GODS WIJSVINGER Carl Gastmans 'IK KAN ZIEN!!!' De woorden weerklonken over de vlakte, drongen door de open ramen het klooster binnen, verstoorden, voortgefluisterd door smalle lippen in ruwe haren kappen, de sacrale stilte, trokken met de herders en hun kudden magere geiten en schapen naar de verste uithoek van het onherbergzame land, waarden rond door de stegen van Antiochië, trokken op het trage, wiegende ritme van de karavanen door de woestijn, klopten aan bij de stadspoorten van Al-Amakhoêl, zwierven rond in de bazaars van de soeks, en bereikten zo de oren van Hassan Ibn Kelajjer, de koopman. 'Een mirakel,' herhaalde hij, en hij trok sceptisch, geamuseerd, de wenkbrauwen op. Hij hechtte niet veel geloof aan de verhalen van de christenen die wemelden van wonderbaarlijke genezingen en bovennatuurlijke fenomenen. Hij hield liever beide voeten op de grond en verkoos, boven God of Allah, het aardse gerinkel van geldstukken die hij tussen zijn tanden kon steken om te voelen of ze wel echt waren. Toen, drie weken later, geruchten over nieuwe wonderen bij de zuil van Tadeus Al-Amakhoêl bereikten, gaf Hassan zijn knechten het bevel twaalf dromedarissen te bepakken met koopwaar en begaf hij zich op weg. Hij wist dat dergelijke praatjes altijd veel volk lokken en er dus goede zaken konden gedaan worden. Maar niet alleen zijn koopmansinstinct dreef hem naar Terg-Siendru, de vlakte bij Eneboled waar Tadeus' zuil stond. De verhalen over blinden die plots konden zien, lammen die tot bij Tadeus gedragen werden en op eigen benen weer naar huis wandelden, bezetenen met het schuim op de lippen die aan de voet van de zuil hun eigen ik terugvonden en mak als lammetjes naar hun families terugkeerden, hadden Hassan nieuwsgierig gemaakt. Bovendien was hij blij weer eens, zoals vroeger, eropuit te kunnen trekken. De laatste jaren had hij zijn bazaar in Al-Amakhoêl niet meer verlaten en, vanachter zijn toonbank, toegekeken hoe zijn knechten vertrokken met hun lastdieren die bijna bezweken onder het gewicht van de wijn, de dadels, de specerijen, de gedroogde vruchten, de kostbare stoffen en allerhande snuisterijen, en terugkeerden met zakken vol geld. Nu hij, schommelend op de rug van een dromedaris, de warme wind weer door zijn haren en baard voelde waaien, besefte hij pas hoezeer hij dit gemist had en voelde hij opnieuw de lokroep van het avontuur en van de weidse, eindeloze horizonten. 'Wat nu weer,' zuchtte bisschop Hilarius, toen een dienaar hem kwam melden dat er een bezoeker voor de poort stond. 'Wie is het? Ik hoop voor jou dat het een belangrijk iemand is. Je weet dat ik er een hekel aan heb tijdens mijn middagdutje gestoord te worden.' 'Hoog bezoek. Een gezant uit Rome.' 'Wat? Een gezant van de paus? Laat hem onmiddellijk binnen.' Toen de dienaar even later de pauselijke boodschapper binnenliet, kon Hilarius een glimlach niet onderdrukken. Wat een melkmuil, dacht hij. Bijna nog een kind. De spanning die de woorden 'een gezant uit Rome' opgewekt hadden ebde weg. Als de paus een zo jonge en onervaren monnik stuurde zou het wel om geen ernstige zaak gaan. Gerustgesteld begroette hij zijn gast en wenste hem welkom in Antiochië. 'Sta mij toe dat ik mij even voorstel,' antwoordde de ander. 'Mijn naam is Lucius Fievola. Ik kom uit het klooster van San Michele, in Rome. De paus heeft mij naar hier gestuurd.' Hilarius glimlachte minzaam. 'En wat is de reden van uw bezoek?' 'Geruchten over miraculeuze genezingen bij de pilaar van Tadeus hebben Zijne Heiligheid bereikt. Er gaan in Rome steeds meer stemmen op om Tadeus, die al jarenlang een leven van ontberingen leidt, bij zijn overlijden heilig te verklaren. De paus wil in deze zaak niet over één nacht ijs gaan en wil eerst alle feiten grondig controleren. Om niet te veel ruchtbaarheid aan het onderzoek te geven heeft hij mij uitgekozen. Als voorpost, om het terrein te verkennen. Zo heeft Zijne Heiligheid het zelf uitgedrukt. Ik moet hem persoonlijk verslag gaan uitbrengen van mijn bezoek hier, en dan zal hij beslissen of het opportuun is een gezantschap van hogergeplaatste, meer bevoegde geestelijken te sturen om de zaak verder te onderzoeken.' Bisschop Hilarius zuchtte diep. Tadeus. Hij had het kunnen weten. Al dertig jaar lang vergalde die zelfkastijdende idioot zijn leven. Als een levend verwijt stond hij op zijn pilaar, een schaduw werpend op alle genoegens die de bisschop zich veroorloofde. Want Hilarius was in wezen een levensgenieter. Op zijn vijfentwintigste reeds was hij tot bisschop gewijd. Dat men hem op zo jonge leeftijd al de mijter op het hoofd drukte had hij niet te danken aan enige persoonlijke ambitie of verdienste, maar aan de politieke invloed van zijn vader, een van de meest vooraanstaande mannen in Antiochië, die besloten had dat een ecclesiastische carrière het beste zou zijn voor zijn zoon. Hilarius liet het zich allemaal welgevallen. Zijn taken als bisschop slorpten hem niet in die mate op dat er geen tijd overbleef voor wereldlijke pleziertjes: hij hield van lekker eten, zei niet nee tegen een goed glas wijn, en hij sliep liever in de gastvrije armen van een vrouw dan alleen. Zo vertegenwoordigde hij jarenlang, tot ieders genoegen, het hoogste kerkelijk gezag in Antiochië. Maar de komst van Tadeus had alles veranderd. In het begin was ook Hilarius onder de indruk gekomen van Tadeus' predikingen waarin hij de mensen aanspoorde zich los te maken van alle aardse genoegens, en dreigde met hel en verdoemenis als ze niet oppasten voor 'de serpenten die in de schoot van de vrouw huisden'. Maar toen de bisschop zag welke absurde straffen Tadeus zichzelf oplegde en tot welke excessen zijn prediking leidde, begon hij hem meer en meer te beschouwen als een masochistische gek, en hervatte hij, zonder schuldgevoelens, zijn liederlijk leven. Maar hij stond alleen met zijn mening. Tadeus' aanhang groeide zienderogen aan. Hij werd vereerd als een heilige, die het ware geloof in pacht had, en steeds meer mensen zagen in Hilarius een afvallige, die alleen maar het slechte voorbeeld gaf. Hilarius probeerde wel het tij te doen keren en de achting van het volk terug te winnen, maar alles wat hij deed was tevergeefs. Tijdens de vasten herleidde hij zijn, gewoonlijk copieuze, maaltijden tot één enkel sober gerecht, en dronk hij alleen maar water, wat hem een bijna bovenmenselijke inspanning kostte, maar wat was dat in vergelijking met Tadeus, die gedurende de hele vastenperiode, veertig dagen lang, helemaal niets at, niets, zodat Hilarius, voor zijn karig maal gezeten, toch nog de indruk had dat hij aan het schransen was. In de ogen van de mensen om hem heen las hij dat zij er ook zo over dachten. De toestand werd onhoudbaar. Hilarius was slim genoeg om te begrijpen dat hij niet tegen de stroom in kon blijven roeien, en tijdens de Paasmis kondigde hij aan dat hij na de mis, in hoogsteigen persoon, het Lichaam en het Bloed van Christus aan Tadeus zou gaan aanbieden. Een grote massa begeleidde de bisschop op de weg naar Terg-Siendru, waar Tadeus de hostie en de wijn, zijn eerste voedsel in veertig dagen, tot zich nam met een zodanige schroomvallige eerbied dat het voor iedereen duidelijk werd dat voor Tadeus de wijn en het ongedesemd brood niet louter symbolen waren, maar waarlijk Christus' Vlees en Bloed. Vanaf die dag bracht bisschop Hilarius iedere zondag de communie naar Tadeus. Hij had een hekel aan die wekelijkse tochten naar Terg-Siendru, al was het maar omdat hij een abominabel ruiter was, en iedere rit een kwelling betekende waarin zijn kont urenlang ruzie maakte met de kont van het paard, zodat het soms tot de dinsdag duurde eer hij weer gewoon, zonder pijn, kon neerzitten. Maar door elke week opnieuw Tadeus openlijk als zijn geestelijke meerdere te erkennen won hij een deel van de verloren gegane achting terug en beoordeelde het volk zijn doen en laten met mildere, tolerantere ogen. Een gekrenkt eergevoel en een pijnlijk achterste waren de prijs die hij voor zijn zwakheden moest betalen. 'Ik begrijp het,' zei bisschop Hilarius. 'Ik zal ervoor zorgen dat u uw onderzoek in alle vrijheid en met de nodige discretie kan uitvoeren. U kunt op mij rekenen.' Hilarius pauzeerde een ogenblik en scheen even na te denken. 'Morgen is het zondag. U heeft misschien al horen zeggen dat ik al jarenlang iedere zondag persoonlijk de communie naar Tadeus breng.' Lucius knikte maar leek niet onder de indruk. Zover is het al gekomen, dacht Hilarius wrang, dat het voor een snotneus uit Rome de normaalste zaak van de wereld lijkt dat ik, een bisschop, iedere week een knieval maak voor een halvegare monnik op een pilaar. 'Als u wilt kan u mij morgen vergezellen.' 'Dat is een uitstekend idee. Ik brand van verlangen om de heilige te zien.' Heilige, heilige, wie zegt dat hij een heilige is? dacht de bisschop. 'Goed, dat is dan geregeld. Ik zal een dienaar vragen een kamer voor u in orde te brengen. U zal wel vermoeid zijn na uw lange reis.' 'Dat is zeer vriendelijk van u.' 'Het is mij een eer een gezant van de paus in mijn huis te mogen ontvangen.' Toen hij weer alleen was probeerde de bisschop zijn middagdutje verder te zetten, maar te veel gedachten spookten door zijn hoofd, en na wat onrustig gedraai en gekeer in zijn bed, stond hij tenslotte maar weer op, in het besef dat slapen hem die middag toch niet meer zou lukken. Hassan genoot van ieder uur van de tocht, als een gevangene die na jaren opsluiting voor het eerst opnieuw de buitenlucht opsnuift. De woestijn die zich zover hij zien kon voor hem uitstrekte, gaf hem het euforische gevoel tweemal zoveel adem te hebben dan in zijn winkel. Hij voelde zich dronken van vrijheid. De handelaar in hem had ook redenen om hoopvol gestemd te zijn, want iedere reiziger die ze tegenkwamen bracht nieuwe verhalen mee over Tadeus' miraculeuze genezingen, het ene al ongelooflijker dan het andere: mismaakten die de zuil aangeraakt hadden en hun bochel voelden wegsmelten als sneeuw voor de zon, doofstommen die plots de engelenkoren hoorden en uit volle borst de hemelse melodieën meezongen. Men vertelde dat op een morgen vreemde, wondermooie bloemen uit de dorre grond rond de pilaar opge- schoten waren. Niemand had ooit zulke bloemen gezien, maar men noemde ze al vlug Adem van de engelen, want wie hun sterke, geparfumeerde geur opsnoof kreeg visioenen waarin Jezus, op een troon gezeten tussen de wolken en omringd door scharen engelen en heiligen, Tadeus' lof zong en zijn leven als voorbeeld stelde voor alle gelovigen; er ging een groots wonder geschieden, zo vertelde Jezus, om aan iedereen duidelijk te maken dat Tadeus tot Zijn uitverkorenen behoorde. Zeven mannen wier lichaam van kop tot teen bedekt was met harde schurftige korsten hadden zich op het bloementapijt te rusten gelegd en waren wakker geworden met een huid zo gaaf en zacht als van een pasgeboren kind. Toen Hassan dit verhaal voor de vierde keer hoorde, waren het geen zeven, maar vierentwintig mannen die door de Adem van de engelen genezen waren. Hassan moest grinniken om de naïviteit van hen die deze verhalen verder vertelden en meenden ze nog wonderbaarlijker te kunnen maken door de aantallen alsmaar op te schroeven. Maar het was goed voor de zaken, besefte hij. Hassan wreef zich tevreden in de handen. De mirakelkoorts scheen iedereen aangestoken te hebben. Het hele land gonsde van fantastische verhalen die zich op de vleugels van de wind schenen te verspreiden en zo doordrongen tot in het onooglijkste dorp, tot in de schamelste hut. Het hele land leek gevangen in een enorm spinnenweb van mirakels en bovennatuurlijke fenomenen, en midden in dat reusachtige web stond een pilaar, en op die pilaar een man. 'Wanneer zijn die wonderbaarlijke genezingen begonnen?' Bisschop Hilarius schrok op uit zijn gedachten en keek opzij naar Lucius, die naast hem reed. Hij benijdde de rijstijl van de jongeman die soepel, met zichtbaar gemak, één leek te zijn met het paard, terwijl hijzelf, hotsebotsend in het zadel, krampachtig gelijke tred probeerde te houden. Hij wist nu al dat zijn kont zeker twee dagen pijn zou blijven doen. 'Vier maanden geleden. Per ongeluk.' 'Per ongeluk?' 'De nacht van het eerste mirakel had een van de blinde bedelaars, die steeds rond de zuil te vinden zijn, zich aan de voet van de pilaar te slapen gelegd. Tadeus, die dacht dat hij alleen was, was aan de rand van de zuil gaan staan om een kleine behoefte te doen. De blinde kreeg de straal in de ogen, en een paar tellen later kon hij zien.' Lucius keek de bisschop ongelovig aan. Wou hij hem voor de gek houden? 'Het is misschien niet zo verheven als u het zich voorgesteld had, maar zo is het gebeurd. Tenminste, dat vertelt men. En vanaf dat moment is er geen dag voorbijgegaan of er is wel een of andere blinde, dove of kreupele genezen. Als men alle verhalen mag geloven.' 'Hoe bedoelt u? Gelooft u dan niet in de mirakels?' vroeg Lucius verbaasd. De bisschop dacht even na. 'Men moet voorzichtig zijn met die dingen. Men mag niet alles wat men hoort zomaar voor waar aannemen. En wat de mensen menen te zien, is dat wel altijd de waarheid? Door de wilde verhalen is hun geest zo verhit geraakt dat iedereen wel dol geworden lijkt. Ik denk dat velen het verschil tussen realiteit en fantasie niet meer zien, en hun dromen voor waarheid nemen. Zelf heb ik nog geen enkel mirakel of buitennatuurlijk fenomeen kunnen waarnemen.' Ze reden een eindje zwijgend naast elkaar voort. 'Hoelang zit Tadeus al op zijn zuil?' 'Al dertig jaar lang.' Lucius' mond viel open van verbazing. De gedachte dat de bisschop hem wat wilde wijsmaken kwam weer even bij hem op. 'Trouwens, hij zit niet, hij staat.' 'Hoe bedoelt u?' 'Wat ik zeg. Letterlijk. Hij zit nooit. Dat zou al te makkelijk zijn. Tadeus gaat ervan uit dat hoe meer een mens tijdens dit leven lijdt, hoe groter zijn beloning zal zijn in het hiernamaals. Hoe meer pijn, hoe dichter men bij Gods troon zal gezeten zijn. Dus staat hij altijd rechtop. Om wat te rusten of te slapen, wat hij trouwens ook zo weinig mogelijk doet, want wie slaapt kan niet bidden, bindt hij zichzelf vast aan de paal die de monniken boven op zijn pilaar geplaatst hebben.' 'Maar... dat houdt toch geen mens vol!' 'Oh, maar dat is nog niets. Voor Kerstmis staat hij wekenlang met de armen omhoog naar de hemel gericht, en tijdens de vasten eet hij geen kruimel brood en drinkt hij geen druppel water.' Lucius was nog steeds niet zeker of Hilarius hem niet voor de gek hield. In het klooster had hij ook ongelooflijke zaken over Tadeus horen vertellen, maar hij had ze altijd met een flinke korrel zout genomen, want iedereen weet dat elkeen die zulke zaken verder vertelt er nog een schepje bovenop doet. Maar waarom zou de bisschop, die dit alles niet wist van horen zeggen, maar met eigen ogen gezien had, overdrijven? 'Geloof me maar, Tadeus is de wereldkampioen van de onthechting en de zelfkastijding.' Lucius hoorde het sarcasme in de woorden van de bisschop, en stelde geen verdere vragen meer tot ze de heuvels bij Eneboled bereikt hadden. Terg-Siendru, de plek die Tadeus uitgekozen had om zijn leven van boetedoening te slijten, was een plateau dat ingesloten lag tussen steile, kale heuvels. De bisschop, Lucius en de paar dienaars die hen vergezelden volgden de uitgedroogde bedding van een riviertje dat tussen de heuvelruggen door liep. Na enige tijd verwijdde het dal zich en bereikten ze het plateau. Ze stegen af en klopten het stof uit hun kleren. 'Waarom stoppen we hier?' vroeg Lucius. 'Uit respect,' antwoordde de bisschop, en weer meende Lucius een zweem van ironie in zijn stem te horen. Hilarius wees met gestrekte arm naar een punt op de vlakte. Lucius keek aandachtig in de richting die de bisschop hem aanwees. Het hele plateau leek uit steen te bestaan, en het schaarse gras en de paar struiken die hier en daar koppig uit de grond gekropen waren hadden dezelfde stoffige kleur van de stenen rondom hen, en het duurde een tijdje eer Lucius, tussen de rotsblokken waar de vlakte mee bezaaid lag, de zuil ontdekte, die kleiner was dan hij verwacht had, maar dat kon ook door de afstand komen. Boven op de zuil zag hij een stip. Tadeus. 'Wat een massa,' hoorde hij de bisschop zeggen. Hij begreep niet onmiddellijk wat Hilarius bedoelde, tot hij zag dat de grond rondom de zuil leek te bewegen, alsof de stenen tot leven gekomen waren. Hij besefte echter al vlug dat hij geen nieuw wonder aanschouwde, maar dat er zich honderden, wie weet duizenden mensen rond de pilaar verdrongen. Een mensenzee, bedekt met het stof van verre, vreemde wegen. Eén dienstknecht bleef achter bij de paarden, en een andere, die een kistje droeg met de hostie, de kelk en de wijn, liep mee met Hilarius en Lucius, die eerbiedig een paar passen achter de bisschop aanliep. Hoewel ze nog een flink eind moesten stappen was Hilarius opgelucht dat hij tenminste dit laatste stuk te voet kon afleggen. De bisschop wees naar een laag bouwwerk, opgetrokken uit ruwe, op elkaar gestapelde steenblokken, dat, rechts van hen, aan de voet van een heuvel lag. 'Het klooster.' 'Het klooster?' 'Tadeus' eerste volgelingen hebben het gesticht. De monniken brengen hem alle dagen water en wat voedsel. Zij zijn het ook die de zuil voor hem gebouwd hebben. Eerst zat Tadeus gewoon boven op een rots. Dat was hen blijkbaar niet spectaculair genoeg.' Lucius wist niet zeker of die laatste opmerking voor hem bedoeld was, of dat het een bedenking was die Hilarius onbewust ontsnapt was. Zwijgend stapte hij verder achter de brede rug van de bisschop. Na enige tijd bereikten ze de buitenste rijen pelgrims. Vanwaar blijven ze komen? dacht Hilarius. Er moet in de rest van het land geen enkele blinde of kreupele meer over zijn. Lucius keek verbijsterd om zich heen terwijl ze zich een weg baanden tussen de horden zieken en gebrekkigen van allerlei slag: mankepoten, gebochelden, dementen, blinden, mannen en vrouwen met vreselijke huidziekten en etterende wonden, melaatsen die hen met open, tandeloze monden aanstaarden, hun rottende ledematen stinkend in de hete middagzon, een troep luizige, kwijlende mismaakten die, aangetrokken door de hoop, hoe miniem ook, uitverkoren en genezen te worden, naar Terg-Siendru gekomen waren. Om zich heen kijkend en steeds opnieuw andere, monsterachtige gebreken ontdekkend, botste Lucius tegen bisschop Hilarius aan, die een paar meter voor de zuil stil was blijven staan. Lucius keek op. Nu hij er vlak voor stond, was de zuil toch hoger dan hij daarstraks, vanuit de verte, gedacht had. Zo'n twintig voet, schatte hij. Tadeus stond met gesloten ogen aan de rand van de zuil, in gebed verzonken. Zijn lippen bewogen zonder ophouden en nu en dan hief hij de armen ten hemel. Lucius had nog nooit iemand gezien die er zo broos en kwetsbaar uitzag, alsof het minste windje hem van zijn zuil zou kunnen blazen of hem in tweeën knakken. Lucius voelde dat iedereen om hem heen neerknielde, en toen hij voor zich keek zag hij dat de bisschop, achter een grote, platte steen die dienst deed als altaar, klaarstond om de mis te beginnen. Lucius volgde het voorbeeld van de anderen en knielde neer. Het was een korte plechtigheid, en toen het ogenblik van de communie aangebroken was werd er een smalle ladder tegen de pilaar gezet. Sommige sporten kraakten vervaarlijk onder het gewicht van de bisschop. Een of andere dag breek ik hier mijn nek nog eens, dacht hij. Nog voor hij helemaal boven aan de ladder was sloeg de misselijkmakende stank hem in de neusgaten, en toen hij zijn hoofd boven de rand van de zuil uitstak was het eerste wat hij zag Tadeus' benen, met spataderen die er als dikke blauwe kabels omheen geslagen waren, bedekt met korsten vuil en zweren waar bruingroene etter uitstroomde, steunend op twee vormeloze voeten met lange, gele nagels. Een korte lendendoek, waarvan de oorspronkelijke kleur onmogelijk te achterhalen was, was alles wat hij droeg. Het was of zijn ribben ieder ogenblik door zijn vel, dat dun als perkament was, konden breken en zijn hoofdhuid zat zo strak om zijn schedel gespannen dat zijn hoofd een levende doodskop leek. Hilarius stond nu boven op de zuil, tegenover Tadeus. Als altijd kreeg hij het gevoel dat zijn lichaam, dat hij koesterde als een bron van velerlei genoegens, nu een vreemd, storend voorwerp was, en dat zijn weldoorvoede lijf een belediging was voor Tadeus' uitgemergeld karkas. En weer bekroop hem de twijfel. De twijfel of het vuur dat diep in de oogkassen van de heremiet brandde dat van de waanzin was of een afspiegeling van de goddelijke vlammen die op de Dag des Oordeels de zondaars zouden verteren. De bisschop wendde de blik af en liet een mandje, dat boven op de zuil stond, aan een touw naar beneden. Zijn dienaar legde er het kistje in, en Hilarius trok het mandje terug naar boven. Hij nam de hostie, zegende ze en hief ze met beide handen ten hemel, terwijl Tadeus eerbiedig neerknielde. De bisschop liet de armen zakken, brak de hostie in twee, legde een helft op Tadeus' tong en stak de andere helft in zijn eigen mond. Daarna zegende hij de wijn, hield de kelk even boven zijn hoofd, nam een slok en gaf dan de kelk door aan Tadeus. Hilarius prevelde nog een paar woorden, sloeg een kruis en daalde, nadat hij het kistje weer laten zakken had, van de ladder af, opgelucht dat hij terug op de begane grond stond en het een hele week zou duren eer hij weer in de priemende ogen moest kijken. Lucius zat nog steeds geknield en keek geobsedeerd naar Tadeus die opnieuw aan de rand van de zuil gaan staan was, de armen en de ogen ten hemel gericht. Gewoonlijk vertrok de bisschop onmiddellijk na de communie, maar Lucius vroeg hem nog wat te willen blijven. Hilarius dacht even na en knikte. Hij keek om zich heen naar de massa en vroeg zich af of dit ook kinderen van God waren, of schepsels van een wreedaardige, cynische grappenmaker. Het enige mirakel dat ik zie is dat er hier nog geen epidemie uitgebroken is, dacht hij. Plots verstomden de gesprekken tussen de pelgrims: Tadeus had de handen bezwerend voor zich uitgestoken en overschouwde de duizenden aan zijn voeten. Hij wachtte tot het doodstil was, en toen klonk zijn stem. Het was een hees krassen, dat toch de achterste rijen van zijn toehoorders bereikte en de hele vlakte, tot aan de voet van de heuvels, scheen te vullen. 'Wee u, zondaars.' Tadeus liet een dreigende stilte vallen, die zo lang duurde dat het even leek of hij niets aan die drie woorden toe te voegen had, maar daar klonk weer zijn schorre stem: 'Wee u, en uw leven van lage driften en uw mateloze zoeken naar genot. Wee u, gij met uw volgevreten pensen en gij met uw niet te stillen dorst naar pracht en praal. Vervloekt zijt gij! In het diepste van de hel zult gij eeuwig branden en duivels met drie koppen en scherpe klauwen zullen uw vette buiken openrijten en uw ingewanden aan de hellehonden voeren. Wee u, gij die ziek zijt en durft te klagen. Wat is uw lijden vergeleken bij dat van Jezus, die gij met uw levenswandel bespot en beschimpt. Bij iedere onkuise gedachte spuwt gij in Zijn gelaat. Vervloekt zijt gij en eeuwig zult gij branden!' Lucius had de indruk dat de heilige, want daar twijfelde hij niet meer aan, voor hem alleen sprak en het 'wee u' trof hem iedere keer als een mokerslag. Hij verloor alle besef van tijd en wist niet, toen Tadeus zweeg, of hij tien minuten of drie uren gesproken had. Lucius liet het hoofd op de borst zakken en probeerde te bidden, maar de zondvloed van Tadeus' woorden scheen al zijn vroegere gedachten weggespoeld te hebben en hij zocht tevergeefs naar woorden. Onder zijn schedel kolkte een oceaan waarin hij hulpeloos ronddobberde. Hij voelde een hand op zijn schouder. 'Het is tijd om te gaan,' hoorde hij een stem zeggen. Hij stond op en liep mechanisch achter de bisschop aan, langzaam tot zichzelf komend. Toen ze de plaats bereikten waar de knecht op hen wachtte met de paarden, draaide Lucius zich om en wierp een blik op de vlakte. De zon stond laag boven de heuvels en wierp lange schaduwen op de grond. Tadeus' zuil was nu veel beter te zien dan op het middaguur en tekende zich scherp af tegen de kale heuvels op de achtergrond. 'Gods wijsvinger,' zei Lucius zacht voor zich uit. De ervaren vingers van de masseuse streelden en kneedden de vermoeidheid uit zijn rug, die glom van de olie. Hassan slaakte een zucht van genot toen ook zijn nekspieren sensueel en vakkundig onder handen genomen werden. In een warm bad had hij de laatste korrels woestijnzand van zich afgespoeld, waarna Mirta, donker en slank als ebbenhout, hem afgedroogd en naar de massagetafel geleid had waar hij zacht kreunde onder haar bedreven handen. Hier, in het befaamdste bordeel van Antiochië, wou hij zich eerst een dag of twee laten verwennen alvorens door te reizen naar Eneboled, waar, naar hij gehoord had, de meeste handelaars hun tenten opgeslagen hadden om aan de duizenden pelgrims en nieuwsgierigen hun waren te verkopen: voedsel, drank, souvenirs - 'stukken van de echte zuil!' -, prullen allerhande. Mirta boog zich naar hem toe en fluisterde in zijn oor dat hij zich moest omdraaien. Ze masseerde nu zijn borst, en steeds lager zakten haar handen, tot hij zich voelde wegzinken in een halfbewuste droom waarin hij niet meer uit vlees en bloed leek te bestaan, maar uit louter en puur genot. 'Wat zegt u?' vroeg de bisschop. 'Gods wijsvinger,' herhaalde Lucius, de ogen nog steeds op de zuil gericht. 'Hoe bedoelt u?' Lucius wendde het hoofd om naar Hilarius. 'Ik bedoel dat ik in Tadeus' zuil Gods gestrekte wijsvinger herken, die Hij vermanend naar de mensheid uitsteekt en die zegt: "Pas op, staar u niet blind op dit aardse leven met al zijn verlokkingen, dit is slechts een proef, een test om de ware gelovigen van de zondaars te scheiden; het echte leven begint later pas, bij Mij in de Hemel."' De bisschop draaide zich om en staarde een tijdje naar de pilaar in de verte. Hij voelde de woede in zich opwellen. Met een ruk keerde hij zich weer om, wierp Lucius een blik vol verachting toe en dacht: 'Weet je waar je hem kan steken, je wijsvinger van God?' Met snelle, kwade passen stapte hij naar zijn paard, rukte de teugels uit de handen van zijn knecht, gebood hem kortaf hem in het zadel te helpen en reed weg zonder te wachten op Lucius, die daarop ook in het zadel sprong en, samen met de knechten, de bisschop op enige afstand volgde. Hilarius' woede verdween even snel als ze gekomen was. Het was tenslotte begrijpelijk, zo dacht hij, dat een jonge, ietwat naïeve monnik als Lucius, die nog bijna niets van de wereld gezien had, zo diep onder de indruk gekomen was. Zelf was hij in het begin ook niet ongevoelig geweest voor Tadeus' donderpreken. Het duurde niet lang voor hij zijn kalmte teruggevonden had en alle gedachten aan Lucius en Tadeus - Gods wijsvinger of niet - verdreven werden door die ene, allesoverheersende bekommernis: de stekende pijn in zijn achterste die hij, langzaam maar zeker, voelde veranderen in één grote, pijnlijke, blauwe plek. Lucius had tot in Antiochië de bisschop vanop een afstand gevolgd, en het was pas bij het avondmaal dat beide mannen weer tegenover elkaar zaten. 'Het spijt me als ik iets gezegd heb dat u van streek gemaakt heeft. Dat was zeker niet mijn bedoeling,' doorbrak Lucius de stilte. 'U hoeft zich niet te verontschuldigen,' antwoordde Hilarius. 'Als iemand van ons beiden zich moet excuseren ben ik het. Dat was geen manier om een gast te behandelen. Vergeeft u mij... Mag ik?' Bij wijze van verzoening hief Hilarius de wijnkruik op en wou de beker van Lucius vullen, maar deze maakte een afwerend gebaar met zijn hand en zei: 'Nee, dank u, voor mij geen wijn vandaag. Ik ga water drinken.' De bisschop keek zijn gast een ogenblik onderzoekend aan, de wijnkruik in de hand, en vulde dan zijn eigen beker uitdagend tot aan de rand. Hij nam een paar flinke slokken, leunde achterover, beide handen breed voor zich uit op het tafelblad en zei: 'Vrij indrukwekkend, niet?' 'Wat bedoelt u?' 'Tadeus' preek. Ik moet toegeven dat de eerste keer dat ik hem zo tekeer hoorde gaan ik ook behoorlijk geschrokken was.' De luchtige toon waarop de bisschop sprak, alsof hij het had over het nummer van een of andere jongleur, kwetste Lucius. 'U schijnt Tadeus helemaal geen warm hart toe te dragen. Ik vraag mij af waarom,' vroeg hij scherp. Hilarius dacht een hele tijd na, de beker wijn langzaam ronddraaiend in zijn hand, en zei dan: 'Er zijn veel wegen die naar de Hemel leiden, en ik vind Tadeus' weg een gevaarlijke.' 'Er is maar één weg, die van de waarheid,' beet Lucius hem toe, alle respect voor de kerkelijke hiërarchie uit het oog verliezend. Hilarius probeerde uit alle macht de woede die hij opnieuw in zich voelde opflakkeren, te onderdrukken. Hij mocht niet vergeten dat achter deze arrogante snotneus een andere man stond, met een tiara op zijn hoofd. 'En wat is dan wel die ene weg van de waarheid? Kunt u mij dat vertellen?' 'Het is de weg die heiligen zoals Tadeus ons tonen.' De bisschop zuchtte diep. 'Ik denk niet dat God van ieder van ons verlangt een heilige te zijn,' zei hij zacht. Er viel een stilte. 'En bovendien,' hernam Hilarius, zijn woede nog nauwelijks de baas, 'is men heilig omdat men erin slaagt veertig dagen lang niets te eten? Is men heilig omdat men twee weken aan een stuk, zonder een oog dicht te doen, gebeden aframmelt? Is men heilig omdat men op een pilaar kruipt en de rest van zijn leven het lichaam dat we van God gekregen hebben misvormt tot een instrument van alleen maar kwelling en pijn, tot er slechts een stinkend, smerig wrak van over is, om dan luidkeels te roepen dat men een beter mens is dan de anderen, en dat wie zijn voorbeeld niet volgt zal branden in de hel, is dàt heilig zijn? Ik vind God niet in dat alles, ik zie alleen maar de duivel van de hoogmoed!' Lucius keek de bisschop lijkbleek aan. 'Dit is heiligschennis,' mompelde hij. 'Godslastering.' Hij stond met een ruk op. 'Ik vertrek morgenvroeg terug naar Rome,' siste hij en hij liep de kamer uit zonder de bisschop nog een blik waardig te gunnen. Hilarius staarde een tijdje voor zich uit, dronk zijn beker in één slok leeg, belde om zijn dienaar en fluisterde hem iets in het oor. Hij wist dat hij die nacht de warmte van twee armen om zich heen nodig zou hebben. De zon stond al hoog aan de hemel toen de bisschop uit zijn slaap gerukt werd door aanhoudend geklop op de deur. Hij trok zijn ogen open en zag de naakte schouders en de haardos op het kussen naast hem. De herinnering aan de voorbije nacht toverde een glimlach op zijn lippen. Hij draaide zich naar de deur en riep: 'Binnen.' Zijn dienstknecht kwam de kamer in, sloeg de ogen neer en zei in één adem: 'Er gebeuren vreemde dingen in Terg-Siendru, Heer.' De bisschop was nog niet goed wakker en het duurde even voor de woorden van zijn knecht tot hem doordrongen. 'Wat voor vreemde dingen?' 'Deze nacht zijn alle dieren die zich op de vlakte bevonden plots onrustig geworden. De honden hebben uren aan een stuk gehuild, de menners hadden de grootste moeite om hun ezels en dromedarissen in bedwang te houden, en enkele paarden zijn losgebroken en hebben de hele nacht doelloos over de vlakte gezworven. Toen de morgen aanbrak zag men dat de grond bezaaid was met blauwe bloemen en miljoenen mieren kropen uit de grond en vormden reusachtige zwarte cirkels die traag ronddraaiden en de vogels vlogen ondersteboven en...' De bisschop onderbrak hem met een ongeduldig gebaar. 'En Tadeus?' De knecht keek de bisschop een tijdje besluiteloos, met vage schrik in de ogen aan. Hij slikte een paar keer, en flapte er dan uit: 'Hij is aan het verdampen.' 'Hij is wat??' Hilarius zat met een schok rechtop in bed, waardoor een pijnscheut door zijn beurse kont trok die een pijnlijke grimas op zijn gelaat tekende. 'Aan het verdampen,' herhaalde de knecht. 'Hij lost op in de lucht. Hij wordt doorschijnend. Men zegt dat men door zijn lijf al de contouren van de heuvels achter hem kan zien.' De bisschop liet zich weer achterovervallen en sloot de ogen. Wat zullen we nu weer krijgen? dacht hij. Hij opende opnieuw de ogen en vroeg: 'Heeft Lucius dit al gehoord?' 'Nee, die is deze morgen al heel vroeg terug naar Rome vertrokken.' Hilarius dacht even na. Wat moest hij doen? Zelf naar de vlakte rijden was, gezien de toestand van zijn achterwerk, uitgesloten. 'Rij onmiddellijk naar Terg-Siendru en ga eens kijken wat er waar is van al die verhalen. En breng me dan vanavond verslag uit.' De knecht knikte en verliet de kamer. Hilarius staarde naar het plafond en sloeg zijn arm om het meisje dat zich, zolang de knecht in de kamer was, slapende gehouden had, en zich nu tegen hem aanvlijde. Hij had geen idee wat hij van dit alles mocht geloven en wat hij zich precies moest voorstellen onder het verdampen van Tadeus. Hij had nog nooit geloof gehecht aan de wonderverhalen, maar dit keer hoopte hij uit de grond van zijn hart dat het waar was. Het leek te mooi om waar te zijn: Tadeus die in het niets opgaat... Dan zou hij zeker heilig verklaard worden, maar Hilarius was ervan overtuigd dat er beter te leven viel met de herinnering aan een gecanoniseerde heremiet dan met een Tadeus in levenden lijve die hij iedere zondag opnieuw in de ogen moest kijken. En zijn wekelijkse rit naar Terg-Siendru zou dan ook overbodig worden. De bisschop glimlachte bij deze gedachte, of was het omdat het meisje naast hem zijn oorlelletje tussen haar tanden genomen had en er zacht op knabbelde? Hij draaide zich naar haar toe en zocht haar lippen met zijn mond. Ach, hij zou straks van zijn knecht wel horen hoe of wat. Op dit moment had hij andere katten te geselen. 'Het leek wel alsof hij met ieder zuchtje wind doorzichtiger werd. Hij werd vager en vager, tot alleen nog zijn omtrek overbleef, als flauwe strepen in de lucht. En ook die verdwenen tenslotte. En op dat moment verscheen er een regenboog, juist boven de zuil, met kleuren die geen mens ooit gezien heeft, en die steeds feller begonnen te schitteren, tot het pijn deed aan de ogen en men de blik moest afwenden.' Hassan luisterde met open mond naar wat de koopman hem vertelde. Hij was nog maar pas in Eneboled aangekomen, dat één reusachtige handelsbeurs leek: waar hij ook keek zag hij de tenten en de kraampjes van de handelaars die met luide stem hun goederen aanprezen, en overal hing de doordringende geur van allerlei etenswaren en specerijen. Terwijl hij op zoek was naar een geschikte plek om zijn tenten op te slaan, was het hem opgevallen dat er een ongewone spanning in de lucht hing: overal zag hij groepjes mensen staan die met koortsachtige gebaren druk door mekaar praatten. Het was duidelijk dat er iets ongewoons gaande was, en Hassan had zich tot een koopman gewend, die hem alles verteld had over de wonderbaarlijke verdwijning van Tadeus. Nadat hij een gepaste plek, aan de rand van het dorp, gevonden had, gaf Hassan zijn knechten het bevel de tenten op te zetten, terwijl hij alleen doorreed naar het vlakbij gelegen Terg-Siendru. Hij bereikte al vlug het plateau. Hij reed zover mogelijk, tot hij niet meer verder kon op zijn dromedaris en zich te voet een weg moest zoeken tussen de duizenden die geknield op de grond zaten. Het gemurmel van hun gebeden klonk hem in de oren als het ruisen van de zee. Zijn ogen zochten naar sporen van de blauwe bloemen en van de regenboog, maar toen hij aan de voet van de pilaar stond, zag hij alleen maar de helderblauwe lucht boven de lege zuil. Toen hij terug in Eneboled aankwam zag hij dat de knechten de tenten gezet hadden en al begonnen waren met het uitstallen van de goederen. Hij controleerde de kwaliteit van de koopwaar, stelde met genoegen vast dat alle producten de lange tocht goed doorstaan hadden, en zette zich dan op een tapijt voor zijn tent. Vanwaar hij zat kon hij de weg naar Antiochië zien, en hij keek met pretoogjes naar de alsmaar aanzwellende stroom nieuwsgierigen die zich, nu het ongelooflijke nieuws de stad bereikt had, naar Terg-Siendru repten. Hij glimlachte fijntjes en wreef zich tevreden in de handen.