Virtual Reality V. Baumgart Mary-Ann sliep. Haar hoofd wiebelde aandoenlijk heen en weer tegen de hoofdsteun. Ze had niet veel gezegd tijdens de rit. Niet dat het me iets kon schelen. Eigenlijk zat ik meer in over de conditie van de Dodge. Bij O' Reiley, waar ik het ding voor een appel en een ei op de kop had getikt, hadden ze gewaarschuwd voor lange afstanden. Ik kon mijn ogen niet van de temperatuurmeter afhouden, maar de wijzer was tot nog toe uit het rood gebleven. Als ik niet op de thermometer op het dashboard keek, zag ik het lint van eindeloos grijs asfalt voor me uit kronkelen over de geelbruine heuvels. In de verte steeg de zon op. Het vochtige grijs van de ochtend veranderde in goud. De lucht werd blauw en mijn humeur klaarde op. De warmte bedekte mijn lichaam als een tweede huid. Green River was nu ver weg. We hadden sinds gistermiddag met een snelheid van zo'n tachtig mijl doorgereden, dus waren we zeker duizend mijl opgeschoten. Mary-Ann had de eerste helft van de nacht gereden. Ik had wat geslapen en voelde me fit. Ik heb altijd met weinig slaap toegekund. Mary-Ann had juist een patent op slapen. Wanneer ik 's ochtends naar de benzinepomp ging, was ze met geen kanon wakker te krijgen en als ik terugkwam evenmin. 'Slapen is het beste medicijn tegen verdriet,' zei ze altijd. Ik heb haar nooit duidelijk kunnen maken dat verdriet het gevolg is van een rotsituatie en dat die door te gaan slapen echt niet verandert. De benzinepomp was mijn toevluchtsoord voor haar depressies, waar ik geen raad mee wist. Raar woord eigenlijk; 'benzine'. Als je het vaak achter elkaar zegt lijkt het nergens meer op. Ik had het geprobeerd tijdens de lange dagen dat ik voor me uit zat te staren achter het glas van de barak die bij de enige pomp hoorde van Green River. 'Benzine', 'benzine'. Je zou haast niet meer geloven dat dit hele continent draait op een goedje met die rare naam en zonder dat naar de knoppen gaat. Iemand moet het ooit bedacht hebben om god mag weten wat voor reden. De Dodge hotste over een bult. Ik keek achterom en zag dat ik een konijn of iets dergelijks had overreden. Ik remde af en schakelde in de achteruit. 'Niet teveel in de achteruit zetten', had Joe bezworen. Het ging goed. Er lag een nogal groot uitgevallen konijn op de weg. De ingewanden waren over het asfalt uitgesmeerd en bloed sijpelde in riviertjes naar scheuren in het wegdek. In de berm zaten twee van z'n kameraadjes naar het slachtoffer te koekeloeren en gingen niet weg toen ik uitstapte, als een zwijgende aanklacht. Het achterlijf sidderde nog af en toe. Ik vroeg me af wat ik moest doen. Een genadeschot geven met de .45 leek me nogal overdreven. Ik moest er bovendien niet aan denken nog een levend wezen door zijn kop te schieten, voorzover het konijn tenminste nog leefde. Alsof het nooit ophield. De sidderingen werden al minder. Ik liep terug naar de pickup en stapte in. Mary-Ann was wakker geworden en verkeerde in het humeur dat daar onverbrekelijk mee verbonden was. 'Waarom stop je voor zo'n dood konijn. Je bent achterlijk sentimenteel,' zei ze met een dikke tong van de slaap. Ik gaf geen antwoord en startte de Dodge. Ze sloeg haar armen over elkaar en keek naar buiten. Voorlopig zou er niets met haar te beginnen zijn. Eigenlijk had ik witheet kunnen worden om zo'n houding. Ik kon me niet voorstellen dat ik het in eerste instantie allemaal voor haar gedaan had. Ik hoefde niet zonodig een nieuw leven te beginnen, een eigen huis en kinderen die in de tuin op schommels zwaaien, of een buurman die je zijn zaag leent en waar je samen een barbecue mee metselt. Dat was Mary-Ann's idee van een gelukkig leven. Ik had het prima naar m'n zin als pompbediende bij de enige benzinepomp van Green River en met onze knusse caravan als permanente en mobiele woonruimte. Ik stak een sigaret op. Ik realiseerde me opeens dat het m'n eerste was sinds die ellendige gebeurtenis. Een vlaag van onpasselijkheid trok vanuit m'n middenrif naar m'n hals. Als ouwe Sam maar niet was komen opdagen. Hij kon onmogelijk op het geluid van de schoten zijn afgekomen, want z'n boerderij lag op een mijl afstand en dat loop je niet in tien seconden. Daar was het me allemaal om te doen geweest. Niemand zou hebben kunnen getuigen van de ware toedracht. Ik had het geld uit de kas genomen aan het einde van m'n dienst, maar nog tijdig genoeg voordat Sam zou komen afsluiten. Er was die dag jaarmarkt geweest in Little Creek en er waren heel wat auto's komen tanken. Ik had de .45 meegenomen om een paar flinke gaten in de kas te schieten zodat het zou lijken of de dief het slot kapot had geschoten terwijl ik zogenaamd even m'n jongeheer aan het luchten was. Een signalement zou ik op die manier niet hoeven geven. Maar toen stond ouwe Sam plotseling achter me terwijl ik de .45 nog vasthield en de kruitdamp nog niet eens was opgetrokken. 'Waar ben jij mee bezig?,' hoorde ik hem vragen op een toon die ik niet van hem kende. Ik snapte wel dat ik naar mijn baan zou kunnen fluiten en dat hij de politie erbij zou halen. Op zichzelf was er niet genoeg reden om het te doen, maar op dat moment leek het vanzelfsprekend. Ik had al vier schoten gelost op de balie en de kas. De telefoonhoorn was van de haak gevallen en het rekje met sigaretten hing er zielig bij. Voor ik het wist had ik me omgedraaid en de trekker nog eens overgehaald. M'n oren waren verdoofd door de eerdere schoten. Toen Sam achterover duvelde drong het pas tot me door. Ik had niet op een ding gericht maar op een mens, en het was raak geweest. Bij de U.S. Army hadden ze uit allemacht geprobeerd me te leren schieten. Om onduidelijke reden lukte het me nooit het doelwit te raken terwijl ik uiteindelijk wel mijn best ging doen om van het gezeur af te zijn. Maar van zo dichtbij is er geen kunst aan. De oude Sam lag op de vloer. Uit een groot rafelig gat in zijn geblokte blouse gulpte in stoten bloed naar buiten. Hij keek me aan, wees met zijn vinger naar me en probeerde overeind te komen. Zijn mond ging open en dicht zodat het leek alsof hij iets wilde zeggen. Zo door hem bekeken te worden beviel me niks. Om daar een eind aan te maken ging ik recht boven z'n kop staan en trok nog een keer aan de trekker. Nu was het echt afgelopen. Hij lag op zijn rug met zijn armen wijd uitgespreid alsof hij iemand wilde gaan zegenen. Het laatste schot had een flink deel van z'n schedel meegenomen. Anders dan het konijn dat ik net overreden had bewoog er helemaal niks meer aan zijn lijf. Maar het begon behoorlijk te stinken. Het leek of hij onmiddellijk aan het ontbinden was geslagen. Na dat laatste schot was het zo stil geworden als altijd daarvoor. Ik wist dat ik de volgende auto die wilde tanken pas in de ochtend kon verwachten. Tot die tijd zou niemand er achter komen wat er was gebeurd. Ouwe Sam had alleen gewoond. Alleen in het godvergeten Green River waar stervelingen gas geven in de enige straat om het benauwde gevoel kwijt te raken dat als een deken verstikt wanneer je de vervallen houten huizen ziet en niet te vergeten de benzinepomp van Mobile. De zon schijnt er de hele dag, de hemel is er altijd blauw. Je ziet nooit iemand op straat, alleen maar struiken die door de wind worden voortgeblazen en levender lijken dan de bewoners. Als de wind even zwijgt hoor je het gekras van de gieren boven de woestijn. De reclameborden zijn niet meer vervangen sinds de jaren '50; Coca Cola en Marlboro hebben ze gewoon vergeten. In de enige saloon van het dorp knauwen door inteelt gedegenereerde families een onverstaanbaar dialect dat verschrompeld is tot een paar honderd woorden. Eigenlijk was ik niet de enige die ouwe Sam had doodgemaakt. Ik had hem slechts een klein zetje gegeven over de drempel waar hij al bovenop stond. Want hij was zijn hele leven niet weg geweest uit Green River. Wat stelt nou een leven voor tussen de puinhopen van de Amerikaanse droom, de uitgemergelde consumptiegekte, waar het grootste geluk de kennismaking met de nieuwste milkshake van McDonalds is? Minder dan nul. Ik zette de radio aan. Een improvisatie van Charlie Parker bereikte de antenne vanuit een onzichtbaar punt in de kosmos. Ik draaide aan de knop, maar de muziek bleef door ruis en gekraak aangetast. Het lint van asfalt glansde als een spiegel in de verte en de lucht erboven trilde alsof je door een stuk plastic folie keek dat wapperde in de wind. In het plastic zag ik een blauw zwaailicht flitsen. Er bleek een auto onder te zitten die met het plastic meegolfde als een onscherpe foto. Het zwaailicht en de auto verdwenen weer. Ik realiseerde me dat ik een luchtspiegeling had gezien. Die wagen met het knipperende zwaailicht reed niet voor me uit, maar achter me aan. De vraag was hoe ver de natuur me achterom had laten kijken. Ik keek in de spiegel en zag alleen leeg asfalt en heuvels waar kale prikkende struiken op groeiden. Ik had geen flauw benul hoe ver het nog was naar Mexico. Ik vroeg Mary-Ann of ze het ook had gezien. Ze haalde haar schouders op. Ze had niets gezien, zodat ik haar weer eens reden gaf om aan mijn geestelijke vermogens te twijfelen. Ze had vanwege de snel toenemende warmte haar blouse uitgetrokken zodat haar bovenlichaam alleen nog door haar b.h. werd bedekt. Ik kreeg opeens vreselijk veel zin om haar te neuken. De luchtspiegeling van de politiewagen fungeerde als een soort aphrodesiacum. De vrijheid wilde ik zo lang mogelijk beleven en tegelijk het einde ervan ontkennen, zoals die keer dat ik naar het ziekenhuis moest en maar op het bed van m'n ouders bleef koppeltje duikelen om niet te hoeven beseffen dat ik op het punt stond in de auto te worden gezet om in een angstaanjagend ziekenhuis geopereerd te worden. Ik liet het gas los en remde af. 'Wat doe je?,' zei Mary-Ann. 'Ik heb opeens vreselijk veel zin in je baby. Laten we het doen in de achterbak van de truck.' Ze keek verbaasd, maar ook weer niet zoveel als ik had verwacht. 'Dus je houdt nog van me?,' vroeg ze met een schattig kinderstemmetje. Ze was een van die zeldzame vrouwen voor wie seks een bewijs van liefde is en ik heb haar altijd in die veronderstelling gelaten. Ik opende het portier en sprong naar buiten. De truck stond midden op de weg. Er was geen sterveling te bekennen. Zelfs geen vogels of insekten. Er woei geen zuchtje wind. Mary-Ann zat nog op haar plek. Ik liep langs de voorkant van de truck en rukte het portier open. 'Kom lieverd, we hebben maar even,' riep ik terwijl ik haar hand vast pakte. Ze sprong uit de wagen. We liepen langs de truck naar de achterkant. Onderweg maakte ik het haakje van haar bh los. Haar borsten vielen als rijpe peren uit het zwarte kanten harnas. Ik trok de pin uit de bevestiging van de achterklep zodat die met een klap naar beneden viel. Ik sprong in de bak en trok haar omhoog. Ik gespte haar brede riem los, ritste haar gulp open en stroopte de 501 omlaag. Het slipje waarin ik haar gisterochtend voor het laatst gezien had kwam deels met de broek mee naar beneden en bedekte nog juist haar venusheuvel. Blauw met witte horizontale streepjes, een beetje vlekkerig tussen de benen. Ondertussen was ze zelf al aan mijn broek aan het frummelen, maar zonder veel resultaat. Ik trok alles uit. De zon scheen warm op mijn stijve pik. Ze strekte zich uit op het triplex dat de bodem van de laadbak bedekte en stroopte het slipje over haar forse heupen naar beneden. Roodbruin schaamhaar overwoekerde het steriele cliché van Playboys centerfold. Ik dacht aan de achtervolgers en aan het genot dat ik desondanks zou ervaren. Zonder moeite kon ik in haar binnen glijden en neukte haar aan een stuk door tot ik ongebruikelijk fors klaarkwam. Rode en groene vlekken zweefden voor mijn dichte oogleden die door de zon beschenen werden. Ik bleef een ogenblik liggen terwijl mijn gevoelloze lul door haar lichaam omsloten werd. Niets kon me nog schelen. Wat er ging gebeuren, wat er was gebeurd; het was goed zoals het was. 'Wat dacht je ervan lieveling, om samen met me dood te gaan?,' fluisterde ik in haar oor. Het bleef even stil en ik voelde dat ze gestopt was met ademhalen. Toen trok ze me hard tegen zich aan en sloeg haar benen over me heen. 'O Brad, zonder jou weet ik niet wat ik moet met dat rotleven van me. Doe wat je wilt, ik vertrouw op je.' Ik voelde dat er tranen langs haar gezicht liepen. 'Okay baby, dan gaan we weer rijden. We zien wel wat er gebeurt.' Ik stond op en propte mijn nog halfstijve pik in m'n onderbroek. Ik probeerde de truck te starten. Het duurde uren voor de achtcilinder wilde meewerken. Ondanks mijn ingebeelde doodsdrift van zojuist brak het zweet me uit. Nadat de motor eindelijk was aangeslagen keek ik achterom. In de verte zag ik iets blauws knipperen dat daarna weer achter een heuvel verdween. Ik trapte het gaspedaal naar beneden en rukte het stuur naar links. Buiten de verharde weg zouden we met de truck meer kans hebben de smeris van ons af te schudden. We schoten hotsend en botsend door de kale bosjes die knisperend tegen de voorruit sloegen. Mary-Ann zat naast me te grienen. 'Het komt allemaal goed meisje,' riep ik over het geraas van de vier aangedreven wielen van de truck die door het zand ploegden. Plotseling was er weer uitzicht. Zoveel zelfs dat ik de rem haast door de vloer trapte. We kwamen tot stilstand vlak voor de rand van een ravijn waarvan de bodem onzichtbaar was. Zeker een halve mijl verderop aan de overkant gingen brokkelige rotswanden met bizarre schaduwen over in glooiende bruine heuvels. De radio begon Stars and Stripes te spelen. Ik schakelde hem uit. In de doodse stilte hoorde ik het gekras van gieren die aan de overkant door het ravijn zweefden. 'Dit is de sheriff van Nevada. U bevindt zich binnen mijn district. Ik beveel u om naar buiten te komen. Leg uw handen op het dak van de auto. Als u dit bevel niet opvolgt zal er gericht op u worden geschoten.' Het kwam uit een luidspreker die bovenop z'n auto moest zitten. Ik keek achterom maar zag alleen maar verdord struikgewas. We hadden dus geen schijn van kans. Misschien ook nooit gehad. Ze hadden ouwe Sam ontdekt en navraag gedaan in welke richting we vertrokken waren. De grens met Mexico is natuurlijk niet de meest originele vluchtrichting. Ergens bij het wegrestaurant waar Mary-Ann was gaan plassen moeten ze ons in de gaten hebben gekregen. Het drong tot me door dat ik in een illusie had geleefd. Ontsnappen is onmogelijk in dit land. Ik had m'n hand overspeeld. Er zijn radio's, kranten, televisies, computers. En juist daaraan had ik me willen onttrekken. Vrij zijn van het geleuter, het massaspektakel, de tweedehands werkelijkheid die je ieder moment opgedrongen wordt. Je moet meedoen aan het krankzinnige spel of anders stoppen ze je om welke reden dan ook in de bak. Zoiets noemen ze 'orde en wet' en ze vinden het rechtvaardig. Wie niet meedoet blijft arm en is een speelbal van mensen die wat meer geld hebben. Ze kunnen je voor een aalmoes opdragen om te doen wat zij willen. 'Vrijheid' is een woord dat in deze maatschappij geen enkele betekenis meer heeft terwijl de grootste schoften er hun mond vol van hebben. Iedereen probeert z'n eigen machteloosheid op anderen af te wentelen. Ik keek naar Mary-Ann. Ze zei niets terug op mijn monoloog die eigenlijk ook voor niemand anders dan mezelf bedoeld was geweest. 'Ik herhaal; verlaat de auto en leg uw handen op het dak anders zal er gericht worden geschoten,' knauwde de luidspreker in het beste redneck-accent. 'Herinner je je nog wat ik daarnet aan je gevraagd heb lieveling?' Mary-Ann staarde strak voor zich uit. 'Je bedoelt of ik samen met je dood wil gaan?' 'Yep, dat bedoel ik.' Ze zei niets, maar haar lichaam schokte van het hevige ja-knikken. 'Ja, ik wil,' zei ze toen met een gesmoord stemmetje alsof we voor de dominee in de kerk stonden. Ik besefte dat dit het moment was waar ik mijn leven voor geleefd had. 'Ik hou van je Mary-Ann,' zei ik. Mijn stem brak. Ik wist dat dit het laatste was wat ik ooit zou zeggen. We omhelsden elkaar in een zwijgende kramp. Ik draaide de sleutel om in het contact. De motor sloeg aan. Ik trapte het gaspedaal tegen de bodem en liet de koppeling los. In slow motion schuift de pick-up over de rand van het ravijn, stof waait op, stenen zweven omlaag. Even lijkt het of hij met de bodem op het gesteente zal blijven steken. De achterkant met de laadbak veert omhoog. Een moment hangt de wagen tussen hemel en aarde in het licht van de felle gouden zon in de wolkenloze hemel. Dan duikt de neus met de zware achtcilinder erin omlaag. De voorwielen raken rotspunten die uitsteken op de brokkelige helling. Geluiden van doffe slagen op blik. Een stofwolk volgt het spoor van de hotsende en botsende wagen die onderweg van koers verandert en traag zijwaarts over de kop naar beneden rolt. Plotseling is het stil. De gieren krassen in hun zweefvlucht. Dan weergalmt een doffe knal van de exploderende benzinetank tientallen malen weerkaatst tussen de heuvels. In een greppel aan de voet van de helling ligt het wrak op zijn kop, vlammen verschijnen, verdwijnen en vinden elkaar meters boven de geblakerde bodem met de wielen waarvan één nog draait. Het vuur woekert, knettert, loeit hortend. Een vuile zwarte rookpluim stijgt op. De camera zwenkt met de rook mee naar boven. De aftiteling glijdt over het doek. Er is alleen nog maar muziek en een achtergrond van blauwe lucht. Ik kijk opzij. Marianne kijkt nog naar het bioscoopscherm. Ik voel me angstig, zelfs beetgenomen. Ik wil niet dat het verhaal zo eindigt. De eerste mensen staan op uit hun stoel. Ik twijfel of ik ook zal opstaan of Marianne de gelegenheid moet geven zich los te maken van de illusie die onze hersenen twee uur in beslag heeft genomen. Maar ze buigt zich al voorover en pakt haar jas. We schuifelen weg uit onze cocon van rood pluche. Buiten op straat overleggen we. Eigenlijk zie ik er tegenop om nog een café te bezoeken. De film heeft een kloof tussen ons geslagen die opnieuw gedicht moet worden. De beelden dreunen nog na in onze hoofden. We ontwijken elkaars blikken. Voor we iets kunnen zeggen moeten we ons losmaken van Brad en Mary-Ann. 'Zullen we nog even naar de Til gaan?', vraag ik. Marianne knikt. Met een opgeruimde klank in haar stem zegt ze: 'Ja leuk'. Het zelfde 'leuk' waarmee ze antwoordde toen ik haar vroeg of ze met me wilde uitgaan. We sluiten aan bij de stroom voorbijgangers en slaan een hoek om. In het café worden we gekeurd door fleurige dertigers. Hier is iedereen alles. Mooi en intelligent, onderhoudend en grappig. Ik haat die tronies. Ze zijn een spiegel van mezelf; hun eigenwaarde putten ze uit de reacties van anderen op de feiten die ze over zichzelf vertellen. Ze zetten zichzelf zo gunstig mogelijk neer om de afgrijselijke overbodigheid van hun bestaan te camoufleren. Onverschillig staar ik over de hoofden die zich zo uitzonderlijk goed schijnen te amuseren. Vlak bij het raam ontdek ik een onbezet wankel tafeltje met twee even gammele stoelen. Ik schuif schrapend het houten lor naar achteren en ga zitten. Marianne wringt zich tegenover me. De serveerster draagt haar uniform zoals het de doelgroep van de Viva betaamt: hoog op de benen, een 501 met versleten achterwerk, een brede riem met grote gesp, flinke heupen en een smal middel, een zwarte geldbuidel voor het kruis, opgeduwde borsten onder het strakke lycra. Blond haar valt achteloos over haar schouderbladen. Haar rode frambozenmond is altijd bereid voor een wervende glimlach. Een vlotte meid. Ik bestel bier, Marianne wil een spa-rood. 'Ik vond het een belachelijke film,' zegt ze. Ze steunt met haar kin op haar elleboog terwijl ze verongelijkt naar buiten staart. 'Waarom moet er nou zoveel geweld in? Zo is de werkelijkheid helemaal niet. Ik vond het gewoon onsmakelijk. Eerst vermoordt die Brad die oude man op een afschuwelijke manier en dat wordt ook nog smerig in beeld gebracht. Daarna rijdt hij over een konijn, en dat zie je ook allemaal tot in detail. En dan nog die wip in de achterbak. Waar is dat nou voor nodig?' Ze neemt een vinnig slokje van haar spa. Ik weet niets te zeggen. Ik kijk naar buiten, naar het plein waar een acrobaat in tangaslip aan een touw hangt dat hij aan een driepotig statief heeft bevestigd. Er heeft zich een groepje mensen omheen verzameld. Begeleid door Rimsky Korsakoff uit een gettoblaster kronkelt hij zich anderhalve meter boven het plaveisel in allerlei standjes. Het publiek lijkt het te waarderen. Men is op zoek naar vertier. Het avontuur van de grote stad. Achterin de zaak kletsen de biljartballen. Ventilatoren aan het plafond zuigen de sigaretterook omhoog. Ik heb trek in een sigaret, maar ik ben gestopt. Marianne heeft nooit gerookt. De barkeeper heeft een moment niets te doen. Met zijn handen uitgespreid op de toog kijkt hij verveeld naar zijn cliëntele. Hij probeert te voorspellen welk stelletje straks de liefde zal bedrijven. Voor de afwisseling neem ik een slok uit mijn glas. Het tapbier heeft een te dikke schuimkraag en smaakt ranzig. Op de afgesleten tafel liggen de eeuwige bierviltjes. Je kan er een telefoonnummer op schrijven, rondjes mee draaien of het bekende trucje mee uitvoeren door er een paar tegelijk op te wippen, te laten tollen en in je handpalm op te vangen. Als de avond lang duurt kun je ze uiteindelijk één voor één in stukjes scheuren en er een legpuzzel van maken. Koolzuur perst zich vanuit mijn maag omhoog. Ik boer geluidloos met mijn mond dicht. Marianne merkt het niet en kijkt net als ik naar buiten. Ik twijfel of ik een opmerking zal maken over de acrobaat. Haar vingers omklemmen krampachtig het glas spa-rood. Haar nagels zijn bedekt met een afgesleten laag paarse nagellak. Ze lijkt me een type dat op haar nagels bijt. Ik vraag me af of ze me nodig heeft. In dat geval vergist ze zich. Ze verslijt me voor een ander; iemand die ze zelf in haar hoofd gefabriceerd heeft. Als we nog langer met elkaar omgaan zullen we ontdekken dat er nauwelijks iets te kennen valt. Nu is het geheim tussen ons nog in staat de bekrompenheid van ons leven voor elkaar te verbergen. Misschien denkt ze dat ik iemand ben, maar ik ben niemand. Er is geen werkelijkheid waarin ik besta. Mijn leven kruipt voort zonder ooit belangrijk te worden; ik stel het zonder gebeurtenissen. Ik ben nog onbeduidender dan een personage. Mijn leven is nog vluchtiger dan woorden op papier of beelden op een filmstrook. Het gezicht van Mary-Ann uit de film verschijnt weer voor mijn ogen. Steeds duidelijker. Haar rood-bruine krullen vervangen het peper en zout-kleurige haar van Marianne, die verdwijnt in de mist van rook in het café. 'Je hebt zwarte vegen in je gezicht, Brad,' zegt ze. Ze zet haar glas cola neer. 'Hou nu eens op met dat gepulk aan die schram. Morgen kopen we nieuwe kleren. Het is stom van je dat je die kas hebt leeggeroofd, maar het is ook stom van mij geweest om je niet te vertellen over die tienduizend dollar die ik gewonnen had. Ik was bang dat je het zou verzuipen. Nu hebben we godzijdank geld. In Mexico is een dollar nog meer waard en de politie denkt nu toch dat we dood zijn.' Ze nipt van haar cola. Ik zwijg en draai een Budweiser bierfiltje met mijn wijsvinger rond. Ik pak het op en klap het dubbel waardoor het karton scheurt. Dan kijk ik weer naar buiten. Op straat verkopen Mexicaanse handelaren hun illegale waar; sloffen sigaretten, vuurwapens en poncho's. Voor een aantal dollars zal één van hen bereid zijn ons over de grens te smokkelen. Daarna zoeken we het verder zelf uit. Een benzinepomp beheren, dat lijkt me wel wat. Met dollars kan je in Mexico alles voor elkaar krijgen, zelfs burgemeester worden. Maar dat is fase twee. First things first. Een motel en een douche, zodat ik die zwartigheid van me af kan spoelen. Er is echter iets dat nu gezegd moet worden. Ik kijk recht in Mary-Ann's ogen, zoals een man hoort te doen wanneer hij iets vraagt en het ernstig meent. Mijn stem hapert even. 'Wil je met me trouwen, Mary-Ann?' Ze lijkt niet verrast, alsof ze het wel verwacht had. Over de tafel heen omarmt ze me met al haar kracht en zegt: 'Ja Brad, ik wil, ik wil, ik wil, ik wil.' _