenschappen, hun bezittingen, inkomsten en andere eigendommen zijn vrijgesteld van alle directe belastingen. Telkens wanneer hun dit mogelijk is, treffen de regeringen van de Lid-Staten passende maatregelen tot kwijtschelding of teruggave van het bedrag der indirecte belastingen en van belastingen op de verkoop, welke een deel vormen van de prijs van onroerende of roerende goederen, wanneer de Gemeenschappen voor haar officieel gebruik belangrijke aankopen doen van goederen in de prijs waarvan zodanige belastingen begrepen zijn. De toepassing van deze bepalingen mag evenwel niet tot gevolg hebben dat de mededinging binnen de Gemeenschappen wordt vervalst. Geen enkele vrijstelling wordt verleend van belastingen, heffingen en rechten die niet anders zijn dan eenvoudige vergoedingen voor diensten van openbaar nut Artikel 4 De Gemeenschappen zijn vrijgesteld van alle douanerechten, in- en uitvoerverboden en -beperkingen met betrekking tot goederen bestemd voor officieel gebruik van de Gemeenschappen; de aldus ingevoerde goederen mogen op het grondgebied van het land alwaar zij zijn ingevoerd niet onder bezwarende titel of om niet worden overgedragen, tenzij op voorwaarden welke door de regering van dat land zijn goedgekeurd. Zij zijn eveneens vrijgesteld van alle douanerechten, in- en uitvoerverboden en -beperkingen met betrekking tot hun publikaties. Artikel 5 De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal kan alle soorten van deviezen en rekeningen in iedere geldsoort aanhouden. HOOFDSTUK II MEDEDELINGEN EN LAISSEZ-PASSER Artikel 6 De instellingen van de Gemeenschappen genieten, voor hun officiële mededelingen en het overbrengen van al hun documenten op het grondgebied van iedere Lid-Staat de behandeling, welke door deze staat aan diplomatieke missies wordt toegestaan. De officiële correspondentie en andere officiële mededelingen van de instellingen van de Gemeenschappen zijn niet aan censuur onderworpen Artikel 7 1. Laissez-passer, waarvan de vorm door de Raad wordt vastgesteld en welke als geldige reispapieren worden erkend door de overheidsinstanties van de Lid-Staten kunnen door de voorzitters van de instellingen van de Gemeenschappen aan de leden en het personeel van deze instellingen worden verstrekt. Deze laissez-passer worden aan de ambtenaren, en overige personeelsleden verstrekt overeenkomstig de bepalingen van het statuut van de ambtenaren en de regeling voor de andere personeelsleden van de Gemeenschappen De Commissie kan akkoorden sluiten ten einde deze laissez-passer te doen erkennen als geldige reispapieren voor het grondgebied van derde staten 2. De bepalingen van artikel 6 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal blijven echter tot de toepassing van de bepalingen van lid 1 toepasselijk op de leden en personeelsleden van de instellingen, die bij de inwerkingtreding van dit Verdrag in het bezit van de in dat artikel bedoelde laissez-passer zijn HOOFDSTUK III LEDEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT Artikel 8 De bewegingsvrijheid der leden van het Europees Parlement die zich naar de plaats van bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren wordt op geen enkele wijze beperkt door voorschriften van bestuursrechtelijke of andere aard. Aan de leden van het Europees Parlement worden, wat betreft douane en deviezencontrole, toegekend: door hun eigen regering, dezelfde faciliteiten als zijn toegekend aan hoge ambtenaren, die zich, belast met een tijdelijke officiële zending, naar het buitenland begeven, door de regeringen van de andere Lid-Staten, dezelfde faciliteiten als zijn toegekend aan vertegenwoordigers van buitenlandse regeringen, belast met een tijdelijke officiële zending. Artikel 9 Tegen de leden van het Europees Parlement kan geen opsporing plaatsvinden, noch kunnen zij worden aangehouden of vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht. Artikel 10 Tijdens de zittingsduur van het Europees Parlement genieten de leden: op hun eigen grondgebied, de immuniteiten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend, op het grondgebied van elke andere Lid-Staat, vrijstelling van aanhouding en gerechtelijke vervolging in welke vorm ook. De immuniteit beschermt hen eveneens, wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren. Op deze immuniteit kan geen beroep worden gedaan in geval van ontdekking op heterdaad, terwijl zij evenmin kan verhinderen dat het Europees Parlement het recht uitoefent de immuniteit van een van zijn leden op te heffen.V HOOFDSTUK IV DE AAN DE WERKZAAMHEDEN VAN DE INSTELLINGEN DER EUROPESE GEMEENSCHAPPEN DEELNEMENDE VERTEGENWOORDIGERS DER LID-STATEN Artikel 11 De aan de werkzaamheden van de instellingen van de Gemeenschappen deelnemende vertegenwoordigers der Lid-Staten, alsmede hun raads lieden en de deskundigen, genieten gedurende de uitoefening van hun ambt en op hun reizen naar en van de plaats van bijeenkomst de gebruikelijke voorrechten, immuniteiten en faciliteiten. Dit artikel is eveneens van toepassing op de leden der raadgevende organen van de Gemeenschappen. HOOFDSTUKV AMBTENAREN EN OVERIGE PERSONEELS- LEDEN VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Artikel 12 De ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen zijn, ongeacht hun nationaliteit, op het grondgebied van elk der Lid-Staten: vrijgesteld van rechtsvervolging voor hetgeen zij in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan, gezegd of geschreven, behoudens de toepassing van de bepalingen der Verdragen, die betrekking hebben op de verantwoordelijkheid van de ambtenaren en overige personeelsleden tegenover de Gemeenschappen, en voorts op de bevoegdheid van het Hof om uitspraak te doen in geschillen tussen de Gemeenschappen en hun ambtenaren en overige personeelsleden. Zij blijven deze immuniteit genieten nadat zij hun ambt hebben neergelegd; te zamen met hun echtgenoten en de te hunnen laste zijnde verwanten vrijgesteld van immigratiebeperkingen en vreemdelingenregistratie; inzake monetaire of deviezenregelingen in het genot van de gebruikelijke faciliteiten welke aan ambtenaren van internationale organisaties worden toegekend; gerechtigd om de eerste maal, dat zij hun post bezetten, in het betrokken land hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik vrij van rechten in te voeren, en bij het neerleggen van hun ambt hun huisraad en goederen voor persoonlijk gebruik uit genoemd land vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van het land waar dit recht wordt uitgeoefend, als noodzakelijk beschouwt; gerechtigd uit een Lid-Staat hun voor persoonlijk gebruik bestemde personenauto die in het land waar zij het laatst hun verblijfplaats hebben gehad of in het land waarvan zij onderdaan zijn, verkregen is op de voorwaarden die op de binnenlandse markt van dat land gelden, vrij van rechten in te voeren, en deze vrij van rechten weder uit te voeren, in beide gevallen met inachtneming van de voorwaarden welke de regering van het betrokken land als noodzakelijk beschouwt Artikel 13 Onder de voorwaarden en volgens de procedure welke door de Raad op voorstel van de Commissie worden vastgesteld, worden de ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen onderworpen aan een belasting ten bate van de Gemeenschappen op de door hun betaalde salarissen, lonen en emolumenten. Zij zijn vrijgesteld van nationale belastingen op de door de Gemeenschappen betaalde salarissen, lonen en emolumenten. Artikel 14 De ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen, die zich uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van hun ambt in dienst van de Gemeenschappen vestigen op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de staat van de fiscale woonplaats, welke zij bezitten op het ogenblik van hun indiensttreding bij de Gemeenschappen, worden voor de toepassing van de inkomsten-, vermogens- en successiebelastingen, alsmede van de tussen de Lid-Staten van de Gemeenschappen gesloten overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting, zowel in de staat waar zij zich gevestigd hebben als in de staat van de fiscale woonplaats, geacht hun woonplaats te hebben behouden in de laatstgenoemde staat, indien deze lid is van de Gemeenschappen. Deze bepaling geldt eveneens voor de echtgenoot voor zover deze geen eigen beroepsbezigheden uitoefent, alsmede voor de kinderen die ten laste zijn en onder toezicht staan van de in dit artikel bedoelde personen. De roerende goederen welke toebehoren aan de in de vorige alinea bedoelde personen en zich bevinden op het grondgebied van de staat van verblijf, worden in de staat vrijgesteld van successiebelasting; voor de heffing van die belasting worden die roerende goederen geacht zich in de staat van de fiscale woonplaats te bevinden, onder voorbehoud van de rechten van derde staten en de mogelijke toepassing van de bepalingen der internationale overeenkomsten betreffende dubbele belasting. De uitsluitend uit hoofde van de uitoefening van een ambt in dienst van andere internationale organisaties verkregen woonplaats wordt niet in aanmerking genomen bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel. Artikel 15 Op voorstel van de Commissie stelt de Raad met eenparigheid van stemmen de regeling vast inzake de sociale voorzieningen, welke op de ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen van toepassing zijn. Artikel 16 Op voorstel van de Commissie en na raadpleging van de overige betrokken instellingen, bepaalt de Raad op welke categorieën van ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen de bepalingen van de artikelen 12, 13, tweede alinea, en 14 geheel of ten dele van toepassing zijn. De namen, hoedanigheden en adressen der ambtenaren en overige personeelsleden, welke onder deze categorieën zijn begrepen, worden op gezette tijden aan de regeringen van de Lid-Staten medegedeeld. HOOFDSTUK VI VOORRECHTEN EN IMMUNITEITEN DER BIJ DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN GEACCREDITEERDE MISSIES VAN DERDE STATEN Artikel 17 De Lid-Staat, op wiens grondgebied de zetel van de Gemeenschappen is gevestigd, verleent aan de missies der bij de Gemeenschappen geaccrediteerde derde staten de gebruikelijke diplomatieke immuniteiten en voorrechten. HOOFDSTUK VII ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 18 De voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden aan de ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschappen uitsluitend in het belang van de Gemeenschappen verleend. Elke instelling van de Gemeenschappen is gehouden de aan een ambtenaar of ander personeelslid verleende immuniteit op te heffen in alle gevallen, waarin zulks naar haar mening niet strijdig is met de belangen van de Gemeenschappen. Artikel 19 Voor de toepassing van dit protocol handelen de instellingen van de Gemeenschappen in overeenstemming met de verantwoordelijke autoriteiten van de betrokken Lid-Staten. Artikel 20 De artikelen 12 tot en met 15 en 18 zijn van toepassing op de leden van de Commissie. Artikel 21 De artikelen 12 tot en met 15 en 18 zijn van toepassing op de rechters, de griffier en de toegevoegde rapporteurs van, alsmede op de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie, onverminderd de bepalingen van artikel 3 van de protocollen betreffende het statuut van het Hof van Justitie nopens de vrijstelling van rechtsvervolging van de rechters en de advocaten-generaal. Artikel 22 Dit Protocol is eveneens van toepassing op de Europese Investeringsbank, de leden van haar organen, haar personeel en de vertegenwoordigers der Lid-Staten, die aan haar werkzaamheden deelnemen, onverminderd de bepalingen van het protocol betreffende haar statuten. De Europese Investeringsbank wordt bovendien vrijgesteld van elke fiscale en parafiscale heffing ter gelegenheid van de uitbreiding van haar aandelenkapitaal, alsmede van de verschillende formaliteiten welke deze verrichtingen kunnen medebrengen in de staat waar de zetel gevestigd is. Haar opheffing en liquidering zullen evenmin enige heffing medebrengen. Ten slotte geeft de werkzaamheid van de Bank en van haar organen, uitgeoefend onder de statutaire voorwaarden, geen aanleiding tot de heffing van omzetbelastingen TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit protocol hebben gesteld. Gedaan te Brussel de achtste april negentienhonderdvijfenzestig. Paul Henri SPAAK Kurt SCHMÜCKER Maurice COUVE DE MURVILLE Amintore FANFANI Pierre WERNER J. M. A. H. LUNS 3. SLOTAKTE DE GEVOLMACHTIGDEN van Zijne Majesteit de Koning der Belgen, de President van de Bondsrepubliek Duitsland, de President van de Franse Republiek, de President van de Italiaanse Republiek, Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg, Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden, op 8 april 1965 te Brussel bijeen ter ondertekening van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, HEBBEN DE VOLGENDE TEKSTEN VASTGESTELD: Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen. Bij de ondertekening van deze teksten hebben de gevolmachtigden: aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen het in bijlage I opgenomen mandaat verleend, en nota genomen van de in bijlage II opgenomen verklaring van de Regering der Bondsrepubliek Duitsland. TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder deze slotakte hebben gesteld. Gedaan te Brussel de achtste april negentienhonderdvijfenzestig. Paul Henri SPAAK Kurt SCHMÜCKER Maurice COUVE DE MURVILLE Amintore FANFANI Pierre WERNER J. M. A. H. LUNS Bijlagen BIJLAGE I MANDAAT VERLEEND AAN DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN De Commissie van de Europese Gemeenschappen krijgt opdracht, in het kader van haar verantwoordelijkheden alle nodige maatregelen te treffen om de rationele inrichting van haar diensten binnen een redelijke en betrekkelijk korte termijn van niet langer dan een jaar te volbrengen. De Commissie kan daartoe alle passende adviezen inwinnen. Om de Raad in de gelegenheid te stellen, de gang van zaken daarbij te volgen, wordt de Commissie verzocht, op gezette tijden aan de Raad verslag uit te brengen. BIJLAGE II VERKLARING VAN DE REGERING DER BONDSREPUBLIEK DUITSLAND betreffende de toepassing op Berlijn van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal De regering van de Bondsrepubliek Duitsland behoudt zich het recht voor om bij de nederlegging van haar akten van bekrachtiging te verklaren dat het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal ook op het "Land'' Berlijn van toepassing zijn. C - Europese Akte (*) PB L 169 van 29. 6. 1987. 1. TEKST VAN HET VERDRAG ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN, HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN DENEMARKEN, DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND, DE PRESIDENT VAN DE HELLEENSE REPUBLIEK, ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN SPANJE, DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK, DE PRESIDENT VAN IERLAND, DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK, ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOG VAN LUXEMBURG, HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN, DE PRESIDENT VAN DE PORTUGESE REPUBLIEK, HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIE EN NOORD-IERLAND, BEZIELD door de wil de op de grondslag van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen aangevatte taak voort te zetten en het geheel van de betrekkingen tussen hun staten om te zetten in een Europese Unie, overeenkomstig de plechtige verklaring van Stuttgart van 19 juni 1983, BEZIELD door de wil de op de grondslag van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen aangevatte taak voort te zetten en het geheel van de betrekkingen tussen hun staten om te zetten in een Europese Unie, overeenkomstig de plechtige verklaring van Stuttgart van 19 juni 1983, VASTBESLOTEN deze Europese Unie ten uitvoer te leggen op basis van, enerzijds, de volgens hun eigen regels functionerende Gemeenschappen, en anderzijds de Europese samenwerking tussen de ondertekenende staten op het gebied van de buitenlandse politiek, alsmede deze unie van de noodzakelijke actiemiddelen te voorzien, BESLOTEN hebbende gezamenlijk de democratie te bevorderen uitgaande van de grondrechten die worden erkend in de grondwetten en de wetten van de Lid-Staten, in het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en in het Europees sociaal handvest, met name de vrijheid, de gelijkheid en de sociale rechtvaardigheid, ERVAN OVERTUIGD dat de Europese gedachte, de bereikte resultaten op het terrein van de economische integratie en de politieke samenwerking alsook de noodzaak van nieuwe ontwikkelingen, beantwoorden aan de verlangens van de Europese democratische volkeren, voor wie het door middel van algemene verkiezingen gekozen Europees Parlement een onontbeerlijk middel is om zich uit te drukken, ZICH BEWUST van de verantwoordelijkheid die op Europa rust om te trachten steeds meer met één stem te spreken en eensgezind en solidair op te treden ten einde zijn gemeenschappelijke belangen en onafhankelijkheid doeltreffender te verdedigen en zeer in het bijzonder de democratische beginselen en de eerbiediging van het recht en van de rechten van de mens, die zij toegedaan zijn, te doen gelden, ten einde te zamen hun eigen bijdrage te leveren aan de handhaving van de internationale vrede en veiligheid overeenkomstig de door hen in het kader van het Handvest van de Verenigde Naties aangegane verbintenis, VASTBESLOTEN om de sociaal-economische toestand te verbeteren door intensivering van het gemeenschappelijk beleid en het nastreven van nieuwe doelstellingen en om te zorgen voor een betere werking van de Gemeenschappen door de instellingen in staat te stellen hun bevoegdheden uit te oefenen op een wijze die zoveel mogelijk strookt met het Gemeenschapsbelang, OVERWEGENDE dat de staatshoofden en regeringsleiders, tijdens hun conferentie van Parijs van 19-21 oktober 1972, hun goedkeuring hebben gehecht aan de doelstelling van de geleidelijke totstandbrenging van de Economische en Monetaire Unie, OVERWEGENDE de bijlage bij de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Bremen van 6 en 7 juli 1978, alsmede de resolutie van de Europese Raad van Brussel van 5 december 1978 met betrekking tot de invoering van het Europees Monetair Stelsel (EMS) en aanverwante vraagstukken en opmerkende dat de Gemeenschap en de centrale banken van de Lid-Staten, overeenkomstig deze resolutie, een aantal maatregelen hebben getroffen ten einde de monetaire samenwerking ten uitvoer te leggen, HEBBEN BESLOTEN om deze akte op te stellen en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen: ZIJNE MAJESTEIT DE KONING DER BELGEN: De heer Leo TINDEMANS, minister van Buitenlandse Betrekkingen; HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN DENEMARKEN: De heer Uffe ELLEMANN-JENSEN, minister van Buitenlandse Zaken; DE PRESIDENT VAN DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND: De heer Hans-Dietrich GENSCHER, Bondsminister van Buitenlandse Zaken; DE PRESIDENT VAN DE HELLEENSE REPUBLIEK: De heer Karolos PAPOULIAS, minister van Buitenlandse Zaken; ZIJNE MAJESTEIT DE KONING VAN SPANJE: De heer Francisco FERNANDEZ ORDONEZ, minister van Buitenlandse Zaken; DE PRESIDENT VAN DE FRANSE REPUBLIEK: De heer Roland DUMAS, minister van Buitenlandse Betrekkingen; DE PRESIDENT VAN IERLAND: De heer Peter BARRY, T. D., minister van Buitenlandse Zaken; DE PRESIDENT VAN DE ITALIAANSE REPUBLIEK: De heer Giulio ANDREOTTI, minister van Buitenlandse Zaken; ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DE GROOTHERTOG VAN LUXEMBURG: De heer Robert GOEBBELS, staatssecretaris bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken; HARE MAJESTEIT DE KONINGIN DER NEDERLANDEN: De heer Hans VAN DEN BROEK, minister van Buitenlandse Zaken; DE PRESIDENT VAN DE PORTUGESE REPUBLIEK: De heer Pedro PIRES DE MIRANDA, minister van Buitenlandse Zaken; HARE MAJESTEIT DE KONINGIN VAN HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIE EN NOORD-IERLAND: Mevrouw Lynda CHALKER, onderminister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken; DIE, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, overeenstemming hebben bereikt omtrent de volgende bepalingen: TITEL I Gemeenschappelijke bepalingen Artikel 1 De Europese Gemeenschappen en de Europese politieke samenwerking hebben tot doel er gezamenlijk toe bij te dragen dat de Europese Unie concrete vorderingen maakt. De Europese Gemeenschappen zijn gegrond op de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de Europese Economische Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, alsook op de verdragen en besluiten waarbij deze Verdragen naderhand zijn gewijzigd of aangevuld. De Europese politieke samenwerking wordt geregeld door titel III. Het bepaalde in die titel bevestigt en vervolledigt de procedures die zijn overeengekomen in de verslagen van Luxemburg (1970), Kopenhagen (1973) en Londen (1981) alsmede in de plechtige verklaring over de Europese Unie (1983) en de geleidelijk tussen de Lid-Staten gevormde praktijk. Artikel 2 (ingetrokken) (*) (*) Zie artikel P, lid 2, VEU. Artikel 3 1. De instellingen van de Europese Gemeenschappen, waarvoor voortaan de hierna volgende benamingen zullen worden gebruikt, oefenen hun algemene en bijzondere bevoegdheden uit overeenkomstig de voorwaarden en met de doelstellingen die zijn neergelegd in de Verdragen tot oprichting van de Gemeenschappen en in de verdragen en besluiten waarbij deze Verdragen naderhand zijn gewijzigd of aangevuld alsmede in de bepalingen van titel II. 2. (ingetrokken) (*) (*) Zie artikel P, lid 2, VEU. TITEL II Bepalingen houdende wijziging van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen (*) (*) p.m. De bij deze titel ingevoerde wijzigingen zijn opgenomen in de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen. TITEL III Verdragsbepalingen inzake Europese samenwerking op het gebied van het buitenlands beleid (ingetrokken) (*) (ingetrokken) (*) (*) Zie artikel P, lid 2, VEU. TITEL IV Algemene en slotbepalingen Artikel 31 De bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie betreffende de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en de uitoefening van die bevoegdheid zijn slechts van toepassing op de bepalingen van titel II en artikel 32; zij zijn op die bepalingen onder dezelfde voorwaarden van toepassing als op de bepalingen van voornoemde Verdragen Artikel 32 Behoudens het bepaalde in artikel 3, lid 1, in titel II en in artikel 31, doet geen enkele bepaling van deze akte afbreuk aan de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen of aan de Verdragen en besluiten waarbij deze Verdragen naderhand zijn gewijzigd of aangevuld. Artikel 33 1. Deze akte zal door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. De akten van bekrachtiging zullen worden neergelegd bij de regering van de Italiaanse Republiek. 2. Deze akte treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op die waarin de nederlegging van de akte van bekrachtiging van de ondertekenende staat die deze formaliteit als laatste verricht, heeft plaatsgevonden Artikel 34 Deze akte, opgesteld in één exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Franse, de Griekse, de Ierse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese en de Spaanse taal, zijnde de teksten in elk van deze talen gelijkelijk authentiek, zal worden nedergelegd in het archief van de regering van de Italiaanse Republiek, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de regeringen der andere ondertekenende staten. TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder deze Europese Akte hebben gesteld. Gedaan te Luxemburg, zeventien februari negentienhonderdzesentachtig en te 's-Gravenhage achtentwintig februari negentienhonderd zesentachtig. Leo TINDEMANSPeter BARRY Uffe ELLEMANN JENSENGiulio ANDREOTTI Hans Dietrich GENSCHERRobert GOEBBELS Karolos PAPOULIASHans VAN DEN BROEK Francisco FERNÁNDEZ ORDÓÑEZPedro PIRES DE MIRANDA Roland DUMASLynda CHALKER 2.SLOTAKTE De conferentie van de vertegenwoordigers van de regeringen van de Lid-Staten, bijeengeroepen te Luxemburg op 9 september 1985, die haar werkzaamheden heeft voortgezet te Luxemburg en te Brussel, heeft de volgende tekst vastgesteld: I Europese Akte II Op het ogenblik van ondertekening van deze tekst heeft de conferentie onderstaande verklaringen aanvaard die aan deze slotakte zijn gehecht: Verklaring inzake de uitvoeringsbevoegdheden van de Commissie. Verklaring inzake het Hof van Justitie. Verklaring inzake artikel 8 A van het EEG-Verdrag. Verklaring inzake artikel 100 B van het EEG-Verdrag. Algemene verklaring inzake de artikelen 13 tot en met 19 van de Europese Akte. Verklaring inzake artikel 118 A, lid 2, van het EEG-Verdrag. Verklaring inzake artikel 130 D van het EEG-Verdrag. Verklaring inzake artikel 130 R van het EEG-Verdrag. Verklaring van de Hoge Verdragsluitende Partijen inzake titel III van de Europese Akte. Verklaring inzake artikel 30, lid 10, onder g), van de Europese Akte. De conferentie heeft voorts nota genomen van onderstaande verklaringen die aan deze slotakte zijn gehecht: Verklaring van het voorzitterschap inzake de termijn waarbinnen de Raad zich uitspreekt in eerste lezing (artikel 149, lid 2, van het EEG-Verdrag). Politieke verklaring van de regeringen van de Lid-Staten inzake het vrije verkeer van personen. Verklaring van de regering van de Helleense Republiek inzake artikel 8 A van het EEG-Verdrag. Verklaring van de Commissie inzake artikel 28 van het EEG-Verdrag. Verklaring van de regering van Ierland inzake artikel 57, lid 2, van het EEG-Verdrag. Verklaring van de regering van de Portugese Republiek inzake artikel 59, tweede alinea, en artikel 84 van het EEG-Verdrag. Verklaring van de regering van het Koninkrijk Denemarken inzake artikel 100 A van het EEG-Verdrag. Verklaring van het voorzitterschap en van de Commissie inzake de monetaire capaciteit van de Gemeenschap. Verklaring van de regering van het Koninkrijk Denemarken inzake de Europese Politieke Samenwerking. Gedaan te Luxemburg, zeventien februari negentienhonderdzesentachtig en te 's-Gravenhage achtentwintig februari negentienhonderdzesentachtig. Leo TINDEMANSPeter BARRY Uffe ELLEMANN JENSENGiulio ANDREOTTI Hans Dietrich GENSCHERRobert GOEBBELS Karolos PAPOULIASHans VAN DEN BROEK Francisco FERNÁNDEZ ORDÓÑEZPedro PIRES DE MIRANDA Roland DUMASLynda CHALKER VERKLARING inzake de uitvoeringsbevoegdheden van de Commissie De conferentie verzoekt de communautaire instanties om vóór de inwerkingtreding van de akte de beginselen en regels aan te nemen op basis waarvan per geval de uitvoeringsbevoegdheden van de Commissie zullen worden vastgesteld De conferentie verzoekt de Raad in deze context om met name de procedure van het raadgevend comité met het oog op de snelheid en de doeltreffendheid van het besluitvormingsproces een voorname plaats te geven bij de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden die op het gebied van artikel 100 A van het EEG-Verdrag aan de Commissie zijn verleend. VERKLARINGv inzake het Hof van Justitie De conferentie komt overeen dat artikel 32 quinquies, lid 1, van het EGKS-Verdrag, artikel 168 A, lid 1, van het EEG-Verdrag en artikel 140 A, lid 1, van het EGA-Verdrag niet vooruitlopen op eventuele toekenning van rechtsmacht waarin kan worden voorzien in het kader van tussen de Lid-Staten gesloten overeenkomsten. VERKLARING inzake artikel 8 A van het EEG-Verdrag De conferentie wenst met het bepaalde in artikel 8 A de vaste politieke wil tot uitdrukking te brengen om vóór 1 januari 1993 de besluiten te nemen nodig ter verwezenlijking van de in deze bepaling omschreven interne markt. Hierbij wordt in het bijzonder gedacht aan besluiten nodig ter uitvoering van het programma van de Commissie zoals vervat in het witboek inzake de interne markt. De vaststelling van de datum van 31 december 1992 schept geen automatische rechtsgevolgen. VERKLARING inzake artikel 100 A van het EEG-Verdrag De Commissie zal in haar voorstellen uit hoofde van artikel 100 A, lid 1, bij voorkeur het instrument van de richtlijn gebruiken, wanneer de harmonisatie in één of meer Lid-Staten een wijziging van wettelijke bepalingen met zich brengt VERKLARING inzake artikel 100 B van het EEG-Verdrag De conferentie is van mening dat artikel 8 C van het EEG-Verdrag een algemene strekking heeft, en derhalve ook van toepassing is op de voorstellen die de Commissie uit hoofde van artikel 100 B van dat Verdrag dient voor te leggen. ALGEMENE VERKLARING inzake de artikelen 13 tot en met 19 van de Europese Akte Niets in deze bepalingen doet afbreuk aan het recht van de Lid-Staten om die maatregelen te treffen die zij noodzakelijk achten inzake controle van de immigratie uit derde landen en inzake bestrijding van terrorisme, misdaad, handel in drugs en illegale handel in kunstvoorwerpen en antiquiteiten. VERKLARING inzake artikel 118 A, lid 2, van het EEG-Verdrag De Conferentie stelt vast dat er bij de beraadslaging over artikel 118 A, lid 2, van het EEG-Verdrag overeenstemming bestond over het feit dat de Gemeenschap niet beoogt bij de vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers, de werknemers in kleine en middelgrote ondernemingen achter te stellen wanneer hiervoor geen objectieve gronden aanwezig zijn. VERKLARING inzake artikel 130 D van het EEG-Verdrag De conferentie herinnert in dit verband aan de conclusies van de Europese Raad van Brussel van maart 1984, die als volgt luiden: "De financiële middelen voor de bijstandsverlening van de fondsen zullen, mede gezien de GMP's, in reële termen wezenlijk worden verhoogd binnen het kader van de financieringsmogelijkheden.". VERKLARING inzake artikel 130 R van het EEG-Verdrag Ad lid 1, derde streepje De conferentie bevestigt dat het optreden van de Gemeenschap op milieugebied het nationale beleid inzake de exploitatie van energiebronnen niet mag doorkruisen Ad lid 5, tweede alinea De conferentie is van oordeel dat artikel 130 R, lid 5, tweede alinea, geen afbreuk doet aan de beginselen die voortvloeien uit het arrest van het Hof van Justitie in de zaak AETR. VERKLARING VAN DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN inzake titel III van de Europese Akte De Hoge Verdragsluitende Partijen bij titel III inzake de Europese politieke samenwerking bevestigen dat zij zich open opstellen tegenover andere Europese naties die dezelfde idealen en doeleinden delen. Zij komen inzonderheid overeen hun banden te versterken met de Lid-Staten van de Raad van Europa en met andere democratische Europese landen waarmee zij vriendschappelijke betrekkingen onderhouden en nauw samenwerken. VERKLARING inzake artikel 30, punt 10, onder g,van de Europese Akte De conferentie is van oordeel dat het bepaalde in artikel 30, punt 10, onder g, geen afbreuk doet aan het bepaalde in het besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen der Lid-Staten van 8 april 1965 betreffende de voorlopige vestiging van bepaalde instellingen en van bepaalde diensten der Gemeenschappen. VERKLARING VAN HET VOORZITTERSCHAP over de termijn binnen welke de Raad zich in eerste lezing uitspreekt (artikel 149, lid 2, van het EEG-Verdrag) Voor wat betreft de verklaring van de Europese Raad van Milaan, volgens welke de Raad naar middelen dient te zoeken om zijn besluitvormingsprocedures te verbeteren, heeft het voorzitterschap te kennen gegeven de desbetreffende werkzaamheden zo spoedig mogelijk tot een goed einde te willen brengen. POLITIEKE VERKLARING VAN DE REGERINGEN VAN DE LID-STATEN inzake het vrije verkeer van personen Ten einde het vrije verkeer van personen te bevorderen, werken de Lid-Staten samen, onverminderd de bevoegdheden van de Gemeenschap, met name voor wat betreft de binnenkomst, het verkeer en het verblijf van onderdanen van derde landen. Zij werken ook samen voor wat betreft de bestrijding van terrorisme, misdaad, drugs en illegale handel in kunstvoorwerpen en antiquiteiten. VERKLARING VAN DE REGERING VAN DE HELLEENSE REPUBLIEK inzake artikel 8 A van het EEG-Verdrag Griekenland is van mening dat de ontwikkeling van gemeenschappelijke beleidsvormen en acties en de aanneming van maatregelen uit hoofde van artikel 70, lid 1, en artikel 84 zodanig moeten plaatsvinden dat er geen schade wordt toegebracht aan de gevoelige sectoren van de economieën van de Lid-Staten. VERKLARING VAN DE COMMISSIE inzake artikel 28 van het EEG-Verdrag Wat haar eigen interne procedures betreft, zal de Commissie er zorg voor dragen dat de veranderingen ingevolge de wijziging van artikel 28 van het EEG-Verdrag geen vertraging zullen opleveren bij het beantwoorden van dringende verzoeken om wijziging of schorsing van rechten van het gemeenschappelijk douanetarief. VERKLARING VAN DE REGERING VAN IERLAND inzake artikel 57, lid 2, van het EEG-Verdrag De Ierse delegatie bevestigt haar instemming met het aannemen van besluiten met gekwalificeerde meerderheid van stemmen uit hoofde van artikel 57, lid 2, maar wenst eraan te herinneren dat het verzekeringsbedrijf in Ierland een bijzonder gevoelige sector is en dat speciale regelingen getroffen moesten worden voor de bescherming van polishouders en derden. Ten aanzien van de harmonisatie van de wetgevingen betreffende het verzekeringsbedrijf, gaat de Ierse regering ervan uit te zullen kunnen rekenen op begrip van de Commissie en de andere Lid-Staten van de Gemeenschap, mocht Ierland zich later in een positie bevinden waarin de Ierse regering het noodzakelijk acht speciale bepalingen vast te stellen om rekening te houden met de toestand van deze sector in Ierland. VERKLARING VAN DE REGERING VAN DE PORTUGESE REPUBLIEK inzake artikel 59, tweede alinea, en artikel 84 van het EEG-Verdrag Portugal is van oordeel dat de overgang van stemming met eenparigheid van stemmen naar stemming met gekwalificeerde meerderheid van stemmen in artikel 59, tweede alinea, en artikel 84, die bij de onderhandelingen over de toetreding van Portugal tot de Gemeenschap niet is overwogen en die een ingrijpende wijziging van het "acquis communautaire'' behelst, geen schade mag toebrengen aan gevoelige en vitale sectoren van de Portugese economie en dat er passende specifieke overgangsmaatregelen zullen moeten worden genomen telkens wanneer dat noodzakelijk is om eventuele negatieve gevolgen voor deze sectoren te voorkomen VERKLARING VAN DE REGERING VAN HET KONINKRIJK DENEMARKEN inzake artikel 100 A van het EEG-Verdrag De Deense regering stelt vast dat in het geval dat een Lid-Staat van oordeel is dat harmonisatiemaatregelen aangenomen krachtens artikel 100 A geen hogere eisen inzake het arbeidsmilieu, milieubescherming of de in artikel 36 genoemde vereisten waarborgen, lid 4 van artikel 100 A zeker stelt dat de betrokken Lid-Staat nationale bepalingen kan toepassen. De nationale maatregelen worden getroffen ten einde aan bovengenoemde vereisten te voldoen en mogen geen verkapt protectionisme behelzen VERKLARING VAN HET VOORZITTERSCHAP EN VAN DE COMMISSIE inzake de monetaire capaciteit van de Gemeenschap Het voorzitterschap en de Commissie zijn van oordeel dat de bepalingen die in het EEG-Verdrag zijn opgenomen met betrekking tot de monetaire capaciteit van de Gemeenschap, de mogelijkheid van een verdere ontwikkeling in het kader van de bestaande bevoegdheden onverlet laten. VERKLARING VAN DE REGERING VAN HET KONINKRIJK DENEMARKEN inzake de Europese politieke samenwerking De Deense regering constateert dat de sluiting van titel III inzake de Europese politieke samenwerking geen afbreuk doet aan de deelneming van Denemarken aan de Noordse samenwerking inzake het buitenlands beleid D.1 - Besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen der Lid-Staten betreffende de voorlopige vestiging van bepaalde instellingen en van bepaalde diensten der Gemeenschappen (*) (*) PB 152 van 13. 7. 1967. DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LID-STATEN GELE op artikel 37 van het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, OVERWEGENDE dat, onverminderd de toepassing van de artikelen 77 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, 216 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en 189 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en van artikel 1, tweede alinea, van het protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank, er aanleiding toe bestaat om ter gelegenheid van de instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben en ter regeling van bepaalde bijzondere vraagstukken met betrekking tot het Groothertogdom Luxemburg, bepaalde instellingen en diensten voorlopig te Luxemburg werkzaam te doen zijn, BESLUITEN: Artikel 1 Luxemburg, Brussel en Straatsburg blijven voorlopig de plaatsen waar de instellingen der Gemeenschappen gevestigd zijn. Artikel 2 In de maanden april, juni en oktober houdt de Raad zijn zittingen te Luxemburg. Artikel 3 Het Hof van Justitie blijft te Luxemburg gevestigd. Eveneens worden te Luxemburg gevestigd de rechterlijke en semi-rechterlijke organen, met inbegrip van die welke bevoegd zijn de regels betreffende de mededinging toe te passen welke organen bestaan of zullen worden geschapen krachtens de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, of krachtens overeenkomsten die in het kader der Gemeenschappen tussen Lid-Staten of met derde landen worden gesloten. Artikel 4 Het Secretariaat-generaal van het Europees Parlement en zijn diensten blijven te Luxemburg gevestigd. Artikel 5 De Europese Investeringsbank wordt te Luxemburg gevestigd, waar haar leidinggevende organen bijeenkomen en al haar werkzaamheden worden verricht. Deze bepaling betreft in het bijzonder de ontwikkeling van de huidige werkzaamheden, met name die bedoeld in artikel 130 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, eventuele uitbreiding van deze werkzaamheden tot andere gebieden en de nieuwe taken die aan de Bank zouden worden gegeven. Een verbindingsbureau tussen de Commissie en de Europese Investeringsbank wordt te Luxemburg gevestigd, inzonderheid ter vergemakkelijking van hetgeen door het Europees Ontwikkelingsfonds wordt verricht. Artikel 6 Het Monetair Comité komt te Luxemburg en te Brussel bijeen. Artikel 7 De diensten voor financiële interventies van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal worden te Luxemburg gevestigd. Deze diensten omvatten het Directoraat-generaal krediet en investeringen, alsmede de met het innen van de heffing belaste dienst en de bijbehorende boekhoudkundige diensten. Artikel 8 Een Bureau voor officiële publikaties der Gemeenschappen, waaraan worden verbonden een gemeenschappelijk verkoopbureau en een dienst voor vertalingen die op middellange en lange termijn verricht moeten worden, wordt te Luxemburg gevestigd. Artikel 9 Voorts worden de volgende diensten van de Commissie te Luxemburg gevestigd: het Bureau voor de statistiek en de dienst rekencentrum; de dienst hygiëne en arbeidsveiligheid van de Europese Economische Gemeenschap en van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal; het Directoraat-generaal verspreiding van kennis, de directie bescherming van de gezondheid, de directie veiligheidscontrole van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en het daartoe benodigde administratieve en technische apparaat Artikel 10 De regeringen der Lid-Staten zijn bereid om andere communautaire organen en diensten, in het bijzonder op financiële gebieden, te Luxemburg te vestigen of daarheen over te brengen, mits de goede werking hiervan wordt gewaarborgd. Hiertoe verzoeken zij de Commissie hun jaarlijks een verslag uit te brengen over de bestaande toestand met betrekking tot de vestiging van de communautaire organen en diensten en over de mogelijkheid om nieuwe maatregelen in de zin van deze bepaling te nemen, waarbij met de noodzaak van de goede werking der Gemeenschappen rekening moet worden gehouden. Artikel 11 Ten einde de goede werking van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal te waarborgen, wordt de Commissie verzocht, het overbrengen van de verschillende diensten geleidelijk en gecoördineerd te doen verlopen en de diensten voor het beheer van de kolen- en staalmarkt als laatste over te brengen. Artikel 12 Behoudens het bovenstaande, raakt dit besluit noch de plaatsen waar de instellingen en diensten der Europese Gemeenschappen voorlopig gevestigd zijn, zoals deze voortvloeien uit vroegere beslissingen der regeringen, noch de hergroepering van de diensten welke voortvloeit uit de instelling van één Raad en één Commissie. Artikel 13 Dit besluit treedt op dezelfde datum in werking als het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben. Gedaan te Brussel de achtste april negentienhonderdvijfenzestig. Paul Henri SPAAK Kurt SCHMÜCKER Maurice COUVE DE MURVILLE Amintore FANFANI Pierre WERNER J. M. A. H. LUNS D.2 - - Besluit in onderlinge overeenstemming genomen door de vertegenwoordigers van de regeringen der Lid-Staten inzake de vaststelling van de zetels van de instellingen en van bepaalde organisaties en diensten van de Europese Gemeenschappen (*) (*) PB C 341 van 23. 12. 1992, blz. 1. DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LID-STATEN, Gelet op artikel 216 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, artikel 77 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en artikel 189 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, Wijzend op het besluit van 8 april 1965, zulks onverminderd de daarin vervatte bepalingen betreffende de zetel van toekomstige instellingen, organisaties en diensten, BESLUITEN: Artikel 1 Het Europees Parlement heeft zijn zetel te Straatsburg voor de twaalf periodes van de maandelijkse voltallige zittingen met inbegrip van de begrotingszitting. De bijkomende voltallige zittingen worden gehouden te Brussel. De commissies van het Europees Parlement zetelen te Brussel. Het Secretariaat-generaal van het Europees Parlement en zijn diensten blijven in Luxemburg gevestigd. De Raad heeft zijn zetel te Brussel. In de maanden april, juni en oktober houdt de Raad zijn zittingen in Luxemburg. De Commissie heeft haar zetel te Brussel. De in de artikelen 7, 8 en 9 van het besluit van 8 april 1965 genoemde diensten zijn gevestigd in Luxemburg. Het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg hebben hun zetel te Luxemburg. Het Economisch en Sociaal Comité heeft zijn zetel te Brussel. De Rekenkamer heeft zijn zetel te Luxemburg. De Europese Investeringsbank heeft haar zetel te Luxemburg. Artikel 2 Over de zetel van andere, ingestelde of in te stellen organisaties en diensten wordt tijdens een volgende Europese Raad door de vertegenwoordigers van de regeringen der Lid-Staten in onderlinge overeenstemming een besluit genomen; daarbij wordt rekening gehouden met de voordelen van bovenstaande bepalingen voor de Lid-Staten en de nodige voorrang gegeven aan Lid-Staten waar momenteel geen instellingen van de Gemeenschappen gevestigd zijn. Artikel 3 Dit besluit treedt heden in werking. Gedaan te Edinburgh, de twaalfde december negentienhonderd tweeennegentig. Willy CLAESUffe ELLEMANN-JENSEN Klaus KINKELMichel PAPAKONSTANTINOU Javier SOLANARoland DUMAS David ANDREWSEmilio COLOMBO Jacques POOSHans VAN DEN BROEK João de Deus PINHEIRODouglas HURD VERKLARING De vertegenwoordigers van de regeringen van de Lid-Staten verklaren dat, gelet op het protocol betreffende het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's, dat aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht, het Comité van de regio's, dat een gemeenschappelijke organisatiestructuur heeft met het Economisch en Sociaal Comité, eveneens zijn zetel te Brussel zal hebben. EENZIJDIGE VERKLARING VAN LUXEMBURG Luxemburg stemt, in een geest van compromis, met deze formule in. Deze instemming kan evenwel niet worden uitgelegd als zou dit land afzien van de bepalingen en mogelijkheden van het besluit van 8 april 1965. EENZIJDIGE VERKLARING VAN NEDERLAND De Nederlandse regering gaat er als vanzelfsprekend vanuit dat het besluit van 1965, gegeven de uitbreiding van de Gemeenschap sedertdien en van haar instellingen en organisaties, nooit in de weg mag staan aan een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van de zetels van die instellingen en organisaties over de Lid-Staten. D.3 - Décision prise du commun accord des représentants des gouvernements des États membres réunis au niveau des chefs d'État ou de gouvernement relative à la fixation des sièges de certains organismes et services des Communautés européennes ainsi que d'Europol (*) (*) JO C 323 du 30.11.1993, p. 1. LES REPRÉSENTANTS DES GOUVERNEMENTS DES ÉTATS MEMBRES, RÉUNIS AU NIVEAU DES CHEFS D'ÉTAT OU DE GOUVERNEMENT, vu l'Artikel 216 du traité instituant la Communauté économique européenne, l'Artikel 77 du traité instituant la Communauté européenne du charbon et de l'acier et l'Artikel 189 du traité instituant la Communauté européenne de l'énergie atomique, vu le règlement (CEE) n° 1210/90 du Conseil, du 7 mai 1990, relatif à la création de l'Agence européenne pour l'environnement et du Réseau européen d'information et d'observation pour l'environnement (1), et notamment son Artikel 21, (1) JO n° L 120 du 11.5.1990, p. 1. vu le règlement (CEE) n° 1360/90 du Conseil, du 7 mai 1990, portant création d'une Fondation européenne pour la formation (2), et notamment son Artikel 19, (2) JO n° L 131 du 23.5.1990, p. 1. vu la décision du 18 décembre 1991, par laquelle la Commission a approuvé la création de l'Office d'inspection vétérinaire et phytosanitaire, vu le règlement (CEE) n° 302/93 du Conseil, du 8 février 1993, portant création d'un Observatoire européen des drogues et des toxicomanies (3), et notamment son Artikel 19, (3) JO n° L 36 du 12.2.1993, p. 1. vu le règlement (CEE) n° 2309/93 du Conseil, du 22 juillet 1993, qui institue notamment une Agence européenne pour l'évaluation des médicaments (1), et notamment son Artikel 74, (1) JO n° L 214 du 24.8.1993, p. 1. considérant que, comme suite au programme d'action que la Commission a adopté le 20 novembre 1989, relatif à la mise en place de la charte communautaire des droits sociaux fondamentaux des travailleurs, le Conseil européen a prévu la création de l'Agence pour la santé et la sécurité au travail; considérant que le traité sur l'Union européenne, signé le 7 février 1992, et qui entrera en vigueur le 1 novembre 1993, prévoit la création de l'Institut monétaire européen et de la Banque centrale européenne; considérant que les institutions des Communautés européennes prévoient de créer un Office de l'harmonisation dans le marché intérieur (marques, dessins et modèles); considérant que, comme suite aux conclusions du Conseil européen de Maastricht, les États membres envisagent de conclure une convention sur Europol (Office européen de police), qui créera Europol et qui se substituera également à l'accord ministériel en date du 2 juin 1993, qui a mis en place l'unité drogues Europol; considérant qu'il convient de fixer le siège de ces différents organismes et services; rappelant les décisions des 8 avril 1965 et 12 décembre 1992, DÉCIDENT: Artikel premier L'Agence européenne de l'environnement a son siège dans la région de Copenhague. La Fondation européenne pour la formation a son siège à Turin. L'Office d'inspection vétérinaire et phytosanitaire aura son siège dans une ville en Irlande que le gouvernement irlandais désignera. L'Observatoire européen des drogues a son siège à Lisbonne. L'Agence européenne d'évaluation des médicaments a son siège à Londres. L'Agence pour la santé et la sécurité au travail aura son siège en Espagne, dans une ville que le gouvernement espagnol désignera. L'Institut monétaire européen et la future Banque centrale européenne auront leur siège à Francfort. L'Office de l'harmonisation dans le marché intérieur (marques, dessins et modèles), y compris ses chambres de recours, aura son siège en Espagne, dans une ville que le gouvernement espagnol désignera. Europol, de même que l'unité drogues Europol, auront leur siège à La Haye. Artikel 2 Le présente décision, qui sera publiée au Journal officiel des Communautés européennes, entre en vigueur à la date de ce jour. Fait à Bruxelles, le vingt-